Home   2026-10-22 19:56:51

←

Vanavond zal het over een geheel andere paal gaan, namelijk een pseudo-facistische paal die nooit echt groot is geworden

Original article

Ik hou een lezing, komt allen.

Zo, ik heb mijn plicht gedaan. Wie wil komen, kan nu zelf uitvogelen waar en wanneer het grote gebeuren plaats gaat vinden. Persoonlijk zou ik wegblijven. Het wordt een flinke, on-interactieve zit. Bovendien valt de lezing op een woensdagavond (welke zeg ik niet), er is gegarandeerd Europees voetbal op de pit.

‘De pit?’

‘De pit, ja.’ Ik heb ooit eens in een compleet verwaarloosde keuken een Utrechtse corpsbal horen brullen: ‘Fuckers, kom snel, Achteruitrijden is op de pit!’ In extase wees hij vanaf een mottige driezitter naar een televisie. Er volgde een stampede in het trappenhuis.

Sindsdien heb ik nooit meer iemand het woord pit horen gebruiken voor een kennelijke televisie. Toch heb ik het onthouden. Hoe werkt het geheugen?

Ik pijnig ondertussen datzelfde geheugen... wat bracht mij in die ballenkeuken... Eens even nadenken... deadline is pas over een paar uur... even liggen op de bank... Zzzzzzz.

Huh, waar ben ik?? Is het al zo laat! Hebben ze al gebeld, etc., etc.

Grapje, ik weet het gewoon nog, ik moest iets ophalen bij een studiegenote, we deden hetzelfde werkcollege over literaire tijdschriften in het interbellum. Dat meisje was lid van het corps, op een archetypische, hese manier. Zo was mij opgevallen dat ze ongehoord, bijna pathologisch veel van de schrijver Brakman hield. ‘Ik ben Brakman’, riep ze voorafgaand aan de colleges omgedraaid in haar bankje, ‘ik ben Brakman’.

Jaja, en ik ben Hella Haasse. Rustig maar.

Misschien omdat ze ondertussen ook wel iets had, vonden we het allemaal wel grappig dat juist zij, zijnde een hees corpsmeisje, haar presentatie hield over De Paal. (Dat bleek een aartsconservatief literair blaadje in de jaren dertig te zijn, de redacteuren zijn later NSB’er geworden.) Op haar kenmerkende hese toon verkondigde ze dat ze dat ‘De Paal nooit echt groot was geworden’, zulke dingen. We hebben daar toen niet bevrijdend om zitten lachen, maar slechts getranspireerd.

Misschien moet ik mijn lezing maar over De Paal houden. ‘Dames en heren, welkom. Ik ga het niet hebben over de paal bij Feyenoord - Real Madrid, hoewel die best al eens geraakt kan zijn, het staat nog altijd 0-0 in de Kuip. Nee, vanavond zal het over een geheel andere paal gaan, namelijk een pseudo-facistische paal die nooit echt groot is geworden’, etc., etc.

Mijn vriendin Jet wil weten waarom ik geen familie en vrienden uitnodig voor mijn lezing.

‘Voor een lezing over De Paal?’ Ik leg haar uit dat ik het heel onnatuurlijk vind, mensen uitnodigen voor een lezing waarvan nog geen letter op papier staat. Een lezing geven over De Paal is iets heel anders dan een verjaardag, bijvoorbeeld. ‘Jarig worden lukt altijd wel, snappie?’

Ze werpt tegen dat die lezing ook gaat lukken, anders is er namelijk op de avond van de lezing geen lezing, en dat is, lijkt haar, nog nooit voorgekomen. Ik zou dan de eerste in de geschiedenis van –

‘Stop maar’, zeg ik. De verjaardag als contrasterend vergelijkingsmateriaal werkt niet, helder. Daarom maar een is-gelijk-aan-vergelijking. Wie weet.

‘Ik vind familie en vrienden uitnodigen voor een lezing over De Paal waaraan ik nog moet beginnen’, zeg ik verhit, ‘en waarvan nog maar moet blijken of ik hem zonder stotteren en oogtranen over mijn strot zal brengen, terwijl thuis nota bene Feyenoord op de pit is, even onnatuurlijk als vrienden en familie uitnodigen voor je… rijexamen.’

Kijk. Die had ze niet zien aankomen.

‘Zie jij jezelf al afrijden’, zeg ik, ‘met je hele familie op de achterbank? En met aan de trekhaak een aanhangwagen waarin je vrienden zitten?’