Home   2026-10-22 19:56:51

←

Achter elke gevel, elke deur en elk raam gaan bijzondere verhalen schuil : tussen mensen en huizen kan liefde opbloeien

Original article

Mijn ouwe kamer heet het Kinderen voor Kinderen-liedje dat zich in 1986 – ik was 8 – in mijn hoofd nestelde. Het gaat over een meisje dat verhuisd is naar een ‘splinternieuw huis’ en zich daar niet thuis voelt. Gezeten in haar nieuwe kamer (‘ik heb zelluf mogen kiezen, welke kleuren, welk behang’) denkt ze aan haar oude huis. Dat kan vast niet wennen aan de nieuwe familie die het kocht – en de hele boel nu verbouwt en overschildert ‘in zo’n achterlijke kleur’.

Ik vind het zielig voor ons huis / Als je begrijpt wat ik bedoel. Want al zijn ze dan van steen / Huizen hebben ook gevoel, klonk het refrein.

De gedachte dat een huis gevoel heeft, is niet kinderlijk; ook volwassenen ervaren dat stenen muren tot leven kunnen komen. Al sinds de klassieke oudheid geven we menselijke eigenschappen aan gebouwen; we stemmen de maatvoering af op onze anatomie, zien gezichten in gevels, geven namen aan huizen, en we verbinden ervaringen, emoties en herinneringen aan ruimtes en plekken, waardoor die persoonlijke betekenis krijgen.

Het ‘levende’ huis als drager van herinneringen is een favoriet motief in film en literatuur. Denk aan Christien Brinkgreves succesroman Beladen Huis (2025), waarin zij rouwt om haar overleden man en reflecteert op hun – ingewikkelde – relatie en de rol die ruimtes daarin spelen. Haar eerste koophuis, waar ze als vrijgezel intrekt, beschrijft ze als ‘een vertrouwde vriend die geborgenheid bood, of meer nog, iets als een eigen lichaam’. Dit in tegenstelling tot het huis uit de titel, waar ze later met haar gezin woont; dat ‘werd nooit een ademend organisme’.

Villa Kakelbontachtig huis

Of neem het Noorse familiedrama Sentimental Value (2025, Joachim Trier), over een familiehuis vol pijnlijke herinneringen, waar een oude regisseur na jaren weer contact zoekt met zijn volwassen dochters. In de openingsscène – een flashback – zien we dat de oudste dochter, Nora (Renate Reinsve), als meisje al een bijzondere connectie heeft met het rode, Villa Kakelbontachtige huis. Ze vraagt zich af ‘of de vloerplanken het fijn vinden als erop getrapt wordt, en of het huis liever vol of leeg is’. Vol, vermoedt ze, aangezien er al zo veel mensen en huisdieren hebben gewoond. Haar betovergrootvader stierf in de slaapkamer op de eerste verdieping; dezelfde kamer waar haar oma werd geboren en haar ouders sliepen.

Terwijl de voice-over dit vertelt, beweegt de camera langs de scheur in de keldermuur, die helemaal naar boven doorloopt. Volgens vader is die ontstaan door een fout bij de bouw, maar Nora denkt dat het komt door de spanningen in de familie.

Achter elke gevel, elke deur en elk raam gaan bijzondere verhalen schuil – die ons evenwel makkelijk ontglippen. Zo krijgt het huis uit Sentimental Value aan het eind van de film een make-over; met het witte strak-moderne interieur worden de tastbare sporen van het verleden uitgewist. Zo gaat het vaak in de praktijk van alledag; bij een verhuizing of verbouwing wordt het hele interieur eruit gesloopt, of nog erger, het huis gaat tegen de vlakte.

Bron Beeld: Nationaal Archief / illustratie: Studio Pong

Monumentenzorg

Natuurlijk, er bestaat monumentenzorg voor gebouwen die een bepaalde periode, een bouwstijl of een bijzondere geschiedenis vertegenwoordigen; denk aan het Anne Frank Huis.

