Home   2026-08-03 17:31:33

‘Blue Sun Palace’ is een mooie, kleine fluisterfilm, waarin zich als een blikseminslag een onbeschrijflijk drama voltrekt

Original article

Twee bevriende vrouwen in een massagesalon in de New Yorkse buurt Flushing. De oudste, Didi (Haipeng Xu), papt het aan met de vriendelijke loonwerker Cheung (de Taiwanese steracteur Lee Kang-sheng). Ze laat hem logeren in het appartement boven de salon dat ze deelt met de jongste, Amy (Ke-Xi Wu), en krijgt dat plagerig te horen: manvolk over de vloer is eigenlijk tegen de regels.

Het leven is hier zwaar. ‘No sexual services’ is een andere huisregel. Klanten van de salon krijgen die mededeling bij de deur te lezen, om daar vervolgens al dan niet dwingend over te onderhandelen. De vrouwen slaan zich er moedig doorheen, mede dankzij die met gemoedelijke blik gefilmde vriendschap.

Van de buitenwereld hoeven deze personages het in ieder geval niet te hebben. De Chinese gemeenschap vormt hier de grootste van New York, terwijl de aandacht uitgaat naar het beroemdere (en veel vaker gefilmde) Chinatown op Manhattan.

Dit debuut van de Amerikaanse Constance Tsang heeft wel wat van de slice of life-films van de Belgische grootheid Chantal Akerman: niet voor niets noemde de filmmaker Akermans meesterwerk Jeanne Dielman (1975) vorig jaar op de website van kwaliteitsfilmlabel Criterion haar favoriete film aller tijden.

Maar terloops, bijna sluw, blijkt Tsang haar publiek op het verkeerde been te hebben gezet. Na een half uur, direct nadat zich als een blikseminslag een onbeschrijfelijk drama heeft voltrokken, plaatst Tsang de begintitels van Blue Sun Palace op het doek.

Ze markeren een ommekeer. Die gemoedelijk kabbelende slices transformeren in scènes die zijn doortrokken van verdriet. Amy draagt het haar nu in rommelige slierten voor haar ogen. Het plafond lekt. Didi’s minnaar Cheung meldt zich opnieuw, op zoek naar een schouder, of meer, bij Amy.

Blue Sun Palace is een mooie, kleine fluisterfilm, geregisseerd door een debutant die goed lijkt te weten wat dit verfijnde type vertelling nodig heeft. Wie naast het werk van Akerman wel eens een film heeft gezien van Tsai Ming-liang zal het decor waartegen een paar van de gevoeligste scènes zich afspelen bekend voorkomen.

Zo’n beduimeld winkelcentrum vol gesloten rolluiken en reclames op verscheurde vellen papier, de eetstalletjes badend in genadeloos tl-licht, ademt nagenoeg perfect de melancholie waarnaar Tsang zoekt.

Dat maakt nieuwsgierig naar waarmee ze komt wanneer ze haar eigen stem meer laat gelden en de aanpak van haar voorbeeldfilmers durft te laten varen. Haar potentieel is daarvoor onmiskenbaar aanwezig.