Queergeschiedenis moet je wíllen zien, tonen deze boeken
Het nieuwste boek van Marijke Huisman heet Queer geschiedenis van Nederland, maar op pagina drie maakt ze de lezer al een illusie armer: die zal in haar boek niet lezen over dé queer geschiedenis van Nederland. Het boek van Huisman gaat over hóé die geschiedenis, sinds de negentiende eeuw, is gevormd. Verwacht dus geen compleet overzicht van de belangrijkste gebeurtenissen in de geschiedenis van wat we nu de queergemeenschap of lhbtiq-gemeenschap noemen, wél een goed uitgezocht naslagwerk over de discussies binnen die gemeenschap over wat die geschiedenis is. Daarmee heeft ze een originele, scherpe en vooral ook moderne invalshoek gekozen, al is de titel dus wat misleidend. Want het idee dat geschiedenis nooit neutraal is, is tegenwoordig wel ingedaald. De ondertitel luidt De strijd om een eigen verleden, want een strijd is het: wie en wat krijgt hoeveel aandacht in ons collectieve geheugen?
Huisman, universitair docent publieksgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht, werd in 2021 door uitgeverij Atlas Contact gevraagd om een „regenboogvariant van de Canon van Nederland” te schrijven (wat het dus niet is geworden). Een interessante keuze om Huisman te vragen, want zij zag zichzelf niet eens als specialist in queergeschiedenis. Wel hield ze zich als wetenschapper bezig met gender, ras en emancipatie. De keuze pakte goed uit, want daardoor heeft ze steeds oog voor onderbelichte groepen binnen de regenbooggemeenschap, zoals vrouwen en mensen van kleur. Een canon, schrijft ze, zou machtsverschillen binnen die gemeenschap „onder een regenboogkleurig tapijt vegen”. Liever laat ze zien hoe die machtsverschillen binnen geschiedschrijving werken.
„Herinneringsactivisme” noemt ze dat, de poging om een bepaalde geschiedenis voor het voetlicht te brengen. Dat werd binnen de regenbooggemeenschap eerst vooral door witte homoseksuele mannen beoefend. Begin vorige eeuw deden ze dat door een „eregalerij” aan (mogelijk) homoseksuele historische figuren op te stellen (Alexander de Grote, Michelangelo, Shakespeare). „Deze alternatieve cultuurgeschiedenis diende immers duidelijk te maken dat zelfs, of juist, de groten der aarde ‘ook zo’ waren”, schrijft Huisman. Mensen van kleur vielen buiten deze eregalerij omdat die eurocentrisch was. En de oud-Griekse dichteres Sappho was een van de weinige vrouwen.
In de loop van de jaren vijftig steeg de behoefte aan meer eigentijdse en Nederlandse rolmodellen, schrijft Huisman. Dat paste bij een tijd waarin belangenorganisatie COC vooral de boodschap probeerde over te brengen dat homoseksuelen gewone mensen zijn. Vanaf de jaren zestig begonnen vrouwen ook te bouwen aan een eigen geschiedenis met, naast Sappho, vrouwenleger-te-paard de Amazonen, vrouwen uit het vooroorlogse Parijs en later schrijver Andreas Burnier.
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/07/27133345/310726BOE_2034480808_2.jpg)
Andreas Burnier.
Foto Vincent MentzelTegelijkertijd werd de biografische benadering sleets en verschoof de aandacht naar grotere structuren in de maatschappij, zoals hoe religie homoseksualiteit afwees en de wet homo’s discrimineerde, aldus Huisman. Steeds vaker, naarmate de strijd tegen discriminatie centraler kwam te staan, werd het begin van de Nederlandse emancipatiebeweging geplaatst bij de oprichting van het COC (1946).
Huisman leunt voor haar research vervolgens zwaar op discussies die werden gevoerd in COC-tijdschrift Vriendschap – een enkele keer vat ze enkele bladzijden lang een artikelenserie uit het tijdschrift samen. Maar was de homogemeenschap niet meer dan het COC? De diversiteit aan bronnen was tot 1970 beperkt, erkent Huisman zelf in haar verantwoording.
Hoezeer geschiedenis afhangt van perspectief, beschrijft Huisman verder aan de hand van groepen als Bi-klup (1983, voor biseksuelen), Strange Fruit (1989, voor lhbtiq’ers met migratieachtergrond) en Het Jongensuur (1994, voor transgender personen), die de westerse, binaire benadering uitdaagden; zo transformeerde Andreas Burnier van lesbisch naar transgender icoon, en beschreef Gloria Wekker via de creoolse mati-cultuur (waarin vrouwen met vrouwen seks hadden) dat seksueel gedrag niet je identiteit hoeft te bepalen.
