Home   2026-10-22 19:56:51

←

Jan Calsbeek (100): ‘Ik vind het een rottijd. Er zijn steeds meer mannen die de baas willen spelen’

Original article

Jan Calsbeek is een Fries in hart en nieren. Sinds kort is hij ‘oeroerpake’, zegt hij trots – overovergrootvader in het Fries. De snikhete zomer heeft de 100-jarige een flinke klap gegeven, waardoor hij aan energie heeft ingeboet. Dat neemt niet weg dat hij nog dagelijks in zijn weelderige tuin werkt. ‘Maar nu doe ik alles zittend.’

Verbaast het u dat u zo oud bent geworden?

‘Een paar jaar geleden kwam ik ineens tot de ontdekking dat ik weleens de 100 zou kunnen gaan halen. Dat het zover is gekomen, heb ik geheel te danken aan de familie van mijn moeder. Zij had twee broers die 101 en 102 zijn geworden. De dochter van een van hen werd 103. De zus van mijn moeder is 99 geworden. Zij had een dochter en een zoon die respectievelijk 103 en 106 zijn geworden. Die zoon was 104 toen hij nog maaltijden rondbracht voor bejaarden, in zijn auto. En daarmee houdt het verhaal op.’

Wat mist u het meest van wat u niet meer kunt?

‘Lopen. Ik wandelde graag dagelijks een rondje door Akkrum, langs het vaartje. Sinds de hitte deze zomer ben ik achteruitgegaan. Mijn energie is minder geworden. Tuinieren is daardoor ook lastiger geworden; ik kan niet meer staand mijn rozen en andere hoge struiken snoeien. Dat vraag ik nu aan mijn kleinzoons. Ik snoei nog alleen wat zittend kan. Onkruid wieden in de bloemperken en de voegen tussen de tegels schoonhouden gaan zo ook nog. Van mijn druivenoogst deze zomer heb ik twintig potten jam gemaakt.’

Houdt u het nieuws nog een beetje bij?

‘Ja, ik lees elke dag de Leeuwarder Courant. Ik lees graag over iedereen die op Trump scheldt.’

Hoe beleeft u de huidige tijd?

‘Ik vind het een rottijd. Er zijn steeds meer mannen die de baas willen spelen. Poetin die oorlogen begint en dreigt met erger. Trump die hetzelfde doet, maar beweert dat hij in zijn recht staat. Ik zie weinig bewegingen die tot consensus leiden. Het is moeilijk om aan te zien dat er zoveel kapot wordt gemaakt.’

Wat weet u van uw voorouders?

‘De Calsbeken komen van oorsprong uit Calsbach in Duitsland. Rond 1500 is een Von Calsbach als onderwijzer naar Nijmegen gegaan. Van 1600 tot 1820 waren ze schoolhoofd.’

In wat voor gezin bent u opgegroeid?

‘Mijn moeder is de dochter van een redelijk ontwikkelde boer uit een dorp vlak bij Leeuwarden. Ze hoefde niet als dienstmeisje te werken, wat in die tijd veel voorkwam. Ze werd winkelmeisje bij Excelsior, een socialistische coöperatieve winkel in Leeuwarden, die mijn beide grootvaders hadden opgericht. Zo heeft ze waarschijnlijk mijn vader leren kennen.

‘Mijn vader stemde zijn hele leven op de socialisten en was geheelonthouder, dat ben ik ook nog. Hij was tuinder en verbouwde allerlei soorten kool, sla, snijbonen, sperziebonen, tomaten, bessen en druiven. We hadden ook een boomgaard met appels en peren. Mijn oudere broers gingen meteen na de lagere school aan het werk op de tuinderij, ik hoefde niet. ‘Jij moet doorleren’, zeiden ze over mij. Als voorbereiding op de hbs kreeg ik van de hoofdmeester van de lagere school na schooltijd Frans, dat was de taal van Europa.

Jan Calsbeek in 1934 aan het spelen met zijn hond Asta, samen met een vriendinnetje, Tjitske, aan het zwemmen en met een vriendje aan het kamperen.Bron Linelle Deunk

‘Ik was een nakomertje in ons gezin met vier kinderen. Mijn oudste broer vertelde mij ooit dat ik voortkwam uit de nacht die mijn ouders in een hotel hadden doorgebracht. Ze hadden de zus van mijn moeder, die in Amerika woonde, na een bezoek vanuit Friesland naar de haven van Rotterdam gebracht, waar ze op de boot stapte. Na haar te hebben uitgezwaaid, namen ze in de buurt een hotel – buitensporig voor die tijd. ‘Daar ben jij de dupe van geworden’, grapte mijn broer.

‘Ik was een jaar of 2 toen mijn moeder een periode ziekelijk was. De oudste zus van mijn vader woonde op een aanliggend perceel van onze tuinderij. In de ochtend werd ik over het slootje getild en in de namiddag weer naar huis gebracht. Bij tante Aaf en oom Jan had ik een eigen kamer met een kast vol speelgoed. Zondags gingen we vaak varen in hun motorbootje. Ze waren kinderloos. Mijn oom was veehandelaar en zei tegen mijn ouders dat hij mij wel wilde hebben, in ruil voor een vette koe. Dat was dus mijn waarde, een koe! Mijn moeder wilde het niet. Zodra ze was opgeknapt, bleef ik weer thuis, en kwam tante Aaf vaak naar ons toe. Ze bemoeide zich met het huishouden, wat niet werd geaccepteerd.

