Nieuwe norm voor bouw van windmolens jaagt ontwikkelaars én omwonenden op de kast: ‘De overlast blijft’
Een lome stilte hangt over het zacht wuivende zomergrasland. Een zanglijster zingt zijn ochtendlied, in de verte klinkt het zachte gestamp van een landbouwmachine. Het vrije uitzicht aan de Lochemse Papenslagweg wordt slechts onderbroken door de ruim 100 meter hoge radio- en tv-toren van Markelo, enkele kilometers verderop.
Over dit schilderachtige plaatje is een schaduw gevallen. Er zijn plannen om hier drie windturbines te bouwen, waarvan het hoogste punt, afhankelijk van de gekozen versie, 225 tot 280 meter reikt, ruim twee keer zo hoog als de tv-toren verderop. De windreuzen moeten lokale groene energie gaan leveren die kan worden gebruikt door grootverbruikers in de nabijgelegen Gelderse plaats Lochem, zoals veevoederproducent ForFarmers en een melkfabriek van FrieslandCampina.
Meer groene energie is hier hard nodig, want de productie blijft achter bij die in andere regio’s. Intussen kampen bedrijven ook in Gelderland met files op het stroomnet en zal de behoefte aan elektriciteit sterk groeien door de verdergaande elektrificatie, zeggen de drie ontwikkelaars van het beoogde Windpark Papenslagweg. Daarom willen energiecoöperatie Lochem Energie, Walow bv en het groene energiebedrijf Pure Energie hier de drie moderne, grote turbines plaatsen.
Afwachtende houding
Dat is makkelijker gezegd dan gedaan: de bouw van windturbines op land zit de laatste jaren in het slop. Een van de oorzaken is een uitspraak van de Raad van State. Die oordeelde in 2021 dat de toen geldende normen voor geluid, slagschaduwen (van rondzwiepende turbinebladen als de zon er onder een bepaalde hoek op schijnt) en veiligheid niet voldeden.
De hoogste rechter kondigde geen officieel bouwverbod af, maar de uitspraak veroorzaakte vergunningschuwte bij bestuurders. ‘Veel gemeenten en provincies zeiden: we doen even niets tot er landelijke normen zijn voor de bouw van turbines’, zegt Matthijs Oppenhuizen van Pure Energie, die aan de rand van het weideveld staat. Ook draaide de politieke wind, onder meer door de opkomst van de BBB, een partij die weinig opheeft met windmolens in landelijk gebied. De groei van windenergie op land nam daarom af en bereikte vorig jaar het laagste niveau sinds 2017.
Oppenhuizen is omgevingsmanager bij het groene energiebedrijf dat ongeveer 120 turbines in Nederland exploiteert. Hij is verantwoordelijk voor de begeleiding van nieuwe windprojecten als deze in Lochem. Hij voert onder meer overleg met omwonenden, die ‘niet staan te juichen’ als ze te horen krijgen dat er in hun nabijheid windmolens komen.
‘Praten tegen een muur’
Dat is hier niet anders, blijkt uit protestborden van omwonenden, zoals bij de nabijgelegen boerderij van Henk Onis. ‘Het is waardeloos’, zegt de boer, terwijl hij met een riek een kleine mesthoop op zijn erf uiteentrekt. ‘Zo kortbij heb je er alleen maar last van. Slagschaduwen, geluidsoverlast.’
Onis heeft zich georganiseerd met een groep omwonenden om de komst van de turbines tegen te houden, vooralsnog tevergeefs. ‘Toen ze (de initiatiefnemers, red.) er in het begin over kwamen te praten, hebben we meteen gezegd dat we die dingen niet willen. Maar het is alsof je tegen een muur staat te praten.’
Oppenhuizen zegt begrip te hebben voor klachten van omwonenden als Onis. ‘Maar het is ook lastig om nieuwe plekken te vinden voor turbines’, stelt hij. ‘Een locatie als deze is echt bijzonder, alleen al omdat hier windturbines kúnnen staan.’
Geschikte locaties
Lochem is een relatief grote gemeente, omzoomd door landelijk gebied. Op het oog lijkt er ruimte in overvloed voor windmolens. In werkelijkheid is die er nauwelijks, zegt de omgevingsmanager.
Wie een windpark wil bouwen, moet rekening houden met de afstand tot woningen, met nabije natuur, met leidingen in de grond en bovengronds, met laagvlieggebieden van defensie – noem maar op. ‘Als je al die variabelen op een kaart legt, houd je her en der kleine vlekjes over waar in theorie windturbines kunnen worden gebouwd.’