En er is de klimaatbeweging die zich verzet tegen sloop, om de productie van CO2 en afval in de bouwsector te stoppen. Maar voor de persoonlijke herinneringen die in alledaagse gebouwen besloten liggen, is weinig aandacht.

Kan dat niet anders? Het is een vraag die architect en filmmaker Yannick Warmerdam bezighoudt. Ik ontmoette hem begin dit jaar in de Filmhallen Amsterdam, tijdens het door hem georganiseerde evenement Thuis, een ‘onderzoek’ naar de gevoelige band tussen mensen en huizen. Aanleiding was de presentatie van Warmerdams animatiefilm Ker Enaz (verbasterd Bretons voor ‘eilandhuis’), waarin hij huizen verbeeldt als levende wezens met vleugels, die ’s winters neerstrijken bij (dakloze) eilanders om door hen te worden bewoond.

Na de film gaf Jacob Voorthuis, hoogleraar in de filosofie van de gebouwde omgeving, een voordracht over waarom we huizen als levend kunnen ervaren: door de aandacht en zorg die ontwerpers en gebruikers eraan geven. ‘Het is aangetoond dat de innige relatie tussen de musicus en zijn instrument, tussen de vakman en het gereedschap van zijn geliefde ambacht verhoudingen zijn die neurologisch vergelijkbaar zijn met die van liefde tussen mensen’, aldus Voorthuis. Tussen mensen en gebouwen kan een soortgelijke liefde groeien.

Waardeloze spullen

Warmerdam had schrijfster Bibi Dumon Tak gevraagd om voor te lezen uit haar novelle Rimpeling (2024). Daarin wordt het verhaal van een vrouw verteld aan de hand van haar huis, dat ‘als een schors om zijn bewoonster heen gegroeid’ is. Haar dierbaarste bezit is een houten doosje ‘vol waardeloze spullen’, waaronder een knikker, ‘de halsband van de hond die ze liever had dan welk dier ook’, het stompje van een potlood, losse kralen en een bankbiljet uit België – een vodje ‘omdat haar vader had gezegd dat schone bankbiljetten geen verhalen in zich meedroegen’.

In het doosje ‘zat haar jeugd’, schrijft Dumon Tak. ‘Wanneer haar geheugen haar in de steek zou laten – en die dag zou echt wel komen – dan had ze altijd haar doosje met herinneringen nog.’

Zelf koestert Warmerdam levendige herinneringen aan de woning waarin hij opgroeide. ‘Ik voel nog de koude stenen vloer van de hal onder mijn blote voeten, als ik vanuit mijn slaapkamer naar beneden liep, en vervolgens in de warme woonkamer stapte. Die hal was allesbehalve perfect, maar versterkte het gevoel van thuis.’

Hij wilde leren hoe je een thuisgevoel kunt creëren, ging bouwkunde studeren aan de TU Delft en ging vervolgens aan de slag bij een bureau. Daar tekende hij aan seriematige woningbouwprojecten. Het was niet wat hij ervan verwacht had. ‘Ik dacht vooral na over vierkante meters, parkeernormen en energiescores, en maar weinig over de plek of de mensen.’ Warmerdam stopte bij het bureau om te werken aan zijn film en zich toe te leggen op kleinschalige verbouwingen voor particulieren.

Hoe hij dat aanpakt? Hij haalt het invloedrijke boek Genius Loci (‘de geest van de plaats’) aan, van de Noorse architect Christian Norberg-Schulz (1926-2000). Die stelt dat het de taak van de architect is om de mens te helpen wonen, door een verbinding te creëren met de plek. Warmerdam noemt als voorbeeld een oud huis in Italië, waar hij als kind op vakantie was met zijn ouders. ‘Met zijn dikke, koele stenen muren voelde het als een soort grot in de zinderende hitte. Het had een enorme sfeer, en vertelde tegelijk veel over de plek, het klimaat en de bouwmaterialen die voorhanden waren.’

gBron Beeld: ANP / Illustratie: Studio Pong

Bloemkoolwijk

Simpel gezegd, ontwerpt hij ‘met respect voor wat er is’. ‘Toen bewoners van een huis in een bloemkoolwijk mij vroegen voor een aanbouw, was mijn eerste reactie: waarom zou je dit huis nog groter maken? Toen ik doorvroeg, bleek dat ze vooral een hogere ruimte en meer daglicht wilden. Door een stuk vloer en een muur weg te halen, heb ik die ruimte gemaakt, waarbij de oude vloerbalken in het zicht zijn gelaten.’

