Meesterverteller Maarten Spanjer: 'Je gelooft het niet, maar ik heb Pelé gepoort'
‘Kijk’, zegt Maarten Spanjer op het Amsterdamse terras van Brasserie Keyzer, terwijl hij een wazige kleurenfoto overhandigt. ‘Dit is in Marseille, bij het zwembad van het hotel. De achterste, dat ben ik. En die voorste is Diego Maradona.’
Even daarvoor had hij uitgelegd hoe je dat doet, superberoemde voetballers benaderen. ‘De truc is dat je overdrijft. Vanaf het eerste moment dat je in beeld komt bij zo iemand, moet je gelijk ontzettend amicaal gaan doen. Zo deed ik het bij Maradona ook. Ik was in 1998 met een vriend in Marseille voor de wedstrijd Nederland-Argentinië, je weet wel, met die goal van Bergkamp. We lagen op onze bedjes langs het zwembad, toen we hem plotseling zagen zitten. Hij was samen met zijn broer en een heel gezelschap aan Argentijnen. Jezus, Guus, zei ik tegen mijn vriend, kijk dan: Maradona. Pak je fototoestel! Ik liep gelijk op hem af. Toen Maradona me zag aankomen, deed ik mijn armen wijd en begon ik heel overdreven naar hem te lachen. Hééé’! Diegóóó’!, riep ik gelijk heel hard, alsof we samen in dienst hadden gezeten en elkaar voor het eerst in jaren weer tegen het lijf liepen. Ik zag hem kijken en denken: Die gozer moet ik wel heel goed kennen, anders doet-ie niet zo amicaal tegen me. Toen ben ik gelijk met hem op de foto gegaan.’
Diezelfde avond zijn Brian Clough en ik doorgezakt. Het eindigde ’s nachts, in een of ander dartcafé. Waar we het over gehad hebben? Geen idee. Wacht, ik moet ook nog ergens een foto van mij en César Luis Menotti hebben
‘Hij was heel aardig, had alle tijd. We hebben een tijdje zitten praten. Ik vroeg hem of hij zich de wedstrijd Nederland-Argentinië in Zwitserland uit 1979 nog herinnerde. Simon Tahamata was daarin de uitblinker. Diego wist het nog. Toen wees ik op mijn Molukse vriend Guus en verzon ter plekke dat hij de broer van Simon was. Toen zaten we geramd. Later zijn we nog met Maradona bij het zwembad beland. Hij had een bal bij zich en ging trucjes doen langs de kant. Guus heeft nog een hele tijd met hem in het water staan praten. Hugo, de broer van Diego, vroeg na een tijdje of hij even de telefoon van Guus mocht lenen. Ja hoor, dat mocht. Guus vond alles prima, zolang hij maar met Diego kon doorpraten. Maar een maand later belde hij aangeslagen op. Hugo bleek met zijn telefoon meer dan een uur naar Argentinië te hebben gebeld. De rekening paste bijna niet in de envelop, zo dik was-ie.’
Gisteren liep ze nog, zo heet de kakelverse verhalenbundel van Maarten Spanjer die deze week werd gepresenteerd. Uiteraard speelt ook voetbal een rol in dat boek. Hoewel je hem tegenwoordig niet meer hoeft wakker te maken voor de samenvatting van SC Cambuur-FC Dordrecht, is voetbal altijd prominent aanwezig geweest in zijn leven. De Amsterdammer voetbalde zelf zijn hele jeugd. Eerst op straat, later in de schaduw van De Meer, bij dezelfde rooms-katholieke club als Louis van Gaal. Later ging Spanjer erover schrijven. Hij publiceerde zijn avonturen in boeken en schreef interviews voor onder meer Nieuwe Revu. Op televisie raakte bij bekend dankzij het programma Voetbal ’80, waarin hij onder anderen het personage Miskend Talent speelde.
