Home   2026-10-22 19:56:51

←

Troosten kan ook met een pannetje soep, met dat onverwachte telefoontje of bezoek

Original article

Met belangstelling las ik het opiniestuk van Sanne Paaij over (de eenzaamheid van) rouw en rouwverwerking. In mijn ruim veertig jaar werken in de ggz heb ik veel cliënten gesproken die worstelden met hun verdriet, hun eenzaamheid en vragen na het overlijden van een dierbare. Maar ook hun naasten, die zich geen raad wisten met het verdriet en de eenzaamheid van de ander.

Paaij vraagt zich af hoe en hoe lang je mag of ‘moet’ rouwen, en in hoeveel stadia. Psychiater Elisabeth Kübler-Ross onderscheidde vijf stadia, anderen weer zes of zeven. Het aantal stadia is discutabel, rouwen bevat daarentegen wel een aantal kernelementen.

‘Rouwkamertje’

Stadia suggereren een vastomlijnde volgorde, alsof de persoon van het ene ‘rouwkamertje’ na enige tijd het volgende kamertje binnenstapt. Een route die weliswaar voor de een langer kan duren dan voor de ander, maar met een vaste opbouw.

Rouw is echter een grillig, persoonlijk proces met schommelingen, met vooruitgang, stagnatie en terugval rondom de kernelementen van ongeloof en verdoving (shock), herbeleving (voelen van het verdriet of gemis, denken aan en dromen over de dierbare), ontkenning (er niet mee bezig willen zijn, ‘wegstoppen’) en de uiteindelijke aanvaarding: integratie van het verlies in het verdere leven. Deze elementen (ook de ontkenning!) zijn noodzakelijk en nevengeschikt.

Verwerkingstaken

Vanwege de aard van het proces doet het spreken van verwerkingstaken in plaats van stadia de rouwende persoon meer recht, waardoor deze de vraag hoe te ‘moeten’ rouwen wat makkelijker kan loslaten. Ieder vervult die taken op zijn eigen wijze, in zijn eigen tempo.

Sanne Paaij verwoordt haar eenzaamheid in het verwerken van het verdriet na het overlijden van een dierbare vriendin. Kan de ander precies voelen wat jij voelt? Kun je precies voelen wat de ander voelt? Het antwoord is nee. Maar je kunt wel meevoelen, ‘er zijn’ voor de ander en steun en troost bieden. Daarbij kan de rouwende ook zelf actief appelleren aan die steun en troost, en daarin niet te voorzichtig zijn. Dat vraagt dapperheid, juist omdat rouw kwetsbaar maakt.

En hoe voorzichtig is misschien die ander? De auteur noemt de korte, bijna obligate reacties van de buitenwereld. Een buitenwereld die spoedig overgaat tot de orde van de dag, de rouwende in eenzaamheid achterlatend. Een gebrek aan werkelijke betrokkenheid.

Onmacht en onvermogen

Er zijn mensen met weinig empathisch vermogen. Of mensen die hun handen vol hebben aan hun eigen sores. Of zij die zo egocentrisch zijn dat het verdriet en de eenzaamheid van de ander volledig aan hen voorbijgaan, inderdaad uit desinteresse. Maar er is ook een groep bij wie de ogenschijnlijke desinteresse feitelijk onmacht en onvermogen is. Niet weten wat te doen.

Onvermogen om het verdriet en de eenzaamheid van de ander te verdragen, om uit zelfbehoud ver weg te blijven. Of mensen die denken dat hun taak is iets te moeten doen om het verdriet van de ander te verminderen – een onmogelijke, verlammende opgave. Men beseft met lege handen te staan en trekt zich terug uit het contact, zich geen raad wetend met deze immense opdracht. Maar je hoeft paradoxaal genoeg niet zoveel te doen; het bieden van steun en troost is voldoende.

Je kunt troosten met woorden door de vragen te stellen die schrijver noemt en dóórvragen als de rouwende persoon aarzelt. Troosten kan ook met een pannetje soep, met dat onverwachte telefoontje of bezoek, het voorstel om samen te gaan wandelen, et cetera. Troost heeft vele gezichten die duidelijk maken dat je begaan bent.

Verwoord en onderzoek je eigen aarzeling

De rouwende zélf kan ook wat doen. Niet te voorzichtig zijn als je niet weet wat te zeggen, of uit angst de ander te belasten. Wees assertief en moedig, vraag om wat je nodig hebt: ‘Ik zou het fijn vinden als je me af en toe belt, me vraagt hoe het gaat, mee uit wandelen neemt’, et cetera. Verwoord en onderzoek je eigen aarzeling.

‘Het regent harder dan ik hebben kan’, zingt Bløf. De ander kan en hoeft de regen niet te stoppen, maar kan je wel een tijdelijke schuilplaats bieden. Ook is er vakliteratuur die steun en troost kan bieden: Over troosten en verdriet (door Wim ter Horst) en Noodzakelijk verlies (door Judith Viorst).

Rouwen is verliesverwerking. Aanvaarding is geen vergeten: de pijn verdwijnt niet, maar wordt minder rauw. Met tijd als bondgenoot. Heelt de tijd alle wonden? Nee. De open wond wordt een litteken dat altijd gevoelig blijft. Littekens zijn de getuigenissen dat je hebt geleefd en vriendschap en liefde hebt gekend.