Het stukje land aan de Papenslagweg is zo’n vlekje. Op basis van de bestaande regels zou hier plaats zijn voor drie turbines. De initiatiefnemers hanteerden als vuistregel zo’n 400 meter afstand tot woningen. Daarmee voldoet een turbine doorgaans aan de geluidsnormen, zegt Oppenhuizen. Binnen een straal van 2,5 kilometer staan hier bovendien maar zo’n driehonderd woningen, en de dichtstbijzijnde woonkern ligt op 3 kilometer afstand. ‘Dat is voor Nederlandse begrippen redelijk dunbevolkt. Daarom zijn we hier uitgekomen.’
Politiek compromis
Maar de situatie is onlangs veranderd. Om de impasse rond de bouw van windparken te doorbreken, duidelijkheid te verschaffen en bewoners zoveel mogelijk te beschermen tegen overlast, stelde het kabinet enkele weken geleden een nieuwe landelijke norm voor: de afstand tussen nieuwe turbines en naburige huizen moet minstens twee keer de tiphoogte (het hoogste punt van de rotors) zijn.
Maar niemand lijkt blij met het voorstel van staatssecretaris Annet Bertram van Infrastructuur en Waterstaat (CDA). Ontwikkelaars niet, omwonenden niet en Den Haag niet. Het is een politiek compromis, klinkt het, een reactie op de brief van de vorige PVV-staatssecretaris Chris Jansen. Die stelde kort voor zijn vertrek een afstandsnorm voor van vier keer de tiphoogte. Als dit voorstel het had gehaald, had dit in de praktijk betekend dat er vrijwel nergens in Nederland meer turbines kunnen worden gebouwd.
Ook de afgezwakte vorm heeft gevolgen, zoals voor het geplande windpark in Lochem. Dat verliest op basis van de jongste voorstellen zijn derde turbine, omdat die te dicht komt te staan bij een klein groepje woningen even verderop. Hierdoor kunnen er mogelijk maar twee worden gebouwd.
Het financiële plaatje
Met drie turbines was het windparkje financieel rond te rekenen, zegt Oppenhuizen. Met twee wordt het spannender. Uitbaters van windturbines worden gedwongen zo groot mogelijk te bouwen, zegt Oppenhuizen, omdat grote molens veel meer opleveren. ‘Twee keer zo grote rotors produceren vier keer zoveel energie’, schetst Oppenhuizen. ‘Kleinere turbines zijn hierdoor lastig rendabel te krijgen.’
De geplande turbines produceren straks gemiddeld jaarlijks 25 duizend megawattuur per stuk, ongeveer zoveel als zevenduizend huishoudens per jaar verbruiken. Haal je er een weg, dan daalt de totale opbrengst dus van 75 duizend naar 50 duizend megawattuur. De molens staan er sowieso niet voor 2030 en al die tijd steken de ontwikkelaars geld in het project. Dat gaat al snel richting 1 miljoen euro, en dat bedrag moet worden terugverdiend, ook als het park er uiteindelijk niet komt.
‘Het terugverdienen van de voorinvestering wordt met twee turbines een stuk lastiger’, zegt Oppenhuizen. Het kan wel, schat hij, maar de marges voor tegenvallers worden een stuk kleiner. ‘En bij dit soort projecten zijn er eigenlijk altijd tegenvallers en nooit meevallers.’
De rente kan oplopen. Materialen worden duurder. Of uit het verplichte ecologisch onderzoek komt naar voren dat er een uitgebreide stilstandregeling moet komen vanwege de aanwezigheid van vogels of vleermuizen.
Schijnzekerheid
De nu voorgestelde afstandsnorm levert vooral schijnzekerheid en voegt weinig toe, zeggen diverse betrokkenen. Ook omwonende Henk Onis is niet tevreden. ‘Die norm helpt wel wat, maar lang niet genoeg. Nu komen er misschien twee, in plaats van drie. De overlast blijft.’ Hij zegt net als veel omwonenden niet tegen windenergie te zijn. ‘Maar zet ze ergens anders neer waar minder huizen staan. Iedereen in de buurt heeft er hier last van.’
Oppenhuizen hoort dit argument geregeld. ‘Vaak zeggen mensen: zet ze bij een bedrijventerrein, daar heeft niemand er last van. Als dat kon, zouden we het doen, maar ook daar gelden veiligheidsregels waardoor plaatsing bijna nooit kan.’
