Adamo treedt al zestig jaar op, zaterdag staat hij in Rotterdam: ‘Als ik optreed, lijkt het alsof ik opstijg’
Salvatore Adamo heeft koude handen, en zodoende kan hij nog niet zijn gitaar beroeren, zittend op de bank in zijn villa in Ukkel, net onder Brussel.
‘Voel maar’, zegt de 82-jarige Belgisch-Italiaanse zanger, en steekt zijn handen uit.
‘Zal ik ze opwarmen?’, probeer ik, in de hoop dat dit potentiële privéoptreden van Adamo me niet door de neus wordt geboord.
En zo zitten we even op de bank, mijn handen om de zijne, terwijl het buiten onweert en zijn vrouw Nicole een perentaartje serveert.
Zuinig op zijn stem
Zijn stem is op orde vandaag, al heeft hij een korte nacht achter de rug. Hij moet zuinig zijn op zijn stem, weet hij. Sinds hij in Chili vier jaar geleden per abuis in een demonstratie terechtkwam die uiteengedreven werd met traangas, heeft zijn stem het niet makkelijk, en leek zelfs even verdwenen te zijn.
Je moet er niet aan denken, de zwijgende Adamo.
Er was een liedje dat per se af moest, vandaar die summiere nachtrust. Hij kon de goede woorden niet vinden. Met een oeuvre van meer dan vijfhonderd liedjes is er de vrees eerder gehanteerde beeldspraak te gebruiken.
Het overkomt hem ook regelmatig dat hij gaat slapen, opeens midden in de nacht wakker wordt en… floep, daar is zomaar een liedje. Dan pakt hij zijn iPhone, zingt wat en legt zijn hoofd weer op het kussen, om de volgende ochtend bij het ontwaken te bemerken dat hij het zomaar kan afmaken, tekst en muziek.
‘Het is een mysterie’, zegt hij in het Engels, de taal die hij beter spreekt dan Nederlands. ‘Het is alsof zo’n song me wordt aangereikt uit een ander universum.’
Hij kijkt ernaar uit om weer op te treden, zoals in Rotterdam. Na allerlei perikelen met zijn gezondheid zegt hij er weer helemaal bovenop te zijn. Er zit zelfs weer een dansje in zijn benen, maar op ‘een achterwaartse, driedubbele salto’ hoeft het publiek niet te rekenen.
‘Voor mij is het een geschenk uit de hemel om op een podium te staan’, zegt hij uitbundig. ‘Ik heb niet meer de leeftijd om te werken, maar ik heb nog wel de leeftijd om te genieten. Als ik optreed, lijkt het alsof ik opstijg. Soms ben je ziek, of moe, en dan zet je de eerste stap op het podium en dan is alles goed. Het is elke keer een wonder, die genegenheid van het publiek.’
Gesuikerd werk
Mensen in Nederland denken – althans, dat denkt hij – dat hij die zanger is van het liefdevolle, melancholische werk. Van gesuikerd werk uit de jaren zestig als Tombe la neige, Les filles du bord de mer en vooral Vous permettez, monsieur.
Dat is ook niet heel verwonderlijk. Afgezet tegen het gouden rijtje van het chanson – Charles Aznavour, George Brassens en Jacques Brel – nam hij de positie in van de lichtvoetige, jongensachtige romanticus, met de keurige scheiding in het haar. Het barokke, theatrale, anarchistische, rauwe of cynische van dat drietal leek niet aan Adamo besteed. Jacques Brel noemde hem ‘de tedere tuinman van de liefde’.
Dat hij zo zoetgevooisd geoormerkt is bij ‘de Hollanders’ heeft ook te maken met dat knuffelige televisieoptreden in Voor de vuist weg van Willem Duys in 1964. Adamo zou daar een gouden plaat ontvangen voor Vous permettez, monsieur.
