Home   2026-10-22 19:56:51

←

Met de historische zevende plek mag de turnploeg dromen van meer – maar niet al te lang

Original article

Ahoy is bekend terrein. Hier hebben Elijah Faverus, Casimir Schmidt, Amine Abaidi, Jermain Grünberg en Loran de Munck al zo vaak geturnd. Het is een vast decor voor de nationale kampioenschappen en ook dan zijn de tribunes behoorlijk goed gevuld. Maar dinsdagavond voelde het anders, toen ze achter twee grote rood-wit-blauwe panelen tevoorschijn kwamen en zich tussen de beste turners van de wereld begaven.

Tot hoog in de tweede ring zaten toeschouwers om de landenwedstrijd te bekijken. Om te zien hoe de Nederlandse turners elkaar aanmoedigden en zich in een wolk van fijn magnesiumpoeder afzetten op het sprongpaard, hun eerste toestel van de avond. Ze hoorden de ronkende stem van de spreekstalmeester die het enthousiasme bij het publiek extra oppookte. Want wie stonden er na de eerste ronde bovenaan? ‘Laat je horen voor TeamNL’, klonk het.

Toen de scorebordvreugde van de stadionspeaker geluwd was, plaatste zijn co-commentator onmiddellijk een kanttekening. ‘Ik zou maar snel een foto van deze tussenstand maken’, zei hij. Op sprong is het relatief makkelijk om hoge scores te halen. Deze stand was geflatteerd. En inderdaad, twee rotaties (en een val van Faverus op rekstok) later stond Nederland op de laatste plaats.

Haasje-over

Nederland speelde op de laatste twee posities haasje-over met het Colombiaanse team. En ook bovenin schoof het voortdurend heen en weer, terwijl de landenteams zich aan de verschillende onderdelen – sprong, brug, rekstok, vloer, voltige en ringen – waagden. Japan prolongeerde onder leiding van drievoudig olympisch kampioen Daiki Hashimoto de wereldtitel, met 251.928 punten, voor de Russische ploeg (250.329) en China (249.193). Nederland eindigde als zevende, een historisch resultaat.

De twee toeschouwers die halverwege de finale al de Rotterdamse motregen instapten, zagen die ontknoping niet. ‘We dachten dat er nog vrouwen kwamen’, luidde hun antwoord op de vraag van de suppoost waarom ze zo vroeg alweer vertrokken. Paarlen voor de zwijnen. Afgezien van de oertijd van de sport, toen de WK’s nog geen WK heetten, eindigden de Nederlandse turners nooit hoger.

Alleen in 2018 haalde de Nederlandse equipe al eens de WK-finale. Toen, in Doha, met Bart Deurloo, Frank Rijken, Bram Louwije en Epke Zonderland. Ook toen al erbij: Casimir Schmidt.

In Ahoy was de 30-jarige routinier de teamkapitein. ‘Vroeger had ik altijd een bijrol in het team. De highscores kwamen van mannen als Bart Deurloo, Epke Zonderland, Jeffrey Wammes en Yuri van Gelder. Ik was de stabiele factor’, vertelt hij. ‘Dat ben ik nu nog steeds, maar er wordt nu op mij gebouwd.’

De nestor van de Nederlandse ploeg, Casimir Schmidt, op de brug gelijk.Bron Getty

Hechte ploeg

Het vijftal is hecht, vertelt hij. Hechter dan de ploeg van 2018. Ze trekken voortdurend samen op, durven elkaar de waarheid te vertellen als het nodig is, steunen elkaar als het lastig wordt.

Een week voor het toernooi zat Dirk Van Meldert, de Belgische coach in Nederlandse dienst, in een zaaltje naast de wedstrijdhal met een parkeerkaartje in zijn handen. Op de achterkant van het kleine stukje karton stond gekrabbeld wat hij de Nederlandse sportjournalisten wilde vertellen in aanloop naar de WK. De ambitie, zo zei hij, was een plek bij de beste twaalf landen, als generale repetitie voor de WK van volgend jaar waar de top-12 zich verzekerd weet van olympische deelname in Los Angeles.

