Tegen abortus zijn hoort in het rijtje tegen asielzoekers, tegen klimaatbeleid, tegen lhbti’ers en tegen leuke mensen zijn
Twee lange dagen ging het in de Tweede Kamer over het vrouwenlichaam als broedmachine voor het algemeen belang, dus dat werd schreeuwen in een kussen. Diederik van Dijk (SGP) spuide ongeremd vuil over vrouwen die zich genoodzaakt zien een zwangerschap te laten afbreken (‘kindjes doden’). Een knakker van de PVV eiste dat vrouwen hun motieven uit de doeken doen, opdat hij ‘er dan ook iets tegen kan doen’. Mirjam Bikker (ChristenUnie ) populiseerde er op los dat ‘het kievietsei beter beschermd is dan het ongeboren leven’. Een Fvd’er boerde ‘doodscultus’ .
Zo gaat het al sinds Eva en de appel : de hoogste apen op de rots hebben vastgesteld dat wij vrouwen grillige, domme druifjes zijn met nuttige eigenschappen (afwassen, de strijk doen, seks leveren, kinderen produceren) die bevoogding en begrenzing behoeven. Vooral de kindproductie kan op veel politieke belangstelling rekenen. Daarom hebben mannen er zorg voor gedragen dat de wet zich intensief bemoeit met onze voorplanting. We hebben ‘mijn lijf, mijn keuze’ gescandeerd, strijdend de zeggenschap over onze lichamen heroverd, maar abortus staat nog altijd in het Wetboek van Strafrecht.
En we hebben nog altijd een Diederik van Dijk die sissend leugentjes opdist over ‘gezonde kindjes die in Nederland na 22 weken worden gedood’. De minister bleef er waardig onder, en standvastig, maar het is een raadsel dat er coalitiepolitici zijn die in deze polder-Taliban een serieuze onderhandelingspartner zien.
Knabbelen aan abortuswetgeving is van oudsher iets van christelijke partijen, maar met de groei van extreemrechts heeft deze liefhebberij zich als griep verspreid. Tegen abortus zijn hoort in het rijtje tegen asielzoekers, tegen klimaatbeleid, tegen het buitenland, tegen lhbti-rechten en tegen leuke mensen zijn. Dus maakt de PVV er plots een punt van, wil de BBB dat wij vermelden waaróm we een abortus willen en blaast FvD over ‘moord’ op foetussen.
Dit keer is de casus belli de grens van 24 weken, die artsen na zorgvuldige weging als ondergrens voor levensvatbaarheid hebben vastgelegd in de richtlijn. De minister kondigde onlangs aan dat ziekenhuizen nog beter gaan zorgen voor vrouwen die 22 of 23 weken zwanger zijn en abortuszorg nodig hebben. Dit is ‘late abortus’ gaan heten, maar dat is debatvervuiling. ‘Late abortus’ is de term voor abortussen die ná de 24-wekengrens plaatsvinden. Een abortus in week 22 of 23 is gewoon wat het is: een abortus. Een toegestane afbreking waar een vrouw zelfstandig over beslist – mijn lijf, mijn keuze. Zonder dat ze hoeft te verantwoorden waaróm – mijn lijf, mijn keuze.
Voor radicaal-rechts was deze verbeterde abortuszorg reden genoeg om het Kamerdebat over de begroting voor Volksgezondheid aan te grijpen voor een nieuwe knabbelpoging. Ditmaal aan de 24-wekengrens. Of die niet naar 22 moet, of er wel een grens moet zijn, of we zeker weten dat domme druifjes niet massaal baby’s door de wc spoelen als er geen man is om ze in toom te houden.
Godlof is daar Lisa Vliegenthart van Pro die met opgewekte standvastigheid de strijd voortzet van de reuzinnen op wier schouders ze staat, zoals Lilianne Ploumen, Pia Dijkstra en Corinne Ellemeet, dankzij wie de vernederende verplichte bedenktijd bij abortus al is afgeschaft. Vliegenthart doet nu een nieuwe poging om abortus helemaal uit het Wetboek van Strafrecht te krijgen.
De tegenstand is taai, maar we hebben een coalitie met twéé partijen die zich liberaal noemen, en een liberale premier. Samen zouden ze vrouwengeschiedenis kunnen schrijven.