Waarom een verbod op sociale media jongeren niet leert nepdeskundigen te herkennen
Vandaag de dag hoef je TikTok of Instagram maar te openen en je krijgt meerdere ‘zogenaamde experts’ te zien die je verschillende adviezen geven op het gebied van mentale gezondheid. Toch gaat het hier maar zelden over wanneer we het hebben over mediawijsheid. Alweer tien jaar geleden plaatste ik mijn eerste YouTube-video over mijn vakgebied psychologie op mijn YouTube-kanaal Psycholoog Najla. Ik startte met dit kanaal omdat ik zag dat steeds meer jonge mensen YouTube gebruikten om informatie over allerlei onderwerpen op te zoeken.
Als ik informatie op sociale media opzocht over psychologie, was de beschikbare informatie nog beperkt. Ik vond hooguit wat video’s op YouTube van wat later influencers genoemd zouden worden met informatie op basis van hun eigen ervaringen. Als ze al tips gaven, dan hadden die vaak geen wetenschappelijke basis.
Dat kan anders, dacht ik. Ik verdiepte me in wetenschappelijk onderzoek en maakte video’s met tips over onderwerpen als slaapproblemen, liefdesverdriet en concentratieproblemen. Destijds was het nog dermate ongebruikelijk en controversieel om dit soort tips en informatie op sociale media te delen, dat zelfs de Volkskrant er een uitgebreid artikel over schreef in de wetenschapsbijlage.
Thema’s vliegen je om de oren
Zelfverklaarde deskundigen die informatie delen op sociale media zijn in 2026 niet meer weg te denken. Adviezen over mentale gezondheid, fysieke gezondheid, beleggen, ondernemen en andere thema’s vliegen je om de oren – met alle gevolgen van dien. Want niet alle informatie die vandaag wordt gedeeld is, zoals toen ik ooit begon, gebaseerd op wetenschappelijke informatie en afkomstig van onderlegde professionals. Sterker nog, het tegendeel lijkt waar.
Zo werd in 2023 een wetenschappelijk onderzoeksrapport gepubliceerd waaruit bleek dat slechts 27 procent van de 133 meest bekeken video’s op TikTok over autisme gebaseerd is op accurate informatie. Toch worden deze platforms door veel Gen Z’ers en millennials gebruikt als hun belangrijkste informatiebron. Volgens de nieuwste Reuters-analyse uit 2026 is sociale media voor 18- tot 24-jarigen wereldwijd inmiddels de belangrijkste nieuwsbron.
Wantrouwen in de hulpverlening
In mijn behandelkamer zie ik regelmatig cliënten die mij vertellen ADHD, autisme, DIS of een andere stoornis te hebben die zij bij zichzelf hebben vastgesteld op basis van TikTok-video’s. De kans dat deze video’s zijn gemaakt door mensen zonder enige psychologische achtergrond is dan aanwezig. Aan deze cliënten vertellen dat je niet aan deze diagnose denkt of dat die na psychologisch onderzoek volledig wordt ontkracht, leidt dan ook vaak niet tot opluchting bij de cliënt, maar tot wantrouwen in de hulpverlening, want de vele socialemediavideo’s wezen toch echt op de zelf vastgestelde diagnose. Een diagnose waarmee de cliënt die voor mij zit zich inmiddels al mee heeft geïdentificeerd.
Hoe nu verder, vraag ik me vaak af. Enige tijd geleden bezocht ik een middelbare school en sprak ik met een groep gymnasiasten over hoe zij kijken naar de informatie die op sociale media wordt gedeeld. Ook in deze klas zaten jongeren die dachten een psychische stoornis te hebben op basis van één of meerdere TikTok-video’s. Hoe zij de betrouwbaarheid van deze video’s beoordeelden, was dan ook erg interessant.
Zo moest een video niet gemaakt zijn door een te oud persoon. Ik was met mijn 37 jaar volgens deze scholieren al ver over de houdbaarheidsdatum heen en als informatiebron hoogst onbetrouwbaar. Betrouwbaar was in hun ogen iemand tegen wie je op kunt kijken: iemand met een groot bereik en video’s met veel likes en reacties. Toen ik met hen bekeek welke profielen volgens hen betrouwbaar waren, bleken dat niet de profielen en video’s te zijn van betrouwbare wetenschappers en professionals.
