Home   2026-10-22 19:56:51

←

‘Vrijen ging heel goed, we moesten alleen andere houdingen uitvinden’

Original article

Marijke (77)

‘Op 9 maart 1972 zat ik met een groepje vrienden in de mensa van de TU in Eindhoven waarmee we als voormalig sociale academiestudenten een samenwerking hadden, toen er ineens een lange man naar me toe kwam die zei: kom je mee, dan gaan we verderop even samen zitten. Ik kende hem niet, maar deed wat hij vroeg, te verbouwereerd om te kunnen weigeren. Zijn donkere krullen en zijn innemende gezicht straalden bovendien niet bepaald gevaar uit, integendeel.

‘Na wat te hebben gepraat, bracht hij me naar huis. Een kusje bij de voordeur, meer niet, maar al snel volgde een nieuwe afspraak en daarna nog een en nog een. Ik had een autootje waarmee we elk weekend op pad gingen. Ik hield van landgoederen en kastelen en daarvan zijn er best veel in Nederland.

‘Zorgeloos en prettig was het. Geen van beiden praatten we over een toekomst, er was geen ideaal waaraan hij moest voldoen, want alles waar de perfecte partner aan zou moeten voldoen, had ik nooit onder woorden gebracht. We leefden van uitje naar uitje en leerden elkaar en passant steeds beter kennen. We voelden elkaar aan en snapten elkaar. Freek was als eerste verliefd, ik werd dat na enkele weken. 21 en 20 jaar waren we.

Goedaardig gezwel

‘Maar na drie maanden kreeg ik verlammingsverschijnselen in mijn benen en blaas. Ik bezocht een uroloog en een neuroloog die me doorverwezen naar het academisch ziekenhuis in Rotterdam. De contrastvloeistof die ik kreeg ingespoten, veroorzaakte een enorme pijn. Er bleek een goedaardig gezwel in de weg te zitten.

‘De dag erop werd ik meteen geopereerd, en daarna met een ambulance teruggebracht naar Eindhoven. Daar vertelde de neuroloog dat ik een dwarslaesie had en nooit meer zou kunnen lopen. Zelf had hij de klus te riskant gevonden; hij had gedacht dat ze in Rotterdam capabeler waren.

‘Ik herinner me mijn onbedaarlijke huilbui goed. Toen Freek even later op het bezoekuur verscheen, vroeg ik: ‘Hoe moet het nu met ons?’ En hij antwoordde: ‘Ik ben toch niet verliefd geworden op je benen?’ Vervolgens hebben we het er nooit meer over gehad.

‘Er zijn ongetwijfeld familieleden en anderen in zijn omgeving geweest die hem in de jaren erna hebben gevraagd: Zou je niet eens verder kijken, een vrouw in een rolstoel, weet je het zeker, je bent nog zo jong? Maar zelf is hij er nooit op teruggekomen, mijn handicap is simpelweg geen issue geweest. In de veertien maanden dat ik in Hoensbroek in een revalidatiekliniek verbleef, kwam hij me elke vrijdagavond halen en bracht hij me zondag weer terug. Bijna alsof mijn verblijf daar een vrijwillige keuze was die we samen hadden gemaakt, zoals je werkt in het buitenland en dan tijdelijk een weekendrelatie hebt.

‘Zielig heb ik me niet gevoeld. Hij hielp me waar nodig, niet uit medelijden of plichtsbesef, maar uit liefde. En ik weet hoe sleets dit woord is, afgevlakt door grootgebruik, maar in ons geval was die echt en eerlijk. De liefde stroomde ongeremd en was er gewoon. Altijd.

‘Hij zei eens: ‘Zolang je psychisch niet verandert, komt het helemaal goed.’ Eén keer ontvoerde hij mij met bed en al, en reed me naar buiten, waar hij uit het zicht van anderen het bed in de struiken op de rem zette, zodat we lekker konden vrijen. En op zondagavond, terug in het duffe revalidatiecentrum tussen al die oude mensen, kroop hij gewoon bij mij op mijn rolstoel waar we knuffelend afscheid namen.

Afgedwongen

‘Ik herinner me nog goed de bitse opmerking van de hoofdverpleegkundige de volgende ochtend: ‘Die rolstoel is niet gemaakt voor twee personen.’ Weinigen die in ons geloofden. Hij ging voor een maandenlange stage naar het buitenland. Eigenlijk zou ik hem daar opzoeken, dat was het plan, maar dat ging nu niet. ‘Reken er maar niet op dat hij terugkomt’, waarschuwde de verpleging mij, ongetwijfeld met de beste bedoelingen. Maar ik heb nooit getwijfeld, eigenlijk zijn er geen lastige momenten geweest. Wij hoefden elkaar maar aan te kijken om te weten wat de ander dacht.

‘Heb ik geluk gehad of hebben we samen het geluk afgedwongen? Natuurlijk was het een enorm geluk om iemand tegen te komen die zo gek op me was en bleef. Mijn pech was mijn lijf, maar mijn geluk was Freek. Wat onze relatie kenmerkte, was luchtigheid en gelijkwaardigheid. Zijn maandenlange verblijf elders en later de lange reis die hij maakte met mijn broer, hebben nooit ter discussie gestaan omdat ik niet zonder zijn hulp zou kunnen.

‘We hebben elkaar nooit door de ander laten belemmeren. Andersom stimuleerde hij me in mijn ambitie om het onderwijs in te gaan, wat uiteindelijk lukte: een juf in een rolstoel kon kennelijk wel. Toen ik een aangepaste auto kreeg, zette hij me gewoon op straat. ‘Ga nou maar.’ En natuurlijk lukte het me prima om een invalidenparkeerplek te bemachtigen en mijn rolstoel van de achterbank te halen, en kwam ik enthousiast thuis met verhalen over weer een nieuw herwonnen deel van mijn vrijheid.

‘Ik ging graag naar concerten en bioscopen en dat deed ik in mijn eentje, want hij had niks met kunst en cultuur. En daar was niets sneus aan. Het is pas sneu als je iemand meesleept naar weer een tentoonstelling waar hij niet naartoe wil. Nu kwam ik terug met beschrijvingen van wat ik gezien had en daar werd hij wel blij van.

‘We kregen twee kinderen. Zelfs de docenten op de mytylschool waar ik werkte waren verbaasd dat dit kon. Maar vrijen ging heel goed. We moesten alleen andere houdingen uitvinden, zoals ik elk onderdeel van het leven opnieuw moest uitvinden – hoe vervoer je met je rolstoel je boodschappen bijvoorbeeld als je twee handen nodig hebt om te rijden? En toen dus: hoe verzorg je je baby?

‘Freek maakte een babybedje met een deurtje, zodat ik ze zonder hulp in bad kon doen en kon verschonen. En toen ze konden kruipen, trok ik ze broekjes aan met kruisbanden op de rug, zodat ik ze met een hand kon grijpen.

‘54 jaar zijn we samen geweest. Op 6 februari dit jaar overleed Freek. We bespraken altijd alles, maar dit had hij niet aangekondigd. Zelf zal ik binnen enkele weken ook sterven. Ik kom mijn bed al haast niet meer uit. Als ik aan hem denk, zie ik ons wandelend door het bos. Altijd liep hij naast me, nooit achter de rolstoel. Het moet een koddig gezicht zijn geweest, die man van bijna twee meter naast dat kleine vrouwtje op wielen, hand in hand.’