Hoe scherp de invalshoek ook is, en hoe helder ze het ook allemaal opschrijft, het boek van Huisman is huiswerk. Dat komt doordat ze alleen óver geschiedschrijving schrijft, zonder die te combineren met invoelende, persoonlijke verhalen. Ter illustratie: ze wijdt evenveel pagina’s aan (een brochure van) de tentoonstelling Goed verkeerd (1989) als aan de hele aidscrisis. Maar daar zijn dan weer andere boeken voor (zoals Live to tell (2025) van Robbert Blokland & Matthijs le Loux).
Nederlandse Harvey Milk
Een goed voorbeeld van ‘herinneringsactivisme’ is het boek Roze draad. Strijd, succes en stilstand in vijftig jaar homo-emancipatie, dat dit voorjaar verscheen, geschreven door Coos Huijsen, de eerste parlementariër ter wereld die uit de kast kwam (in 1976), en zijn neef, EW-columnist Geerten Waling. „Weinig coming-outs hebben zo veel impact gehad” als die van Huijsen, schrijft Waling, die Huijsen zelfs „zonder overdrijving” de Nederlandse Harvey Milk noemt, een van de eerste openlijk homoseksuele politici in de VS die in 1978 werd vermoord. Door de titel van het boek lijken de schrijvers die coming-out haast als beginpunt te nemen van die homo-emancipatie.
Niets ten nadele van de nalatenschap van Huijsen, maar tv-figuren als Albert Mol en Jos Brink hadden volgens mij meer impact, alleen al omdat het tv-figuren waren. In 1976 kreeg de coming-out van Huijsen weinig aandacht in de kranten. Dat dat een wereldprimeur was, daar kwam Huijsen zélf pas in 2013 achter, schrijft hij in zijn autobiografie Homo politicus. De eerste parlementariër ter wereld die uit de kast kwam (2016).
Neemt niet weg dat Huijsens publieke coming-out na vijftig jaar een mooie aanleiding biedt om terug te blikken op wat er is bereikt. Alleen is Roze draad nauwelijks een nieuw boek te noemen. Het is eerder een herziening van Homo politicus, maar dan met voorwoord (door Parool-journalist Tahrim Ramdjan), proloog (door Waling), epiloog (door Huijsen en Waling) én nawoord (door theoloog Tom Mikkers). Toch is het boek dunner, omdat grote passages van het levensverhaal van Huijsen zijn geschrapt, zoals zijn hele jeugd in Zeeland. Die schrappingen zijn soms terecht – het gedeelte over Huijsen als Oranje-kenner uit Homo politicus hoeft inderdaad niet in een boek over homo-emancipatie – maar soms leer je de beste man er minder goed door kennen. Lees daarvoor gewoon Homo politicus.
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/07/27133542/310726BOE_2034480808_3.jpg)
Coos Huijsen
Foto Pim Ras/ANPDe schrappingen en toevoegingen komen de eenheid van het boek niet ten goede. De epiloog is op zichzelf al een eclectisch geheel, met een stukje herhaling van het levensverhaal van Huijsen, een pleidooi voor een meerouderschapswet en drie eerder in EW gepubliceerde interviews van Waling met slachtoffers van anti-lhbt-geweld. Onder meer. De epiloog eindigt als opinieartikel. Waling en Huijsen vinden dat de emancipatiestrijd van transgender personen en die van homoseksuelen uit elkaar getrokken moeten worden omdat zij „weinig met elkaar vandoen” hebben – terwijl ze nét interviews hebben gepubliceerd met twee homoseksuele slachtoffers en één transgender slachtoffer van toch erg vergelijkbaar geweld. „Wat heeft mijn voorliefde voor andere mannen te maken met een worsteling met je genderidentiteit”, zegt Coos Huijsen tegen Waling in een verslag van hun gesprek. „Juist nu homoseksualiteit bij uitstek ter discussie staat, zou daar de strijd over moeten gaan”, cijfers over de gemarginaliseerde positie van trans personen negerend. Het sluit af met de suggestie dat „het radicale, queer activisme niet werkt” omdat het rechts-conservatisme in de hand werkt (waarom is het niet andersom?).
