Links blijkt eindelijk in staat om antwoorden te formuleren op de vertrouwenscrisis
De tijd dat het verlangen naar radicale verandering vooral werd benut door rechts-populistische krachten – iets wat goed werkte bij verkiezingen, maar in de praktijk niets opleverde – is voorbij. In Parijs doen jonge mensen dezer dagen een poging om in opstand te komen tegen wat hun toekomst bedreigt: economische ongelijkheid, de klimaatcatastrofe en de ontmenselijking door AI. Berlijn krijgt hoogstwaarschijnlijk voor het eerst een zeer links bestuur, na een campagne gericht op de stijgende huurprijzen. Links blijkt eindelijk in staat om antwoorden te formuleren op de vertrouwenscrisis die de afgelopen decennia is ontstaan in de democratische politiek.
In het internationale progressieve circuit maken twee in de Verenigde Staten werkzame denkers op dit moment furore: de econoom Isabella Weber en theoreticus Catherine Liu. Weber is een van de prominentste economische stemmen op links; Liu heeft de aanval geopend op de culturele elite waartoe zij zelf behoort. Beiden schrijven versies van het linkse verhaal dat in de Verenigde Staten en Europa steeds luider klinkt: een hernieuwde focus op betaalbaarheid en economische rechtvaardigheid.
Weber wijst op een paradox: terwijl we blijven horen dat de democratie de beste regeringsvorm is, wordt tegelijk verteld dat diezelfde staat weinig kan doen om de materiële belangen van de meerderheid te waarborgen. Zelfs niet als het om basisbehoeften gaat. Deze tegenstrijdigheid creëert een gevoel van machteloosheid. Ze grijpt terug naar de naoorlogse periode, toen de staatsvoorziening van basisbehoeften een essentieel onderdeel van de economische orde vormde.
Weber pleit voor een terugkeer van politiek beleid dat de betaalbaarheid van een waardig leven prioriteert, en noemt dit antifascistische economie. Dergelijk beleid is volgens haar antifascistisch, omdat de opkomst van extreemrechtse partijen ook (maar, zo stellen haar critici, niet uitsluitend) een reactie is op economische onzekerheid.
Liu betoogt dat de culturele elite in de afgelopen decennia geobsedeerd is geraakt met trauma, authenticiteit en prestige, maar de meest wijdverbreide vorm van geweld gemakshalve negeert: economisch geweld. Door armoede en bestaansonzekerheid te reduceren tot persoonlijke trauma’s die overwonnen moeten worden door middel van zelfhulp en therapie, worden de psychologische wonden van uitbuiting getransformeerd in winstgevende en gecommercialiseerde verhalen, terwijl het kapitalisme vrijuit gaat.
Volgens Liu staat deze ‘traumacultuur’ een materiële analyse in de weg. Ze wijst onder meer op feministen die in de jaren tachtig steeds meer focusten op geweld tegen vrouwen, zonder daarbij werkelijk te onderzoeken hoe hun levens ook door economische verhoudingen werden vormgegeven.
Het argument van Liu is geenszins nieuw: destijds klonk ook in Nederland onder radicale feministen felle kritiek op de zogenoemde ‘therapeutisering’ van de vrouwenbeweging. Waarin ze gelijk heeft, is dat deze beweging zich heeft doorgezet. ‘Toen feministen uit de hogere klasse de werkplek herontdekten als een plek van misbruik’, schrijft Liu, ‘waren het de filmstudio’s en de ‘casting couch’ die hun aandacht trokken.’ Niet de fabriek of de fastfoodketen. Volgens Liu heeft links klassenpolitiek laten varen ten gunste van ‘gevoelens’.
De aantijging dat links de afgelopen decennia klassenpolitiek heeft verwaarloosd, werd onlangs eveneens bediscussieerd door Sylvana Simons en Bob Scholte in een veelbesproken debat over intersectionaliteit versus klassenstrijd. Scholte, bekend van het communistische mediaplatform Left Laser, pleitte voor het hernieuwd centraal stellen van de klassenstrijd. Het opmerkelijke aan zijn standpunt: intersectionaliteit en klassenstrijd bijten elkaar niet. Dat economische ongelijkheid verschillende groepen anders treft, is een klassiek speerpunt van socialistische feministen: zij streden al vroeg tegen het door mannelijke socialisten toegejuichte gezinsloon.
Stukken minder verrassend aan de discussie was de kritiek achteraf. Het gesprek had wellicht beter aan de keukentafel gevoerd kunnen worden; het zou doodvermoeiend zijn om links te zijn. Links moraliseert op de eigen vierkante meter en vecht elkaar de tent uit terwijl rechts er met de buit vandoor gaat: het is een aantijging zo oud als De Internationale. Dat vele rozen bloeien lijkt eerder reden voor optimisme: het sociale vraagstuk is terug.
Lees ook
Geselecteerd door de redactie
- analyse
Na het geweld dit weekend in Frankrijk is het vingerwijzen begonnen: ‘Het is UW politieke verantwoordelijkheid’
- v-plusreportage
Jong en oud in Albanië de straat op om te protesteren tegen de regering van premier Edi Rama: ‘Dit is erger dan het communisme’
- v-plusReportage
Hoe vrijstaat Berlijn stukje bij beetje ten prooi valt aan het grootkapitaal
- Toen
Toen duizenden boze tieners in 1999 een slagveld maakten van de Haagse binnenstad