Ik ben altijd m’n eigen zweep geweest. En zelfs nu strijd ik tegen mezelf
‘Listen, are you breathing just a little, and calling it a life?’ Met die dichtregel van Mary Oliver begon het, drie weken geleden. Ik dacht aan die woorden, begon met huilen en kon niet meer stoppen. Ik krijg geen lucht, snikte ik. Ik ben op. Ik kan niet meer.
Eigenlijk begon het natuurlijk eerder. Een jaar geleden misschien, toen m’n twee gehandicapte en autistische kinderen vlak na elkaar thuis kwamen te zitten van school. Of nog eerder, toen ik begon aan een voortdurend gevecht voor hun recht op onderwijs en goede zorg. Of daarvoor nog, toen ik steeds meer van hun ondersteuning alleen moest doen. Ergens in die tijd ben ik veranderd van iemand die zingt onder de douche en naar buiten rent voor een mooie zonsondergang naar iemand die altijd aan staat, altijd bezorgd, altijd alert, altijd gestrest. Tot die ene dag.
Burn-out, zei de huisarts, en schreef wat namen op van mogelijk behulpzame psychologen met een hopelijk iets minder lange wachtlijst dan hun collega’s. Want zo gaat dat: ‘U bent ingestort? Blijf aan de lijn. Er zijn nog 23 wachtenden voor u.’ Wat volgt, is een vreemde tussentijd, waarin je officieel in een gat in de grond zit, maar de ladder nog niet leverbaar is.
In dat gat had ik alle tijd om mezelf verwijten te maken over alles wat niet meer lukte: dingen onthouden, prioriteiten stellen, maskeren, prikkels verdragen, een telefoongesprek voeren (brein: Nope! Aah! Tranen! Paniek! Woorden ineens op!). Doe niet zo slap, zei ik tegen mezelf. Stel je niet aan.
Filosoof Byung-Chul Han schrijft in De vermoeide samenleving dat er in onze maatschappij zoveel nadruk ligt op presteren en goed functioneren, dat we onszelf zijn gaan uitbuiten, ‘en nog vrijwillig ook, zonder dwang van buiten’. Vervolgens raken we depressief of opgebrand als de grenzen van die zelfuitbuiting bereikt worden. Han (iets ingekort): ‘Depressie komt tevoorschijn als het prestatiesubject niet meer kan kunnen. Dit niet-meer-kunnen leidt tot destructieve zelfverwijten en auto-agressie. Het prestatiesubject is in oorlog met zichzelf. Depressie weerspiegelt een mensheid die oorlog voert tegen zichzelf.’
Het zijn confronterende woorden, want het is waar: ik ben altijd m’n eigen zweep geweest. En zelfs nu strijd ik tegen mezelf, tegen die burn-out, alsof het een tijdelijke zwakte is, om zo snel mogelijk te fiksen, zodat ik weer normaal kan functioneren. Tevergeefs, overigens: ik blijf verliezen.
Ik probeer iets anders: vrede sluiten met mijn eigen onvermogen. Ik vraag me af of mijn burn-out me iets probeert te vertellen. Of het misschien een soort noodrem van de ziel is, die je dwingt te stoppen en te ontdekken waarom je niet kunt ademhalen.
Enige introspectie verder blijk ik me, naast uitgeput, vooral naakt te voelen. Alsof allerlei laagjes vernis die ik op mezelf heb geschilderd om een beetje fatsoenlijk te kunnen bestaan in de wereld er zomaar zijn afgevallen, als een soort superafbladdering van het zelf. Alsof er over mijn knusse binnenste – een zacht diertje dat gedijt op liefde, verwondering en creativiteit – een extra persoon is komen te liggen, als een korstje.
Iemand die competent is, stevig, doelmatig. Iemand die kan vergaderen over haar kinderen in de taal van deskundigen: passend onderwijs, belastbaarheid, succeservaringen. Iemand die doorgaat als er weer eens geen hulp komt. Iemand die kan bestaan in een wereld waarin je in de moeilijkste tijden van je leven niet een beetje gedragen wordt, maar steeds de strijd aan moet met stugge regels en beperkte budgetten en een zorgsysteem dat de antwoorden ook niet heeft.
Filosofen Lisa IJzerman en Annemie Halsema opperen in een paper dat een burn-out niet zozeer een psychologisch probleem is van een individu, veroorzaakt door iets externs, maar eerder een vorm van vervreemding – een existentiële instorting van iemands bestaan in de wereld. ‘De normale manier van in de wereld zijn is stuk.’
Dat is precies hoe het voelt. Maar wat nu? Het gebaande pad is dat ik in therapie ga sleutelen aan mezelf. Maar wat als een burn-out een vrij normale reactie is op een wereld waarin we niet bestaan om voor elkaar te zorgen, maar vooral om te presteren? Wat nou als de juiste vraag niet is: hoe kom ik snel van mijn burn-out af? Maar: welk deel van mijn leven laat ik in vlammen opgaan?
Er zijn zoveel mensen die opbranden. Wat als die burn-outs niet het probleem zijn, maar dit: dat we als samenleving hebben nagelaten om de dingen die de zachte diertjes in ons schaden bijtijds in de fik te zetten?
Lees ook
Geselecteerd door de redactie
- boekrecensiefictie
Vrouw verlaat de ratrace en trekt zich terug in een huisje aan zee: waarom zijn dit soort verhalen zo’n hype?
- OpinieRené Cuperus
Het slechte maatschappelijke humeur tast onze levenslust aan
- Opinie
Opinie: Waarom bestaat er geen zorglabel voor werkgevers?
- Woord van de week
Als je altijd van die non-descripte ‘uitstelstapels’ om je heen vormt, heb je volgens Instagram ADHD