Zijn vader vond het een puik plan om hem met het hele gezin te vergezellen, en het programma wilde hen allemaal op de studiovloer. Dus daar stond Adamo, omgeven door zijn ouders, broer en vijf zussen in het volle spotlicht, een lieflijk tableau vivant. De single schoot pardoes naar platina en werd de bestverkochte single van het jaar.
‘Heel Nederland werd verliefd op ons gezin’, zo vat hij deze gebeurtenis samen.
Protestzanger
Ja, en dat is één kant van deze Adamo. De andere kant is de man die moet schrijven over de actualiteit, en zich zorgen maakt over de toekomst. Zeg maar Adamo, de protestzanger. ‘Ik moet liedjes schrijven over de oorlog’, zegt hij. ‘Ik kan me niet voordoen alsof ik op een wolk leef, los van alles. Het is voor mij een manier om eerlijk te zijn. Als ik het niet doe, zou me dat een gevoel van bedrog geven. Je kunt niet alleen zingen dat alles roze is, vol liefde en vriendschap. Ik ben een dromer, maar wel met mijn voeten op de grond.’
Wie deze geëngageerde afslag in zijn oeuvre neemt, treft een al decennialang kritische houding tegen ongelijkheid, oorlogen, religieus geweld en racisme.
Het begon midden jaren zestig met een regel die hij las in een verhaal van de Amerikaanse schrijver Ernest Hemingway – ‘er wordt altijd wel ergens gevochten’ – waarna hij On se bat toujours quelque part schreef. Hij waarschuwde voor de atoombom in La complainte des élus en wees zijn toehoorders op de gruwelen van de Vietnamoorlog in Tout le long du Mekong.
In Manuel keerde hij zich in de jaren zeventig tegen het fascistische Spanje van dictator Franco, in Vladimir (1980) tegen de onderdrukking van dissidenten in de Sovjet-Unie. De l’autre côté du pont (1995) gaat over een tragische liefdesaffaire tijdens de Balkanoorlog. En op zijn half jaar geleden verschenen album, Des nèfles et des groseilles, zingt hij over het lot van de bootvluchtelingen, in Migrant.
‘Het waren andere omstandigheden, maar ook mijn ouders waren migranten. Ze lieten de dood niet achter zich toen ze vertrokken uit Sicilië, maar wel de ellende. Migreren is nooit een pretje, het blijft een wond. Toen ik enkele jaren geleden dit nummer schreef, stierven er legio migranten op zee.
‘Nu lijkt de vluchtelingenproblematiek naar de achtergrond te zijn gedrongen, maar het is niet weg. Ik had het plan om met een stel zangers Migrant op te nemen, als statement. Helaas, dat lukte niet om de collega’s bij elkaar te krijgen.’
Midden-Oosten
Maar Adamo’s aller-allermooiste nummer, zowel scorend in de categorie ‘melancholie’ als in het vakje ‘maatschappijkritisch’ is Inch’Allah, een aanzwellend, magistraal gearrangeerd lied uit 1967 dat hij schreef over de gewapende strijd in het Midden-Oosten, net voor het uitbreken van de Zesdaagse Oorlog.
Samen met zijn manager liep hij in het najaar van 1966 door Jeruzalem en bezocht het Martelarenbos voor de slachtoffers van de Shoah. Hij zag in de tuin van Getsemane de Olijfberg. Zijn poëtische ader ging open door een vlinder op het prikkeldraad, nabij een bewakingspost.
Het lied kwam vanzelf, in het hotel schreef hij de eerste regels, en een paar dagen later, op het strand van Eilat, met de gitaar in de hand, voltooide hij Inch’Allah. Toen hij het nummer voor de allereerste keer speelde, in een afgeladen Olympia in Parijs, hield het publiek niet meer op met klappen.
Vijf maanden later was het oorlog in het Midden-Oosten, Israël in gevecht met Jordanië, Syrië en Egypte. ‘Voor mij was het als een vredeslied bedoeld, zonder een kant in het conflict te kiezen. Vandaar ook de titel: Inch’Allah, als God het wil. Maar de Arabische staten deden het in de ban en Israëlische soldaten zagen het als een strijdlied.