Spanjer is al vanaf zijn vroegste jeugd omringd door voetballers. Hij groeide op in dezelfde straat als Ajax-ster Co Prins, de ondoorgrondelijke Piet Keizer was zijn achterbuurman. Later raakte hij bevriend met mannen als René van der Gijp en Wim Suurbier, met wie hij avonturen beleefde waar hij tot op de dag van vandaag graag en met smaak over vertelt.
© VIVI hangt aan zijn lippen.
Het kostte dan ook weinig moeite Spanjer ertoe over te halen een aantal foto’s van zijn jaren tussen de voetballers mee van huis te nemen. Ze zitten in een grote, witte envelop. Als hij op het terras van Brasserie Keyzer het eerste stapeltje pakt, rollen de herinneringen als vanzelf uit zijn mond. ‘Kijk, hier zit ik met Rinus Michels. Ik moest hem imiteren in een serie. Ik ben altijd gefascineerd geweest door die man. Alleen al dat stemgeluid. Op begrafenissen ging ik na afloop altijd het liefst vlak achter hem staan, wachtend op het moment waarop hij de nabestaanden een hand gaf. “GE-CON-DO-LEERD!”, bulderde hij dan, met die gigantische stem van hem. Daar kon ik van genieten.’
‘Hier, een foto met Brian Clough. Ook een grote trainer met een raar stemgeluid trouwens. Deze foto is genomen in Nottingham. Ik was er om die saaie Hans van Breukelen te interviewen, maar met Clough klikte het veel beter. Ik vroeg hem wat hij van zijn Nederlandse keeper vond. “Nou”, zei hij, waar Van Breukelen bij zat, “hij is een aardige man. Een goede echtgenoot ook. Hij is zeer beleefd. Zijn Engels is ook helemaal niet slecht. Hij heeft een aardige vrouw. En een mooie auto…” Clough begon Van Breukelen om van alles te roemen, behalve om zijn keeperskwaliteiten. Toch groeide Hans met elk compliment. Daar moest ik erg om lachen. Het klikte tussen Clough en mij. Hij liet me de hele dag mijn gang gaan. Ik mocht zelfs even met de training meedoen. Diezelfde avond zijn we samen doorgezakt. Het eindigde ’s nachts, in een of ander dartcafé. Waar we het over gehad hebben? Geen idee. Wacht, ik moet ook nog ergens een foto van mij en César Luis Menotti hebben.’
Ik ben in dat pak naar de wedstrijd Frankrijk-Brazilië gegaan. Niets opent makkelijk deuren dan een grote badge op je blazer
De vingers van Maarten Spanjer ritselen door de meegebrachte afbeeldingen. Menotti is nergens meer te vinden. Wel komen we opeens een plaat van de grote Sócrates tegen, ooit genomen in Parijs, na afloop van een wedstrijd tussen het Frankrijk van Platini en het Brazilië van Zico. Gek genoeg draagt Spanjer op die foto het officiële KNVB-spelerskostuum uit 1974. Dat komt zo: hij had een tijd een relatie met Dien Jongbloed, bekend van haar man Jan, de keeper. Op een dag had Spanjer het clubkostuum van Jongbloed in de kast zien hangen. Toen kon hij zich niet meer beheersen. ‘Ik ben in dat pak naar de wedstrijd Frankrijk-Brazilië gegaan. Niets opent makkelijk deuren dan een grote badge op je blazer. Na afloop was er een soort banket. Alle spelers waren aanwezig. Ik ben gewoon naar binnen gestapt. De truc bij dat soort dingen is dat je alles met heel veel overtuiging doet en dat je voorkomt dat je in je eentje verloren om je heen gaat staan kijken. Je moet zo snel mogelijk een glas in je handen hebben en met iemand in gesprek zijn. Dat lukte. Dankzij het pak van Jongbloed zag ik er heel officieel uit. Iedereen dacht dat ik erbij hoorde.’