Bouwen ‘in de geest van de plek’ is vandaag de dag niet makkelijk. Vroeger moesten mensen werken met wat er lokaal beschikbaar was, nu kun je elk denkbaar bouwmateriaal bestellen. In plaats van dikke stenen gevels die de hitte buiten houden, maken we gebouwen met veel glas, die we koelen met airco’s. Voor de inrichting laten bewoners zich veelal leiden door beelden op Instagram.

Dat laatste is althans wat de Belgische architecten Laura Muyldermans en Bart Decroos zien. ‘Er heerst een copy-paste-houding: ik zou ook wel zo’n keuken willen; de digitale wereld kent geen context’, zegt Muyldermans. ‘Daarbij is er een continue stroom van nieuwe beelden’, vult Decroos aan. Het tweetal verzet zich tegen deze ‘objectmatige’ kijk op architectuur, en het idee dat we naar believen interieurs in de container kunnen flikkeren. Muyldermans: ‘Wij nodigen bewoners uit om in gesprek te gaan met hun huis.’

Ze bedachten een plan om ‘een stem te geven aan stenen en muren’: het Register van Bouwbiografische Portretten, dat eind 2025 werd gepresenteerd in het Stadsarchief van Brussel.

Hun grote inspiratiebron is de Franse schrijver en socioloog Georges Perec, die de materiële cultuur onderzocht. In zijn roman De Dingen (1965) portretteert hij de bewoners van een oud flatgebouw in Parijs door minutieus al hun spullen te beschrijven. Toen Muyldermans en Decroos in 2023 gevraagd werden om een bijdrage te leveren aan een boek over de Belgische architect Aurélie Hachez, vroegen ze de bewoonster van een door Hachez ontworpen woning te schrijven vanuit het perspectief van het huis. ‘Die bewoonster mailde nadien hoe dankbaar ze was om op deze manier naar haar huis te kijken’, vertelt Decroos. ‘Ze had er nog meer waardering voor gekregen.’

Ze besloten om dit idee verder uit te werken en zo ontstond het Register van Bouwbiografische Portretten. Dat omvat nu zeventien gebouwen waarvoor een biografie is opgesteld, bestaand uit drie onderdelen annex formulieren. Het eerste is een ‘identiteitskaart’ met feitelijke informatie: roepnaam, geboortedatum, gewicht, familieleden (gebouwen van dezelfde architect), het aantal bouwlagen, de geur die het gebouw oproept, hoeveel mensen erin gewoond hebben en welke verbouwingen het heeft ondergaan.

Bron Beeld: Getty / illustratie: Studio Pong

Op het tweede formulier beschrijven de huidige bewoners drie karakteristieken. Zo is het herenhuis aan de Broustinlaan in Brussel – een jarentwintigpand met art-nouveaudetails en eiken parketvloeren – ‘ijdel, getekend en ontvankelijk’. Het heeft ‘een panische angst om volgestouwd te worden met minder nobele materialen die niet mooi verouderen of te schreeuwerige kleuren die alle aandacht vragen’.

Angst die vermoedelijk is ontstaan doordat de vorige bewoners – een zakenman en een fotomodel – het huis met veel blingbling hebben verbouwd. Zo kreeg het een spierwitte serre, een knaloranje hoogglans keuken en verdiepingshoge inbouwkasten van tropisch hardhout, wat voelde als ‘gedwongen plastische chirurgie’.