Uit vrees dat de nieuwe regels de bouw van nieuwe molens nog lastiger maken, pleit windkoepelorganisatie Nedzero voor uitzonderingen, bijvoorbeeld om de norm niet van toepassing te maken op losse woningen. Als deze uitzondering er komt, kunnen Pure Energie en zijn partners wel drie turbines plaatsen.
Dit is precies wat Jan Jaap Tiemersma dwarszit. Hij is penningmeester van de Nederlandse Vereniging Omwonenden Windturbines (NLVOW), die opkomt voor de belangen van omwonenden. Bij het vaststellen van de norm is volgens hem vooral gekeken of er genoeg ruimte overblijft voor de bouw van turbines. ‘Die twee keer de tiphoogte komt uit de lucht vallen, ze is nergens op gebaseerd. Dit idee is geboren uit de behoefte aan ruimte.’
Laagfrequent geluid
De klimaatdoelen moeten worden gehaald en het belang van omwonenden is daaraan ondergeschikt, zegt hij. De afstandsnorm houdt geen rekening met echte milieueffecten, aldus Tiemersma. Dat het bij ontwikkelaars zou draaien om het klimaat, gaat er bij hem niet in: ‘Het gaat om beleggingsrendementen.’
Tiemersma woont in de Achterhoek, dicht bij een windpark. Hij zegt vooral last te hebben van zogeheten laagfrequent geluid. ‘Heus niet altijd. Maar wel als het flink waait. Dan zwiept elke seconde een rotor langs de mast. Dat resulteert in een trilling van 1 hertz, die ver reikt. Dat hoor je niet, maar ervaar je wel.’
Het RIVM ziet ook een relatie tussen geluid en hinder. En hinder kan een negatief effect hebben op de gezondheid, wat op termijn weer tot andere zaken kan leiden, aldus het onderzoeksinstituut. ‘Maar er is geen hard wetenschappelijk bewijs voor een relatie tussen geluid en ziekten’, zegt een woordvoerder. ‘Al betekent onvoldoende bewijs niet dat er geen effect is.’
Tiemersma is het daarmee oneens. Hij stelt dat er wetenschappelijk bewijs in overvloed is, maar dat het RIVM achterloopt met zijn kennisgaring.
‘Klimaatdoelen zijn er niet voor niets’
Als het om de volksgezondheid gaat, voegt een afstandsnorm ook wat het RIVM betreft weinig toe. ‘Die is niet bedoeld om een beschermingsniveau vanuit gezondheidskundig perspectief te bieden, de afstandsnorm is vooral bedoeld om bestuurders, bouwers en bewoners duidelijkheid te geven’, aldus het onderzoeksinstituut, dat geen officieel advies heeft gegeven over zo’n norm en daar ook nog niet naar is gevraagd.
Intussen is de impact groot voor de sector, zegt Oppenhuizen. ‘We bouwen niet omdat we zo graag windmolens plaatsen, maar omdat klimaatdoelen er niet voor niets zijn.’
Hij somt de voordelen van groene stroom nog maar eens op: minder luchtvervuiling, minder afhankelijkheid van fossiele energie uit staten rond zeestraten die afgesloten kunnen worden, stabielere energieprijzen en minder files op het lokale stroomnet.
Maar Tiemersma moet in de zomer geregeld van zijn terras naar binnen vluchten als de turbines in zijn buurt beginnen te draaien en het gebonk van de rotors die langs de masten zwiepen de rust verstoren. Binnen zet hij dan maar zijn eigen plafondventilator aan om het geluid van de grote buren te overstemmen.
‘Tuurlijk, de buurman met zijn auto hoor je ook, maar dat is tijdelijk’, zegt hij. ‘Dit geluid gaat maar door, nachtenlang. En ja, in Amsterdam heb je ook de hele dag herrie. Maar de stilte op het platteland is een belangrijke waarde die we graag koesteren.’
Oppenhuizen zegt de zorgen van omwonenden te erkennen, maar stelt net als het RIVM dat bestaande normen voor geluid hen beter beschermen dan de afstandsnorm. Zijn bedrijf hoopt intussen dat het kabinet ruimte maakt voor uitzonderingen in de tiphoogtewet, zodat er toch drie turbines kunnen komen. Of het park er uiteindelijk komt, is daarom geen zekerheid. Oppenhuizen: ‘Het begint bij de bron: de bouw moet wel mogelijk blijven.’
Lees ook
Geselecteerd door de redactie