Maarten Spanjer genoot in die jaren op tv bekendheid als het Miskend Talent, een bedenksel van Jan Mulder voor het VARA-programma Voetbal ’80. Daarin droeg hij een hagelwit voetbaltenue en een witte puntmuts. Op het hoogtepunt van zijn roem had Spanjer zelfs handtekeningenkaarten als Miskend Talent. Voordat hij naar Frankrijk-Brazilië ging, had hij er een paar in de binnenzak van Jan Jongbloeds colbert gestopt. ‘Dus toen ik na een tijdje Sócrates zag staan, heb ik zo’n foto gepakt en ben op hem afgelopen. Hebben we even gepraat. Uiteindelijk hebben we ook samen geposeerd.’ Hij laat de afbeelding zien. Het blijft een merkwaardig gezicht: de beroemde aanvoerder van Brazilië met een foto van Maarten Spanjer in zijn hand.
© Eigen archiefMaar de meest verbazingwekkende afbeelding moet dan nog komen. Dat gebeurt als Spanjer een paar grote zwart-witfoto’s uit de stapel haalt. Ze werden 33 jaar geleden in Amsterdam geschoten. Op de meeste foto’s zie je Maarten Spanjer trots in de camera kijken. Naast hem staat dan een van de de allergrootste voetballers ter wereld.
Radio Correct is een grote elektronicawinkel in Rotterdam. Op een merkwaardige middag in mei 1981 stapt Pelé er binnen. Er zijn nog foto’s van. Daarop zie je de beroemdste voetballer ter wereld tussen de stereotorens en platenspelers achter een tafel vol frisdrank zitten. Hij lacht. Dat doet hij altijd, lachen.
Een dag eerder is de Braziliaan in Amsterdam gearriveerd. Daar heeft hij zich in zijn hotel laten interviewen door een langharige verslaggever van Voetbal International. Aan Johan Derksen onthult Pelé onder meer dat hij het verbazingwekkend vindt dat er op al die weilanden in Nederland koeien in het gras staan, in plaats van gewoon twee voetbaldoelen. Daarna vertelt hij ook nog dat hij ambities als acteur heeft. Hij had al een keer politieagent gespeeld en nu was hij gevraagd voor een rol als piccolo. Maar dat laatste had hij principieel geweigerd. Derksen had ervan opgekeken. Pas later bleek het een misverstand. De jonge verslaggever had het verkeerd verstaan. Pelé was gevraagd als gigolo, niet als piccolo.
Na een tijdje stond ik met Pelé te voetballen alsof we samen waren opgegroeid
Het is het bescheiden begin van Pelé’s carrière als wandelende reclamezuil, die later toepasselijk genoeg zijn hoogtepunt zou kennen met een commercial voor Viagra. Ditmaal is hij op pad voor Atari, fabrikant van de eerste spelcomputers. De komst van de beroemdste voetballer ter wereld trekt vooral veel Spaanse en Portugese havenarbeiders naar de winkel aan de Bergweg in Rotterdam, waar het al snel nog drukker is dan toen de Kermisklanten er kwamen zingen.
Vroeger kwam Pelé nog gewoon als voetballer naar Nederland. In 1958 dook hij op in Groningen. In Het Oosterpark speelde hij met Santos tegen het Feyenoord van Cor van der Gijp en Gerard Kerkum. Zijn eerste kennismaking met Nederland was op een cultuurclash uitgelopen. Jonge Groningers stonden in grote groepjes voor de ramen van Hotel Hoffman, waar de Braziliaanse selectie verbleef. Soms kon je Pelé er in de keuken zijn eigen kotelet zien bakken. Na de training deelde hij kleingeld uit aan de verbaasde Groningse kinderen. Dat was hij zo gewend in de arme landen waar hij kwam.
Een dag later waren Pelé en de andere voetballers van Santos in Enschede. Ook daar werd op verbaasde toon verslag gedaan van hun komst. Zelfs hun eetgewoonten zijn er nieuws. Dagblad Tubantia schrijft dat de lunch van de exotische voetballers bestond uit ‘een soort rumpsteak, een tomatensoep met allerlei ongewone dingen erin, salade en fruit in ongelooflijke hoeveelheden.’ En: ‘Na de wedstrijd aten de spelers kip, patates frites en fruit, opnieuw in porties, welke wij nauwelijks gewend zijn.’