De huidige bewoners, die er sinds 2007 wonen en het huis willen renoveren, twijfelden al lang: moesten ze de littekens accepteren of deze wegwerken met weer een grote verbouwing?

Op het derde formulier komt het gebouw zelf aan het woord, via een ghostwriter; in dit geval de Belgische schrijver Tijl Nuyts, die afgelopen voorjaar de Vlaamse literatuurprijs De Boon won voor zijn debuutroman Grondwerk. Het huis heeft duidelijke wensen:

Ik wil een badjas over een stoel,
een hangplant die moet drinken,
ik wil zachte stukjes zeep en schelpen, vocht
dat in voegen dringt. Geef me zoveel mogelijk
verfomfaaide handdoeken en pedaalemmers,
gespikkelde bananenschillen, kattenbelletjes
op de keukentafel en herinneringen
aan oma’s bloempotten op de vensterbank.

Bewoon me. Bewaar me. Breek mijn buik
vol tussenruimtes niet open,
behoud de donkere passages
waarin bewoners ooit bewogen,
schimmen die vervaagden
en de nieuwe lichamen
die me bezoeken, me opmeten,
mijn wanden bevoelen en mijn ramen
openen, de bries binnenlaten.

Van de formulieren hebben Muyldermans en Decroos onlangs certificaten laten maken, die de bewoners van de gebiografeerde gebouwen in of aan hun pand gaan bevestigen; zo kunnen bezoekers ook kennisnemen van de opgetekende vertellingen. De eigenaresse van ‘Broustin’, zoals zij het herenhuis noemt, heeft de drie panelen als eerste opgehangen – pal naast de voordeur in de hal. Trots toont ze, tijdens een bezoek aan de Broustinlaan, eind september, het drieluik; ze spreekt van ‘een cadeau’. Maar het meest blij is ze met de gesprekken die ze over de teksten voerde, en hoe die de renovatieplannen hebben beïnvloed.

Terwijl ze voorgaat naar de woonkamer op de eerste verdieping, vertelt ze dat de kleinkinderen door het hele huis spelen, er familiediners worden gehouden, maar dat zij zich als bewoners ook graag terugtrekken in hun eigen hoekje. Ze heeft ontdekt dat ze, meer dan aan de esthetiek, hecht aan het gebruik van de ruimtes. En uiteindelijk besloten om de inbouwkasten te behouden, maar een nieuwe serre en keuken te plaatsen, passend bij de oorspronkelijke bouwstijl. ‘Onze wens is een huis met meer harmonie’, aldus de bewoonster.

In 2030 gaan alle gebouwbiografieën naar het Stadsarchief in Brussel, waar iedereen ze kan raadplegen. Muyldermans en Decroos willen ook een kopie toevoegen aan de koopakten van de betreffende panden. Daarnaast laten ze in elk gebiografeerd huis een set lege formulieren achter voor volgende eigenaren, met een doordrukformulier dat opgestuurd moet worden naar hun Register. Op deze manier blijven de teksten toegankelijk, en worden nieuwe bewoners aangespoord om verder te schrijven aan het verhaal van het gebouw. Want het is belangrijk om herinneringen te bewaren, maar ook om nieuwe te maken.

Het meisje uit Kinderen voor Kinderen beseft dat; aan het eind van het liedje gaat ze aan de slag in haar nieuwe kamer. Die voelt zich met zijn onbekende bewoner immers ‘net zo rot als ik’. ‘Daarom word ik goeie maatjes / met de kamer om me heen. Hebben we een beetje aanspraak / Zijn we geen van twee alleen.’

Ze hangt posters aan de muur, zet alle poppen op het bed, een gatenplant in de hoek, en legt haar kleren op de stoel voordat ze haar kamer ‘goeienacht kust’.

Er is geen groots design nodig om een memorabele plek te maken.

Wie zelf een biografie wil maken van zijn gebouw, kan een formulier opvragen via register@bouwbiografie.be.