De AI-revolutie leidt ons terug naar het kampvuur, waar iedereen via zijn oortjes naar een goed verhaal luistert
Ik ben oud genoeg om me nog te herinneren dat een computerprogramma een stapel ponskaarten was, één kaart per regel code. In mijn broodtrommel bracht ik die naar het universitaire rekencentrum. Het ergste wat kon gebeuren, was dat die trommel op de grond viel en alles door elkaar lag. Aan het einde van de dag kon je de uitkomst ophalen, vaak een ellenlange print. Hoewel, soms was het ook gewoon één regel: error.
Kort daarna mochten we als beginnende natuurkundestudenten achter een terminal zitten. In mijn herinnering zag die eruit als de cockpit van een ouderwets vliegtuig. Daar typten we onze instructies rechtstreeks in de computer. Al snel werd duidelijk dat je een medestudent die ook was ingelogd een kort berichtje kon sturen. Dat had niets met programmeren te maken. Het was gewoon leuk om even langs digitale weg „hallo” te zeggen.
Een paar jaar later stuurde ik via diezelfde computer mijn eerste e-mails. Op feestjes vertelde ik dat ik zo een wetenschappelijk artikel schreef met een collega in Amerika die ik nog nooit had ontmoet. Echt iets voor nerds, vonden mijn vrienden. Ook ik had geen flauw idee dat tien jaar later iedereen zou e-mailen.
In 1969 werden twee computers aan elkaar geknoopt, één in Los Angeles en één bij San Francisco, de eerste stap naar het internet. Het idee was om schaarse en dure rekenkracht te delen. E-mail kwam er pas later bij. Dat digitale technologie zo belangrijk zou worden voor de communicatie tussen mens en mens, in plaats van tussen mens en machine, was zelfs voor de experts een onverwachte ontwikkeling. De machines waren gebouwd om te rekenen; wij gebruikten ze om met elkaar te praten. Zo gingen we van de ponskaart naar het digitale dorpsplein.
Dat mensen technologie naar hun hand zetten, is een terugkerend verschijnsel. De eerste telefoonmaatschappijen verkochten hun toestellen als een instrument voor strikt zakelijk gebruik en ontmoedigden „nutteloos geroddel”. Sms was bedoeld als een kanaal voor dienstmededelingen van netwerkmonteurs, maar werd het geheimtaaltje van een hele generatie pubers. En met de telefoon wordt nauwelijks nog gebeld. „Kun je me niet gewoon appen?”, zeggen onze kinderen als we ze proberen te bereiken.
Een ander voorbeeld van zo’n verrassende plotwending is de terugkeer van het lange gesprek. Ons werd een tijdperk van ultrakorte aandacht voorspeld: snelle filmpjes, eindeloos swipen. Maar in stil verzet tegen die versnippering kijken en luisteren miljoenen mensen urenlang naar een tafelgesprek. Deze podcasts zijn razend populair en invloedrijk. Ze speelden zelfs een belangrijke rol in de laatste Amerikaanse presidentsverkiezingen, toen Donald Trump drie uur lang bij Joe Rogan aanschoof. Ook steeds meer boeken worden beluisterd in plaats van gelezen. Sommige auteurs houden bij het schrijven al rekening met de stem die hun zinnen straks gaat voorlezen, en daarmee veranderen ook stijl en woordkeus.
Je zou kunnen zeggen dat de mensheid zo een cirkel van vele millennia heeft doorlopen. Wat begon met een goed verhaal bij het kampvuur, leidde via de uitvinding van het schrift, de drukpers en het internet weer terug naar het luisteren naar een goed verhaal. Homerus zou er niet door verrast zijn. Alleen zitten we niet meer samen onder de sterrenhemel, maar ieder met z’n eigen oortjes in een eenpersoonsuniversum.
Technologie neemt soms een scherpe U-bocht terug naar iets diep menselijks
Wat leert ons dit? Technologie volgt niet alleen een kronkelpad met onverwachte uitzichten, ze neemt soms ook een scherpe U-bocht terug naar iets diep menselijks: het verlangen naar contact, naar een stem, naar een verhaal. De techniek bepaalt wat mogelijk is, maar onze alledaagse noden bepalen de koers. De ingenieurs kunnen nog zo veel snufjes bedenken, uiteindelijk maken we er weer een kampvuur van.
Dat is ontroerend en verontrustend tegelijk. Wanneer technologie terugbuigt naar het menselijke, neemt ze niet alleen onze wensen mee, maar ook onze zwaktes. Sociale media beloofden ons met de hele wereld te verbinden, maar werden een bron van misinformatie, controverse en conflict. Met het digitale dorpsplein kwamen ook de dorpsgekken.
Nu zitten we midden in de volgende revolutie. Na water, elektriciteit en informatie komt er intelligentie ‘uit de kraan’. Zoals altijd zien we het nieuwe eerst als vervanging van het oude. De eerste auto’s waren koetsen zonder paarden en nog steeds drukken we hun vermogen uit in paardenkracht. Een elektrische lamp was als een gaslamp, maar dan zonder de vervelende geur. Zo meten we AI aan menselijke denkkracht: hoe goed schaakt het, welke sommen kan het oplossen, voor welke examens slaagt het. Vandaar ook de angst dat veel banen zullen verdwijnen.
Maar kijk wat mensen nu al met chatbots doen. Ze vragen niet alleen om een berekening of een computercode, maar ook om advies of troost. Ze delen met een machine wat ze aan niemand anders toevertrouwen. Een technologie die gebouwd is om diep door te denken, wordt weer gebruikt om mee te praten. Waar ingenieurs ons een superbrein beloven, zoeken wij een luisterend oor.
En dat is nog maar het begin. Er wordt ons een tijdperk voorgespiegeld waarin technologie de mensheid naar ongekende hoogten tilt. Eén voorspelling durf ik wel aan. Ook deze keer zal niet de brute denkkracht ons het meest verrassen, maar de zwaartekracht van de menselijke natuur, die de machines onvermijdelijk terugtrekt naar het aardse, met al onze verlangens en zwaktes.
Misschien zitten we straks tegenover de krachtigste intelligentie ter wereld, een machine die alle geheimen van het heelal kan doorgronden, en is het eerste wat we typen: „hallo”.
Maak NRC jouw voorkeursbron op Google
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten. Meer informatie
Mail de redactie
Ziet u een taalfout of een feitelijke onjuistheid?
U kunt ons met dit formulier daarover informeren, dat stellen wij zeer op prijs. Berichten over andere zaken dan taalfouten of feitelijke onjuistheden worden niet gelezen.