Ergens hoopte Van Meldert ook op een finaleplaats voor zijn mannenploeg, een plek bij de beste acht turnlanden van de wereld, al haalde het team dit jaar niet eens de top 8 bij de EK in Zagreb. Tot veler verbazing, ook die van de turners zelf, redden de Nederlanders het wel. En dat zonder de individuele klasse van iemand als Zonderland of Deurloo in de gelederen.

Om mee te kunnen tellen in de landenwedstrijd, die een grotere olympische delegatie kan opleveren, moeten de beste turners als allrounders worden getraind. De piekprestaties op de losse toestellen komen daardoor snel in het geding. Geen exceptionele scores die richting de vijftien punten kruipen zoals specialisten dat soms kunnen, maar op elk toestel een degelijk resultaat. Dat is de sleutel tot teamsucces.

Amine Abaidi tijdens zijn rekoefening.Bron Getty

Bizar hoog

Schmidt: ‘Het zou heel mooi zijn als we ook iemand in een toestelfinale hebben. Maar het niveau is internationaal zo bizar hoog en als je focus op het team ligt, dan is het echt moeilijk om nog daartussen te komen. Dat is een puzzeltje voor ons en voor de bondscoach voor volgend jaar.’

Uitzondering binnen het Nederlandse team van alleskunners is De Munck, die op zijn handen langs de verhoogde vloer liep om zijn spieren warm en zijn geest scherp te houden. Hij is echt een specialist. De finale van de landenwedstrijd bij de mannen was al een uur of twee onderweg toen zijn enige onderdeel, voltige, nog moest komen. Hij had één taak: daarop uitblinken, ten behoeve van het collectief. ‘Dat is nog best lastig, als je maar één toestel doet en niet van begin tot einde het wedstrijdgevoel hebt.’

Vanaf voltige, waar naast De Munck ook Faverus en Schmidt goed scoorden, kwam er extra energie in de ploeg. De turners werden iets uitgelatener, gevoed door het gebrul van het Nederlandse publiek in de hoek waar het paard stond en waar de ringen, het slotonderdeel voor de Nederlanders, bungelden.

Dit was een waarachtigere vreugde dan die om die eerste plaats in het tussenklassement. De mannen wisten het, het kundige publiek ook: de ploeg deed het keurig, lag op koers voor een historische uitslag. ‘En omdat we voelden dat het einde in zicht was’, gaf Faverus toe.

Zijn WK is nog niet klaar. Faverus plaatste zich, net als Jermain Grünberg, voor de individuele meerkampfinale op donderdagavond. Hij is pas 20, maar maakte vorig jaar al zijn WK-debuut. Een nieuweling is hij niet meer, vindt hij zelf. Maar op zijn top is hij allerminst. ‘Ik hoop door te kunnen groeien tot een van de besten. Dat is waar ik naar streef, waar ik elke dag voor train.’

Valkuil

Het doel van dit thuistoernooi was om de positie in de wereldtop af te tasten, om te voelen dat het volgend jaar mogelijk is om bij de beste twaalf landen te horen en olympische kwalificatie af te dwingen. Met de zevende plaats is dat meer dan bewezen, maar Schmidt is voorzichtig. ‘Het stomme is: dit zegt helemaal niks. We weten dat we het kunnen, maar laten we niet in dezelfde valkuil vallen als na 2018’, waarschuwt hij. Die valkuil was de WK in Stuttgart, de olympische kwalificatie voor Tokio. Nederland greep ernaast ‘toen het om de knikkers ging’.

Scherp blijven en de prestaties en het teamgevoel nog verder verfijnen. Dat is de opdracht voor komend jaar, benadrukt Schmidt. ‘We moeten kneiterhard werken, we moeten nog heel veel stappen maken om erbij te komen en we moeten op onze hoede zijn. Maar ik denk dat het wat er in 2019 gebeurde ons niet twee keer gaat overkomen.’