Het voelt goed, om te worden gezien als iemand met autoriteit
De maximale tijd die ik in een museum kan doorbrengen, ligt rond de veertig minuten. ‘Wow, ik blijf hier de hele dag’, denk ik nadat ik het Grand Palais ben binnengestapt. De tentoonstelling Cézanne et nous vertelt het verhaal van Paul Cézanne, die pas na zijn dood beroemd werd en bemind raakte bij het grote publiek. Tijdens zijn leven werd Cézanne eigenlijk alleen maar bewonderd door andere schilders; hij was een zogenoemde ‘painter’s painter’.
Dat leer ik allemaal terwijl ik langs de informatiebordjes en schilderijen struin en me een weg baan door de mensen die doen alsof ze alleen zijn in dit museum – ze bekijken de kunstwerken niet, maar verzamelen die op hun telefoon.
Paul Gauguin, Pablo Picasso, Joan Mitchell, Bridget Riley, Georges Braque, Piet Mondriaan (steevast geschreven als Mondrian); allemaal werden ze geïnspireerd door Cézanne en allemaal hangen ze hier. Betoverend te zijn, duizelingwekkend te zijn. Ze voeden de zintuigen, vullen de ziel, totdat die overloopt. Dat is dus ongeveer na veertig minuten, toevallig ook op het moment dat ik langs een werk van Brice Marden loop, een groot doek met drie vlakken in de kleuren grijsblauw, donkerblauw en nog donkerder blauw. En dat is het dan, zeg maar.
Er lijkt geen einde te komen aan de tentoonstelling, maar op een gegeven moment stuit ik toch op het bordje ‘Sortie définitive’. Mijn vrouw dwaalt nog ergens rond en ik ga voor de uitgang staan, mijn ogen gericht op de zaal, turend of ik haar al ergens zie. Mijn handen houd ik gevouwen op mijn onderrug; ik draag een zwarte broek en een zwart shirt met lange mouwen. En ik kijk niet vrolijk omdat ik nooit vrolijk kijk. Zo kan het gebeuren dat er na een paar minuten een vrouwtje voor me komt staan. Ze is wat ouder, grijs, met een frêle postuur. Uit haar zak haalt ze een kaartje en ze zwaait ermee voor mijn neus. ‘Sorry’, vraagt ze in het Engels, ‘kan ik hier straks weer mee naar binnen?’
Het is een toegangskaartje voor het museum. Weet ik veel, misschien kun je het vragen aan iemand die hier werkt. Maar dat is het dus: de mevrouw denkt dat ik hier werk. Helaas heb ik niet de tegenwoordigheid van geest om die rol te pakken, het kaartje te inspecteren en plechtig mijn hoofd te schudden. ‘I don’t know’, zeg ik, ‘I don’t work here.’ Het voelt goed, om te worden gezien als iemand met autoriteit; dat mijn ‘resting-Frank-de-Boer-face’ eindelijk een keer van pas komt. Aan het eind van de eindeloze tentoonstelling midden in Parijs overvalt een existentiële geruststelling me. Als dit allemaal mislukt, word ik gewoon Cézannes bodyguard.