Theoloog Tom Mikkers gaat daar in het nawoord op door. Hij vindt de vervanging van ‘homo-emancipatie’ door ‘lhbti-emancipatie’ een verwatering, zonder voorbeelden te geven van waar de ‘t’ de ‘h’ dan verdrukt.
Plezieractivisme
Ik denk dat Mikkers, Waling en Huijsen het recent verschenen Optimistisch queer handboek voor hardere tijden (2026) radicaal-activistisch zouden noemen: een bundel essays en korte „bemoedigingen”, samengesteld door oud-Winq-hoofdredacteur Martijn Kamphorst, die er goed op heeft gelet dat alle groepen onder de regenboogparaplu zijn vertegenwoordigd. Dat kaleidoscopische perspectief valt ook al op bij Pride-tentoonstellingen die nu in de hoofdstad te zien zijn, en bij de Walk of Pride, een wandelroute langs tegels met queer iconen, samengesteld door maar liefst achttien organisaties uit de lhbtiq-gemeenschap. Het is het perspectief dat binnen het queer herinneringsactivisme dus de overhand lijkt te krijgen.
Echt optimistisch begint het handboek overigens niet, met verhalen over homo-executies in de achttiende eeuw en homo’s in het verzet. Natuurlijk kunnen we leren van deze „hardere tijden”, maar het zet de huidige tijd wel in heel donker perspectief. „Hoe ziet een toekomst eruit die niet uitsluitend wordt gevormd door wat jij of je voorouders hebben overleefd, maar ook door wat je wilt creëren?”, schrijft Rachel Rumai Diaz verderop in het handboek. Zij pleit voor „plezieractivisme”. Net als Maaike Meijer in haar levenslustige essay over het vrolijk-activistische lesbisch-feminisme uit de jaren zeventig, die vindt dat we net als toen wel wat vaker mogen lachen. De bijdragen van de biseksuele Roel Maalderink en intersekse Marleen Hendrickx bewijzen hoe krachtig het is om verhalen te vertellen van gelukkige queers.
„Een groot deel van de lokale queer geschiedenis ligt nog braak”, schrijft Huisman in haar nawoord, een heerlijke oproep tot meer queer geschiedschrijving. Zeker buiten Amsterdam. „In queer herinneringsactivisme viel en valt Amsterdam vaak samen met Nederland.”
Ja, Amsterdam speelt vaak een grote rol in queergeschiedenisboeken, maar een specifiek boek over Amsterdam was er nog niet, schrijft Monique Doppert in Amsterdam, de roze geschiedenis (let op het woordje ‘de’), uit 2023, dat onlangs is geüpdatet. Ietwat encyclopedisch, maar toch goed leesbaar. Doppert begint elk hoofdstuk met fijne, beknopte sociaal-maatschappelijke context, om vervolgens in sneltreinvaart de ontwikkeling van het gaynachtleven of protesten te beschrijven. De kaders zijn leuke zijpaden, zoals dat over Frederik(a) Jeltsma (1879-1971), die in hedendaagse termen waarschijnlijk intersekse genoemd zou worden en zijn geboorteakte liet wijzigen, of over ‘lesbische’ kledingstijlen.
De trans gemeenschap komt er dan weer bekaaid vanaf, met niet eens een paragraaf over de genderpoli aan het VUmc. De groep „verdient meer historisch onderzoek”, vindt Doppert ook, door anderen dus. Anders dan Huisman is Doppert spaarzaam met bronvermelding, terwijl je je toch afvraagt hoe je kunt weten hoe een huwelijk in de 17de eeuw verliep.
De continue strijd om het queergeheugen heeft er overigens niet toe geleid dat dat geheugen ook in de officiële Canon van Nederland is geland, constateert Marijke Huisman droogjes in Queer geschiedenis van Nederland. „Gebrek aan informatie kan niet de reden zijn, zoals dit boek aantoont.” Geschiedschrijvers moeten de queergemeenschap, en de diversiteit ervan, ook wíllen zien, bewijzen de hier besproken boeken. Huisman: „Tijdens het werken aan dit boek vroeg ik me wel eens af hoe vaak historische mensen, organisaties of ontwikkelingen ‘herontdekt’ kunnen worden.”
Mail de redactie
Ziet u een taalfout of een feitelijke onjuistheid?
U kunt ons met dit formulier daarover informeren, dat stellen wij zeer op prijs. Berichten over andere zaken dan taalfouten of feitelijke onjuistheden worden niet gelezen.