© Eigen archiefVijf jaar later is Pelé terug in Nederland. Hij speelt dan zijn enige interland op Hollandse bodem. In het Olympisch Stadion doet hij mee in de wedstrijd met de ene, beroemde goal van Peet Petersen. Na precies zestig minuten wordt de vedette gewisseld. Zijn vaste bewaker Rinus Bennaars bewaart ergens op zijn zolder in Bergen op Zoom nog steeds een sok van Pelé. Het is een souvenir van de avond waarop hij volgens eigen zeggen de grootste voetballer ter wereld uit de wedstrijd speelde, al zijn er ook mensen die wijzen op het contract waarin stond dat de sterspeler sowieso maar een uurtje zou meevoetballen. In de jaren zeventig gaan nog geruchten dat wijlen manager Guus Brox hard op weg is Pelé voor Feyenoord te strikken, maar dat gaat gek genoeg niet door.
Later in zijn leven landt Pelé nog een paar keer op Schiphol. Meestal om iets onzinnigs te doen. In de jaren tachtig halen de ondernemende broers Molenaar hem naar Alkmaar. Hij verricht er de aftrap van een wedstrijd van AZ en speelt in een van de Wastora-filialen een partijtje tafelvoetbal met Hugo Hovenkamp. De foto van dat moment hing jarenlang plechtig ingelijst in diens gang.
Weer jaren later, op dezelfde dag als zijn bezoek aan Radio Correct, wandelt Pelé halverwege de middag het Amsterdamse Marriott Hotel binnen. Maarten Spanjer is daar ook. Dat is geen toeval. Wie opgroeit met Piet Keizer als achterbuurman, is niet snel onder de indruk van een grote naam, maar Pelé, dat is andere koek. Voor Spanjer behoort hij tot dezelfde categorie als Muhammad Ali. Met allebei zou hij dolgraag op de foto gaan.
Pelé begon vriendelijk te lachen. Ik lachte vriendelijk terug. Maar inwendig werd ik natuurlijk helemaal gek. Ik had de grootste voetballer aller tijden door zijn benen gespeeld!
Pelé draagt die middag een witte coltrui. Om zijn nek bungelt een ketting met een kruis zo groot als een hoefijzer. Als hij de zaal binnenkomt, ziet hij een vader op de eerste rij zitten. Het is Jan Mulder. Naast hem zit een nogal uit de kluiten gewassen blond jongetje, zijn twaalfjarige zoontje Youri. Hij krijgt in het voorbijgaan een hand van Pelé. Daarna gaat de hoofdpersoon achter een tafel zitten en doet hij waarvoor Atari hem betaalt: ontzettend hard grijnzen terwijl naast hem iemand in een onbegrijpelijke taal een spelcomputer demonstreert. Het duurt een half uurtje. Dan is het voorbij en mengt Pelé zich tussen het publiek.
Nu, meer dan dertig jaar later, vlak voor de presentatie van zijn nieuwste boek, gaat meesterverteller Maarten Spanjer achteroverzitten en legt hij uit welke merkwaardige gebeurtenissen er vervolgens allemaal voorvielen. ‘Nou, ik wilde dus altijd al graag met Pelé op de foto. Maar omdat Jan Mulder ook in de zaal zat, durfde ik het niet te vragen. Ik schaamde me er een beetje voor. Daarom drentelde ik na afloop in die zaal van het Marriott Hotel maar een beetje rond, dronk een glas en hield intussen constant mijn ogen gericht op Pelé. Na een tijdje werd ik op mijn schouder getikt. Een fotograaf van Het Parool. Of hij een foto van mij mocht maken, samen met Pelé. Nou, daar had ik geen bezwaar tegen. Helemaal niet zelfs. We gingen op weg, toen hij opeens een ingeving kreeg. Hij had nog een bal in de kofferbak van zijn auto liggen, die ging hij wel even halen. Leuk voor de foto. Om een lang verhaal kort te maken: voordat ik het wist was ik niet alleen in gesprek met Pelé, maar waren we ook op weg naar de tuin van het Marriott Hotel, om even een balletje met elkaar te trappen.’