Relatie tussen sociale media en mentaal welzijn
Ondertussen nemen het gebruik en de invloed van sociale media alleen maar toe. Ik zie in mijn eigen lopende onderzoek naar de relatie tussen sociale media en mentaal welzijn binnen de specialistische jeugd-ggz dat het geen uitzondering is dat een jongere meer dan 5 uur per dag schermtijd heeft. Vanuit Europa wordt nu gekeken naar stevige maatregelen. Zo heeft het Europees Parlement gepleit voor een Europese leeftijdsgrens van 13 jaar, waaronder jongeren geen toegang zouden krijgen tot sociale media. Voor jongeren onder de 16 jaar zou ouderlijke toestemming nodig moeten zijn. Dat moet volgens veel mensen de oplossing zijn.
Toch zie ik daar geen oplossing in. Want uiteindelijk komen ook deze jongeren als volwassene in aanraking met sociale media en zullen ook zij die waarschijnlijk als informatiebron gaan gebruiken.
Dit voorkomen is een illusie. En daarmee is de vraag wat jongeren op die schermen zien misschien wel belangrijker geworden dan de vraag hoeveel tijd zij erop doorbrengen. We kunnen jongeren vertellen dat ze minder op TikTok en Snapchat moeten zitten, maar daarmee verdwijnen de video’s niet. En eerlijk gezegd vind ik dat ook een te gemakkelijke oplossing. Sociale media zijn inmiddels zo verweven met het dagelijks leven dat we jongeren niet alleen moeten leren minder te kijken, maar vooral béter te kijken.
Face-to-face en online
Met sociale media stoppen betekent voor jongeren ook vaak uit een groot deel van hun sociale wereld met leeftijdsgenoten stappen. Iets onnatuurlijkers voor deze leeftijd is niet denkbaar. Contact met leeftijdsgenoten is in deze levensfase van groot belang. En dat contact vindt tegenwoordig ook online plaats.
Zorgelijk is niet alleen dat jongeren informatie van sociale media halen, maar vooral dat de criteria waarmee zij betrouwbaarheid lijken te beoordelen zo anders zijn dan de criteria die we in de wetenschap gebruiken. Wetenschappelijke onderbouwing, opleiding en expertise lijken voor een jongere op TikTok nauwelijks relevant te zijn. Een groot aantal volgers, duizenden likes en iemand die overtuigend en herkenbaar vertelt over zijn eigen ervaringen lijken dat wel. Zeker als het een van hun rolmodellen betreft.
Het algoritme zorgt er niet voor dat de kijker content voorgeschoteld krijgt met de meest zorgvuldig samengestelde inhoud, maar de video’s die mensen langer vasthouden, prikkelen of uitlokken tot een reactie. Dat zorgt voor een onbegonnen strijd voor de professional in de mentale gezondheidszorg. Een BIG-geregistreerde psycholoog die een wetenschappelijk kloppende, genuanceerde video maakt en zegt dat ‘een aantal van deze kenmerken inderdaad kan voorkomen bij ADHD, maar dat je daarmee nog geen diagnose kunt stellen’, zal niet zoveel kijkers aan zich binden als een influencer die stelt: ‘Als jij dit herkent, dan heb je waarschijnlijk ADHD.’
Alternatief bieden
In de specialistische ggz-instelling waar ik werk, moet ik inmiddels regelmatig uitleggen waarom een diagnose niet op basis van een TikTok-video gesteld kan worden. Helaas heeft de cliënt dan vaak al honderden TikTok-video’s gezien over de desbetreffende diagnose waarin hij of zij zich herkende en waarin wordt gesteld dat hij of zij de stoornis heeft op basis van de daarin naar voren gebrachte informatie. Dit is dan ook precies waarom ik tien jaar geleden begon met mijn YouTube-kanaal. In plaats van me alleen te ergeren aan de desinformatie die ik zag, wilde ik bij gebrek aan beter een alternatief bieden.
We zijn nu op een punt terechtgekomen waarop ik niet meer alleen voor dit alternatief kan zorgen. Er zijn immers al vele duizenden video’s over mentale gezondheid op sociale media zonder wetenschappelijke basis. Nu zou ik een oproep kunnen doen aan mijn collega-psychologen en -psychiaters om ook video’s te maken op sociale media. Ik zie echter ook hierin niet de oplossing, omdat zij niet hebben gekozen voor een carrière als influencer en het moeilijk opboksen is tegen de gevestigde orde van (soms al jarenlang actieve) contentcreators die mentale gezondheid hebben omgezet in een verdienmodel. Ik denk dat scholen, opleidingen, ouders en platforms hierin een belangrijke rol kunnen spelen.
