Home   2026-10-22 19:56:51

←

Een nutsvoorziening als het spoorvervoer is niet gebaat bij jaarlijkse commotie over de prijzen

Original article

De reeks Kamervragen die Tweede Kamerlid Hidde Heutink (Groep Markuszower) deze week stelde over de aangekondigde prijsverhoging van de treinkaartjes door de Nederlandse Spoorwegen, liet zich in hoge mate voorspellen. De beste vraag was dan ook deze: ‘Deelt u de constatering dat de Kamer inmiddels vrijwel ieder jaar dezelfde vragen kan stellen over nieuwe prijsverhogingen?’

Het is winst dat dit patroon ook in de Tweede Kamer, waar het politieke geheugen steeds korter wordt, nu toch begint op te vallen. Het debat over de toekomstbestendigheid van de NS dreigt te verzanden in een eindeloze herhaling van zetten.

Dat gaat zo, op bijna jaarlijkse basis: de NS maakt de balans op, komt tot de conclusie dat er financiële tekorten dreigen en ziet maar één manier om die te voorkomen, namelijk met een forse verhoging van de tarieven. Treinen uit de dienstregeling halen of conducteurs en machinisten ontslaan is namelijk geen optie, dat zou de politiek niet accepteren.

Dat is overigens geen trend van de laatste jaren. Dertig jaar geleden al – de NS waren pas net een zelfstandig bedrijf geworden – ontstond voor het eerst grote politieke commotie over een aangekondigde forse prijsverhoging. Dienstdoend minister Annemarie Jorritsma toonde zich niet onder de indruk en wees erop dat de Kamer er met een ruime meerderheid voor had gekozen van de NS een commercieel bedrijf te maken dat, binnen bepaalde marges, zelf zijn prijzen mocht vaststellen. Zij wees daarbij op het voordeel voor de overheid: de rijksbijdrage aan de NS was gedaald met omgerekend ruim 200 miljoen euro.

Intussen diende zich wel een andere trend aan: een vrijwel constante verhoging van de prijzen, waardoor met de trein reizen relatief steeds duurder is geworden. In de eerste negen jaren van deze eeuw steeg het gemiddelde kaartje al 37 procent in prijs (tegenover een inflatie van 24 procent in dezelfde periode), in de negen jaar daarna kwam er nog eens 25 procent bij (tegenover een inflatie van 15 procent). Als de nieuwste verhoging doorgaat, zijn de kaartjes volgend jaar alweer 17 procent duurder dan in 2024 – opnieuw fors hoger dan de inflatie. In de Tweede Kamer zullen ongetwijfeld stemmen opgaan om dat te voorkomen door middel van een verhoging van de rijksbijdrage aan de NS, maar gezien het chronische geldtekort van het minderheidskabinet is de kans daarop niet erg groot.

Bovendien zou ook dat weer neerkomen op een oppervlakkige politieke herhalingsoefening. Als Kamer en kabinet werkelijk menen, zoals ze zeggen, dat het openbaar vervoer een voorziening van algemeen nut is die voor iedereen toegankelijk behoort te zijn, is het de hoogste tijd voor een heel ander debat. Volgens die redenering zou het immers de overheid zelf moeten zijn die beslist wat een treinreis mag kosten, welke dienstverlening daarbij hoort, hoe zich dat verhoudt tot andere vormen van vervoer en hoeveel de belastingbetaler daaraan bijdraagt.

En dan niet zo hapsnap en paniekerig als nu steeds gebeurt, maar op rustige, regelmatige basis en met het laatste woord waar het hoort bij een nutsvoorziening: bij de volksvertegenwoordiging.