‘Terwijl ik probeerde Pelé de hele tijd zo strak mogelijk op zijn goede been aan te spelen, realiseerde ik me wel hoe vreemd deze situatie was, maar toch wende het ook snel. Na een tijdje stond ik met Pelé te voetballen alsof we samen waren opgegroeid. Hij was vriendelijk, goedlachs, deed overal zonder klagen aan mee. Hij gedroeg zich niet als de vedette die hij is. Daardoor werd ik waarschijnlijk wat overmoedig, want al snel kreeg ik visioenen van het moment waarop ik hem voorbij zou pingelen. Zou dat lukken?, dacht ik. De beste voetballer ter wereld passeren? Het duurde een minuut of vijf. Toen dacht ik: Rot op, wat kan mij het ook schelen. Dus ik neem die bal aan mijn voeten en dribbel op die Pelé af. Vlak voor hem maak ik een schijnbeweging. Toen gebeurde het. Hij trapte erin, zijn voeten gingen uit elkaar en ik schoof zo – plop – die bal tussen zijn benen. Je gelooft het niet, maar ik had Pelé gepoort. Op een woensdagnamiddag in de tuin van het Marriott Hotel in Amsterdam.’
© Eigen archiefMet Rinus Michels.
‘Pelé begon vriendelijk te lachen. Ik lachte vriendelijk terug. Maar inwendig werd ik natuurlijk helemaal gek. Ik had de grootste voetballer aller tijden door zijn benen gespeeld! Na afloop heb ik nog even met hem staan praten. Waar we het over hebben gehad, weet ik niet meer. Ik heb ook nog iets voor hem opgeschreven, dat zie je op een van de foto’s. Maar ook daar herinner ik me niets meer van. Waarschijnlijk was ik nog te opgewonden over de meesterlijke manier waarop ik Pelé had gefopt.’
‘Pas op de fiets terug naar huis, toen ik de hele film van die middag nog eens in gedachten afdraaide, realiseerde ik me wat er echt was gebeurd. Opeens drong het tot me door. Pelé had die bal natuurlijk expres door zijn benen laten gaan. Hij was de hele middag al ontzettend vriendelijk geweest, en ook dit had hij alleen maar gedaan om mij een pleziertje te doen. Even was ik teleurgesteld. Maar niet lang. De euforie die ik voelde toen die bal door zijn stokken ging, die neemt niemand mij meer af. Ik voelde me zoals Patrick Kluivert zich destijds in Wenen moet hebben gevoeld, kort nadat hij Ajax aan de Europa Cup had geholpen. Heerlijk. Ik denk er nog steeds met heel veel plezier aan terug. Ik heb thuis een stapeltje foto’s van die middag liggen. Een ervan heeft een tijdje bij mij in de gang gehangen. Daarop zie je dat ik iets op een papiertje schrijf voor Pelé. Hij staat naast me en kijkt aandachtig wat ik doe.’
‘Die foto is jaren later nog een keer goed van pas gekomen. Ik zat een keer in een Italiaans restaurant, hier in Amsterdam. Een paar mensen aan een ander tafeltje herkenden mij van televisie. Ze kwamen naar me toe om een praatje te maken.’
“Ben jij soms beroemd of zo?”, vroeg die eigenaar later.’
Ach, zei ik, valt wel mee.
Een week later ging ik er weer eten. Ik had die foto uit de gang meegenomen. Toen de eigenaar de bestelling kwam opnemen, haalde ik ’m tevoorschijn en tikte ik op het lijstje. Kijk, zei ik, hier geef ik Pelé een handtekening. Sindsdien krijg ik er altijd het beste tafeltje.’