Home   2026-10-22 19:56:51

←

Voor mbo’ers hebben kansen wél grenzen

Original article

Op 21 september publiceerde het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) cijfers over hbo’ers en wo’ers die tijdens hun studie in het buitenland stage liepen of studeerden. Het bericht kreeg weinig aandacht. Maar het is nog altijd meer aandacht dan het mbo kreeg. In het onderzoek komt deze groep namelijk helemaal niet voor.

Eerst over de hbo- en wo’ers: die weten de weg buiten de landsgrenzen te vinden. 24 procent van de afgestudeerden in het schooljaar ’24/’25 volgde een deel van zijn studie in het buitenland. Daarmee is het percentage na een dip in coronatijd weer bijna op het niveau van het topjaar ’18/’19.

Cijfers over het mbo zijn minder actueel. Nuffic, de Nederlandse organisatie voor internationalisering in onderwijs, publiceerde in 2024 het laatste onderzoek over studentenmobiliteit in het mbo: in 2017 deed 8 procent van de mbo’ers internationale ervaring op. Dat daalde naar 4 procent in 2021. Het is gissen naar de huidige percentages.

Waarom is het verschil zo groot, terwijl meer dan de helft van de mbo’ers geïnteresseerd is in een buitenlandervaring, de overheid wil dat meer mbo’ers ervaring opdoen in het buitenland en mbo-scholen buitenlandstages aanprijzen? Hoe is dit verschil te verklaren, terwijl Europarlementariër Brigitte van den Berg (D66) zegt dat ‘internationalisering de sleutel is naar waardering en emancipatie van het mbo’?

Mede gedreven door de frustratie na weer een bijna-ruzie met mijn 18-jarige zoon, die met mijn hulp druk bezig is een stage in Zweden te regelen, ging ik op onderzoek uit.

Allereerst valt op dat de regeldruk hetzelfde is. Een stageplek regelen, huisvesting vinden, de reis plannen en verzekeringen afsluiten: dat is voor iedereen hetzelfde. Dat geldt niet voor de leeftijd waarop je dit moet regelen. Doordat veel mbo-studies tegenwoordig drie jaar duren, zijn veel studenten 18 of 19 jaar als ze aan hun laatste jaar beginnen, tegenover minimaal 21 jaar in het hbo en aan de universiteit.

Met het benutten van de financiële mogelijkheden is iets soortgelijks aan de hand. Studenten die binnen Europa blijven, kunnen een Erasmus+ beurs aanvragen en via de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) een uitwonende beurs en ov-vergoeding krijgen. Dat vraagt veel regelwerk. En hierbij wordt opnieuw geen onderscheid gemaakt tussen leeftijd of opleidingsniveau.

Tijdens mijn zoektocht naar andere mogelijkheden voor financiële steun stuitte ik op een opvallend verschil. Op de website wilweg.nl staat een overzicht met beschikbare beurzen per opleidingsniveau. Voor studenten aan de universiteit zijn er 131 beurzen beschikbaar, voor hbo’ers 103 en voor het mbo slechts 10.

Tot slot hebben hogescholen en universiteiten lesperiodes ingeruimd die speciaal geschikt zijn om een stage of minor in het buitenland te volgen. Mijn zoon gaat tien weken op stage, maar terwijl hij in Lapland door de sneeuw ploegt, gaan de lessen en opdrachten in Nederland gewoon door. Van hem wordt verwacht dat hij op afstand aangehaakt blijft.

Jonger, dezelfde regeldruk, minder beurzen en meer organisatorische uitdagingen. Geen wonder dat er minder mbo’ers naar het buitenland gaan. En zelfs binnen het mbo zijn de kansen ongelijk verdeeld. In het studiejaar ’22/’23 volgde 84,8 procent van de studenten die naar het buitenland gingen een studie op niveau 4. Slechts 1,8 procent volgde een opleiding op niveau 2 en 0,8 procent op niveau 1.

Ik concludeer dat er nog steeds geen sprake is van gelijkwaardige kansen bij het opdoen van buitenlandervaring, waartoe toenmalig onderwijsminister Robbert Dijkgraaf in 2022 opriep.

Overigens is het niet zo dat mbo-scholen niet willen. Uit een onderzoek van Nuffic blijkt dat ongeveer de helft van de scholen moeite heeft met het implementeren van internationalisering. Ze ervaren onder andere belemmeringen in regelgeving, financiële middelen en capaciteit.

Dus als de overheid het echt belangrijk vindt dat meer mbo-studenten naar het buitenland gaan, moet zij investeren in ondersteuning op mbo-scholen. Want de realiteit is dat mijn zoon, een niveau 4-student, mij regelmatig om hulp vraagt. Hoewel zijn school ook ondersteuning biedt via een lesprogramma, is het volgens zijn docent zonder hulp van een volwassene ‘erg moeilijk om het helemaal zelfstandig te regelen’.

Voeg aan die extra ondersteuning meer financiële mogelijkheden en ruimte in het onderwijsprogramma toe. Dan vervagen grenzen en ontstaan er kansen. Voor iedereen.