Jongeren leren op school hoe ze een tekst behoren te analyseren, bronnen moeten vermelden en informatie uit verschillende bronnen kunnen vergelijken. Dat kan een belangrijke oplossing zijn voor het probleem. Jongeren leren nu niet of nauwelijks hoe het algoritme bepaalt welke informatie zij te zien krijgen. Zij leren ook niet hoe je het verschil herkent tussen een ervaringsverhaal van een contentcreator en wetenschappelijke informatie. Ook leren zij niet waarom een video met honderdduizend weergaven niet per definitie betrouwbaarder is dan een video met tientallen likes als die is gemaakt door een huisarts of een BIG-geregistreerde psycholoog.
Wie is daadwerkelijk deskundig?
Wat het nog ingewikkelder maakt, is dat het voor mensen, zeker voor jongeren, niet altijd duidelijk is wie daadwerkelijk deskundig is. In Nederland zijn beroepen als ‘therapeut’, ‘relatietherapeut’, ‘seksuoloog’ en ‘psycholoog’ geen beschermde titels. Als iemand die titel gebruikt, weet je niet hoe deze persoon is opgeleid of hij of zij geregistreerd staat. Een professioneel ogende website, een overtuigende bio en duizenden volgers kunnen de indruk van deskundigheid wekken, terwijl ze niets zeggen over iemands opleiding of de kwaliteit van de informatie die wordt gedeeld.
Ook op de televisie zie ik regelmatig mensen langskomen die worden gepresenteerd als ‘psycholoog’, ‘therapeut’, ‘relatietherapeut’ of ‘seksuoloog’, terwijl voor de kijker niet duidelijk is welke opleiding of professionele registratie deze persoon heeft. Als ik dit natrek bij deze ‘tv-deskundigen’, ontbreken een goede opleiding en registratie dan ook regelmatig. Als journalisten en redacties van televisieprogramma’s al moeilijk onderscheid kunnen maken tussen betrouwbare en onbetrouwbare deskundigen, hoe kunnen we dat dan van jongeren op sociale media verwachten?
Dat jongeren op TikTok, Instagram of YouTube informatie over mentale gezondheid tegenkomen of opzoeken, zal de komende jaren toenemen, vermoed ik. Een telefoonverbod op scholen of een verbod op sociale media voor jongeren onder de 16 jaar zal dit niet volledig en blijvend tegenhouden. Het is dus belangrijk dat jongeren leren omgaan met die informatie. Daarnaast is het belangrijk dat in Nederland voor de leek beter inzichtelijk wordt wie een erkend psycholoog, seksuoloog of therapeut is. We moeten daarom stoppen met mediawijsheid te beperken tot de vraag hoeveel schermtijd gezond is en hoe we schermtijd kunnen inperken.
Mediawijsheid
Mediawijsheid betekent ook kunnen herkennen wanneer content op sociale media wetenschappelijk onderbouwd is, wanneer iets een ervaringsverhaal is en welke expert daadwerkelijk deskundig is op het onderwerp waarover hij spreekt. We gaan het niet tegenhouden dat jongeren na het zien van TikTok-video’s denken een psychische stoornis te hebben. Laten we jongeren daarom leren de informatie die zij daar vinden goed te beoordelen.
Tien jaar geleden wilde ik dat er betere psychologische informatie op sociale media kwam. Nu wil ik vooral dat jongeren leren hoe ze die betere informatie kunnen herkennen.
Lees ook
Geselecteerd door de redactie
- Nieuws
Kabinet mikt op totaalverbod mobiele telefoons op scholen, middelbare scholen reageren sceptisch
- Nieuws
Steeds meer mensen zien sociale media als gevaar voor democratie, en Nederlanders al helemaal
- v-plusInterviewPim van Uchelen
Ook jeugdbeschermers zelf zijn gefrustreerd: ‘Iedereen in het veld weet dat het huidige stelsel op de schop moet’
- ingezonden brieven
Sociale media zijn een probleem waar tabaksverslaving magertjes bij afsteekt