‘Na de Oslo-akkoorden in 1993 heb ik wat aanpassingen gedaan, om het nog neutraler te maken. Op het einde zing ik nu: het is een requiem voor de miljoenen zielen die zijn omgekomen aan beide kanten van het drama. Genoeg bloed. Vrede, alstublieft. Salam, Shalom.’
‘Maar ook die versie leidde tot problemen: nu was een fanatieke pro-Israëlische website weer boos. Ik werd bang door mijn eigen lied. Omdat je het nooit goed kunt doen. Ook daarover heb ik een nummer geschreven: Mon douloureux orient, ‘Het pijnlijke oosten’. Omdat ik hoop dat de kinderen van Jahweh en Allah in vrede met elkaar leren leven. Maar ja, ik ben een zanger, geen politicus. Liedjes zijn als luchtbellen: de een wil haar vangen en de ander niet.’
A capella
Adamo is in de keuken om een boterham te eten, en het is een wonderlijke ervaring om die uit duizenden te herkennen, hoog-hese stem door het huis te horen zoemen. Het is a capella, begeleid door mes en vork.
Als 11-jarige werd hij weggestuurd van het kerkkoor, vanwege die stem. De pastoor oordeelde: te bibberig, te hoog bovendien. Iets in hem verzette zich tegen deze afwijzing. Hij was opgegroeid in een huis met muziek, en buiten lag de rock-’n-roll voor het grijpen. Elke avond klonken uit de radio chansons en Italiaanse liedjes, en zijn vader zong mee uit volle borst.
Dus toen hij op het marktplein van Jemappes, het Waalse plaatsje waar hij is opgegroeid, een podium zag voor een zangwedstrijd, sprong hij erop en zong L’ amour est un bouquet de violettes van Luis Mariano. ‘Ik won 2 kilo chocolade. Mijn ouders geloofden niet dat ik dat eerlijk had gewonnen’, zegt hij weer terug op de bank in de woonkamer.
Zijn vader verbood hem om te zingen. Hij wilde dat Adamo naar een goede school ging, om niet zoals hij in de mijnen terecht te komen. Toch deed hij mee aan een wedstrijd van Radio Luxemburg, die hij ook nog won. ‘Toen hij me hoorde zingen op de radio, begon hij te huilen. Hij kon zijn oren niet geloven. Vanaf dat moment steunde hij me.’
Doorbraak
Platenproducers wilden van hem de nieuwe Rocco Granata maken, ook Italiaans-Belgisch, of in het Engels laten zingen. Het succes bleef uit. Totdat de eigenaar van de platenzaak in Jemappes, tevens accordeonist, hem ging helpen, met een door Adamo zelf geschreven liedje: Sans toi ma mie. Het werd in 1963 zijn grote doorbraak, breed uitwaaierend naar Frankrijk en Nederland.
‘Drie jaar leefde ik in een droom’, zegt hij. ‘Ik had hit na hit, zong in het Engels, Duits, Italiaans, Spaans, Nederlands en Portugees. Ik was zelfs al beroemd in Japan. Al die tijd zorgde mijn vader voor me, als mijn steun en manager. Tot die dramatische dag, ik was er niet bij toen het gebeurde. Hij was op het strand met familie in Sicilië. Mijn zus en nichtje deden zogenaamd alsof ze in moeilijkheden waren in de zee. Mijn vader dacht dat het echt was en kreeg een hartaanval in het water. Eigenlijk was zijn overlijden één groot misverstand.’
In opgewarmde staat pakt Adamo zijn gitaar op en laat zijn handen over de snaren gaan. Hij vertelt autodidact te zijn, want na drie lessen was het geld op in het mijnwerkersgezin. In 1968, op het hoogtepunt van zijn roem, koos hij voor een pauze, en reisde naar Los Angeles.