‘Oom Jan en tante Aaf hadden het goed. Toen ze 25 jaar getrouwd waren, trakteerden ze alle zeventig kinderen van de lagere school op een gebakje. Meer dan de helft had nog nooit een gebakje gehad. Toen ik veel later trouwplannen had, ben ik naar oom Jan gegaan. Mijn verloofde en ik wilden een woonark kopen die opgeknapt moest worden. Akke had een behoorlijke spaarpot, maar we kwamen nog 2.000 gulden tekort. Ik vroeg oom Jan om een lening. Hij stak zijn hand in zijn broekzak, haalde er een pak biljetten uit en legde vier briefjes van 500 voor mij neer. Ik schrok me rot.

‘De dag na ons huwelijk kreeg Akke een brief: ze was per direct ontslagen als informatrice bij de Nederlandse Spoorwegen. Ze kreeg een bedrag mee. Daarvan konden we mooi de lening aan oom Jan terugbetalen. ‘Dat hoeft niet’, zei hij. Ik stond erop. ‘Dan zet ik die 2.000 gulden wel voor je in mijn testament.’ Zodra hij was overleden, kreeg ik inderdaad precies dat bedrag.’

Hoe bouwde u een leven op in de naoorlogse jaren van woningnood en schaarste?

‘Eerst maakte ik mijn hts-opleiding af. Na mijn stage bij de gemeente Marum, waar ik een stratenplan moest maken, werd ik opgeroepen voor militaire dienst. Ik werd gestationeerd in de kazerne in Utrecht, waar ik een officiersopleiding zou krijgen.

‘Een selectie-officier nodigde alle dienstplichtigen uit voor een gesprek van 20 minuten. Het onderhoud met mij duurde wel 2,5 uur. Die officier zei rare dingen die we moesten gaan doen in Nederlands-Indië; dat we de Indonesiërs mores moesten leren. ‘Dat strookt niet met ons geweten’, bracht ik er tegenin. ‘We hebben zelf net vijf jaar Duitse bezetting achter de rug. Dat vonden wij niet prettig. De Indonesiërs moeten al een paar honderd jaar een groepje Nederlandse kooplieden aanvaarden als leiding. Ze weten echt wel wat ze doen nu ze eindelijk onafhankelijk willen worden. Een kennis van mij is er doodgeschoten. We hebben daar niks meer te zoeken.’

‘Dat zag ik helemaal verkeerd, zei de officier. Ik verweet hem dat hij geen goede kijk op de geschiedenis had. Het was inmiddels zes uur ’s avonds, hij stelde voor na het eten verder te praten. Bij de hervatting van het gesprek zei hij meteen: ‘Je bent ongeschikt voor het leger. Je bent een crypto-communist, je hoort hier niet.’ Ik werd staande het gesprek gedegradeerd tot soldaat bij de gewone troepen. Ik vond het best. Achteraf bleek dat het schip met soldaten dat net naar Nederlands-Indië was vertrokken, de laatste zou zijn. Nederland had het opgegeven.

‘Tijdens mijn dienstplicht moest ik oefenen met bruggen bouwen. Het sjouwwerk was op een bepaald moment zo zwaar, dat Jan onderuit ging. Ik was uitgeput en werd opgenomen in een hospitaal in Amersfoort. De verpleegkundigen verwonderden zich erover dat mijn verloofde mij drie keer per week kwam opzoeken, met de trein uit Leeuwarden. ‘Dat kost haar kapitalen!’, zeiden ze. ‘Nee hoor’, zei ik. ‘Ze werkt bij de NS en kan een hele dag reizen voor 1 kwartje.’

Met het door hem geschilderde schilderij van de Trigreppel in Akkrum, waar hij met zijn vrouw woonde; op de voorgrond hun trouwfoto.Bron Linelle Deunk

‘Aan het einde van mijn dienstplicht maakte ik mij zorgen of ik erna een baan zou kunnen vinden. Er kwamen duizenden soldaten terug uit Nederlands-Indië. Ik schreef een brief aan een kennis die naar Nieuw-Zeeland was geëmigreerd. Hij raadde het mij af die kant op te komen. Gelukkig kon ik aan de slag in de gemeente Marum. Ik heb mijn leven lang gewerkt op de afdeling ruimtelijke ordening in gemeenten en bij de provincie, het langst was ik directeur gemeentewerken van Akkrum. Het meest trots ben ik op het behoud van de Trigreppel, een vaart die door Akkrum loopt en die de gemeente wilde dempen. Het lukte mij de burgemeester ervan te overtuigen dat niet te doen.’

Veel mannen van uw generatie werkten en studeerden zich een slag in de rondte. Had u tijd voor een leven naast het werk?

‘Oja. Met Akke speelde ik korfbal. Ook waren we actief in het Friese theaterwereldje. Net als mijn vader, jureerden we bij toneelwedstrijden en zaten we in de organisatie ervan. Ik schreef en vertaalde stukken in het Fries, zoals werk van Agatha Christie. Ook speelde ik. Dat pakte ik weer op nadat mijn vrouw in 2012 werd opgenomen in een verzorgingshuis. Met een vriendin van ons ben ik gaan optreden voor de bejaarden in het huis. Akke had alzheimer. Ik heb haar zeven jaar lang verzorgd, totdat het niet meer ging, ik was uitgeput.

‘Als ik nu ’s avonds ga slapen, zeg ik tegen de lege kant naast mij in bed: ‘Welterusten, Akke.’

Bent u de persoon voor een wijze levensles?

‘Nee. Laat het leven maar over je heenkomen. Je kunt er toch niks aan veranderen.’