In de ene wijk zijn mensen beter bestand tegen hitte dan in de andere
Niet alleen overlijden in steden meer mensen door de hitte dan daarbuiten, ook zijn er binnen steden tussen wijken duidelijke verschillen in oversterfte tijdens een hitteperiode. Tijdens koude is er meer oversterfte in de noordelijke gemeenten, Limburg en Zeeuws-Vlaanderen dan in de rest van Nederland.
Dit blijkt uit onderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), dat vrijdag is gepubliceerd in het vaktijdschrift Environmental Epidemiology. „Tot nu keken we vooral op landelijk niveau naar het verband tussen temperaturen en oversterfte”, zegt RIVM-onderzoeker Jochem Klompmaker bij een perspresentatie. „Voor het eerst hebben we nu onderzoek gedaan naar verschillen tussen gemeenten en tussen wijken.”
Bij elke gemeente en wijk heeft het RIVM ook gekeken naar gegevens over bijvoorbeeld inkomen, gasverbruik en bomendichtheid, maar vond daarin geen verklaring voor de lokale verschillen in oversterfte. Sterfte komt tijdens een koude periode iets vaker voor bij mensen met een lager inkomen. „In de gebieden met meer koudegerelateerde sterfte is er mogelijk sprake van energiearmoede”, zegt Klompmaker, dus van inwoners die te weinig geld hebben om hun woning voldoende te verwarmen.
Hittegolven van afgelopen zomer
Door de hittegolven van afgelopen zomer is de publieke aandacht recentelijk vooral uitgegaan naar mogelijke hittedoden. Tijdens deze zeer warme dagen overleden in Nederland – en elders in Europa – gedurende enkele weken meer mensen dan gebruikelijk in deze periode van het jaar. Of deze oversterfte echt werd veroorzaakt door de warmte staat niet vast, maar „dat de hitte hierin een rol speelt is zeer aannemelijk”, schreef het RIVM in juli.
Voor dit onderzoek heeft het RIVM gekeken naar de jaren 2010 tot en met 2019 – vóór het uitbreken van de coronapandemie. Over deze periode hebben de onderzoekers voor elke wijk en elke gemeente de dagelijkse sterfgevallen en de temperaturen verzameld. Vervolgens hebben de onderzoekers bij elke wijk en elke gemeente een sterfterisico geschat voor alle temperaturen. Ten slotte is een schatting gemaakt van de gemiddelde dagtemperatuur waarop het sterfterisico in een wijk of gemeente het laagst is, de zogeheten minimale mortaliteitstemperatuur.
Deze minimale mortaliteitstemperatuur verschilt sterk tussen gemeenten en zelfs tussen wijken. In delen van Limburg ligt die rond de 22 graden, terwijl die bijvoorbeeld in delen van Flevoland rond de 17 graden ligt. Dat betekent dat inwoners van Flevoland eerder last krijgen van de warmte dan die van Limburg. „Daar is mogelijk sprake van acclimatisatie: het lichaam, maar ook de omgeving, zijn wellicht iets beter aangepast aan hogere temperaturen”, zegt Klompmaker. Dat deze anker-temperatuur in Limburg ook hoger ligt dan in het nabijgelegen Noord-Brabant, daarvoor heeft het RIVM geen verklaring. Klompmaker: „Het is wel goed om te beseffen dat ook als de minimale mortaliteitstemperatuur bijvoorbeeld 17 graden is, het sterfterisico bij – noem eens wat – 21 graden niet meteen hoog hoeft te zijn.”
Wel nemen sterfterisico’s in een wijk of gemeente toe bij temperaturen boven de anker-temperatuur, bij 75-plussers sterker dan bij jongere mensen. De (grote) steden springen er daarbij uit: niet alleen Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht, maar ook Maastricht, Groningen, Arnhem, Nijmegen, Den Bosch en Eindhoven. Binnen steden zijn de sterfterisico’s in de ene wijk soms hoger dan in de andere. „Dat kan bijvoorbeeld komen doordat in een wijk of gemeente meer kwetsbare mensen wonen, bijvoorbeeld chronisch zieken”, zegt Klompmaker. „Mogelijk staan er veel slecht geventileerde huizen, die snel opwarmen.”
Hittegerelateerde sterfte lijkt wat hoger te zijn bij de hogere inkomensgroepen, al is dat verband kleiner dan dat tussen koude en lage inkomensgroepen. „Wat misschien een rol speelt is dat mensen met een hoger inkomen gemiddeld ouder worden. Want leeftijd speelt mee bij de kans op sterfte”, denkt Klompmaker. „Mensen met een hoger inkomen wonen ook vaker in de stad, waar de sterfte hoger is. Maar dit zijn wel speculaties.”
Ónder de minimale mortaliteitstemperatuur worden de sterfterisico’s ook groter, bij ouderen weer meer dan bij jongeren. Daarbij is er wel sprake van een vertraagd effect. Als je na een koude periode kijkt naar de sterftecijfers van drie dágen later, zie je geen verhoogd risico. Dat is heel anders dan bij hitte, die wel binnen enkele dagen effect heeft op het sterfterisico. Kijk je bij koude één tot drie wéken verder, dan zie je wel een verhoogd risico. „De koude lijkt dus meer indirecte dan directe effecten te hebben op het sterfterisico”, zegt Klompmaker.
Zo’n indirect effect zouden de winterse griepgolven kunnen zijn, of andere epidemieën van infectieziekten. „Als het koud is, zitten we met z’n allen meer binnen. We ventileren ruimtes slechter, waardoor ziekteverwekkers sneller rondgaan”, vermoedt Klompmaker. Door koude overlijden jaarlijks aanzienlijk meer mensen (bijna 12.000) dan door hitte (nog geen 350), zo blijkt uit de RIVM-berekeningen. Klompmaker: „De koudegerelateerde sterfte is hoger dan in eerdere studies werd gevonden.”
Het RIVM wil meer onderzoek gaan doen naar de kwetsbaarheid van mensen voor extreme temperaturen. „We hebben nu steeds gekeken naar één factor in een wijk, zoals bijvoorbeeld een laag inkomen. We willen meer kijken naar een combinatie van factoren, bijvoorbeeld laag inkomen plus hoge stedelijkheid en weinig groen in een wijk”, zegt Klompmaker. „We willen ook meer kijken op individueel niveau, en dan bijvoorbeeld naar iemands huishoudinkomen of medicatiegebruik. Misschien dat we dan in de kwetsbaarheid meer individuele verschillen zien.”
Maak NRC jouw voorkeursbron op Google
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten. Meer informatie
Mail de redactie
Ziet u een taalfout of een feitelijke onjuistheid?
U kunt ons met dit formulier daarover informeren, dat stellen wij zeer op prijs. Berichten over andere zaken dan taalfouten of feitelijke onjuistheden worden niet gelezen.