Daar nam hij gitaarlessen bij een man die geen idee had wie hij was. Die leerde hem Yesterday spelen, en toen hij zijn stem hoorde, zei de muziekleraar: ‘Je moet hiermee doorgaan, you got soul.’ Na terugkeer stuurde hij hem een paar van zijn platen op, en kreeg per ommegaande een reactie: ‘Amen! Je hebt me helemaal te grazen genomen.’
Ja, over The Beatles, zijn concurrenten van toen, kan hij nog wel een daverende anekdote uit de mouw schudden. Eind 1966 mocht hij vier nummers opnemen in de Abbey Road-studio in Londen, met zijn eigen arrangeur, Alain Goraguer. Hij zat in Studio A, The Beatles in Studio B. Zijn manager was in het gebouw Beatles-producent George Martin tegengekomen, en die zei: ‘Als Adamo The Beatles wil begroeten, moet hij gewoon even langskomen.’
‘Weet je wat er gebeurde toen ik de deur van Studio B opendeed? Ik hoorde de Marseillaise spelen. Mijn manager zei tegen me: ‘Hoor eens wat aardig! The Beatles denken dat je Frans bent, en spelen daarom speciaal voor jou het volkslied.’ Ik was daar zes maanden van overtuigd. Totdat ik een half jaar later All You Need Is Love op de radio hoorde, inclusief dat intro van de Marseillaise.’
Droom
Het tekent zijn naïviteit, zegt hij, en die heeft hij nooit verloren. ‘Ik heb iets van mijn kindertijd behouden. Ik kan altijd verbaasd zijn over wat me overkomt. Zoals de eerste keer in Chili, ik geloof dat het eind jaren zestig was. Dat ik aankwam op het vliegveld, en er een auto bij de trap voor mij klaarstond. Er stonden duizenden en duizenden mensen om me te begroeten. Ze tilden de auto waar ik in zat omhoog. Ik dacht dat ik droomde.’
Hij pakt zijn gitaar stevig vast en laat eerst fonetisch horen hoe Inch’Allah in elkaar steekt: ‘Tum tum tum tum tum tum. Dan: da da da da da da da da. Weer terug naar: doem doem doem doem doem.’
En dan vult die stem die schuurt van zachtheid de woonkamer van de familie Adamo – en iedereen zou dit moeten horen. De ogen van de 82-jarige glimmen alsof hij Inch’Allah voor het eerst speelt.
Het eenmanspubliek houdt de kussens van de bank wat steviger vast, in de vrees te zullen opstijgen. De regen slaat tegen de ramen, en ook binnen blijft het niet droog.
‘Zo, die krijg je cadeau’, zegt hij als hij klaar is, en hij legt zijn gitaar op de bank.
Denk nou niet de o zo bescheiden Adamo opeens hoog van de toren gaat blazen, als hij zegt te weten dat zijn liedjes indruk maken op de mensen.
‘Ik ben trots op wat ik heb bereikt. Je weet: ik ben dichter bij het einde dan bij het begin. Ik hoop alleen dat als het pijnlijk wordt, te pijnlijk om te horen of gezien te worden, dat mijn familie, mijn kinderen, mijn vrouw, mijn vrienden het me zullen vertellen. ‘Salvatore, je kunt nu beter stoppen.’ Want echt, dat kan ik nooit zelf beslissen.’
Lees ook
Geselecteerd door de redactie
- v-plusinterview
‘Het is nu veel fijner om Stromae te zijn’
- pop★★★★☆
De charmante Zaho de Sagazan zingt haar chansons met zeldzame kracht, geplaatst in een futuristisch klankdecor
- PostuumArno Hintjens (1949-2022)
Rockzanger Arno Hintjens bracht chansons alsof de wereld geen Gainsbourg en Brel had gekend
- v-plusReportage
Deze heren zijn trots op hun kast vol cd’s: ‘Mensen vragen: zit jij misschien ergens op het spectrum?’