Home   2026-10-22 19:56:51

←

Als er in de hele wereld geen baby’s meer zonder pfas worden geboren, wat tegenwoordig het geval is, kun je niet anders dan ingrijpen’

Original article

‘Ik ben een nakomertje uit een ongeletterd gezin. Mijn vier zussen en mijn broer waren verre van dom, maar door omstandigheden had niemand in ons gezin meer dan lagere school. Zelf ben ik hbs gaan doen. Ik heb geleerd tussen twee werelden te jongleren.’

De ene wereld bestond voor Jacob de Boer uit zijn IJmuidense gezin, met voorouders die in de visserij werkten – een opa verdronk op zee. Zijn vader en zijn broer waren schilders bij een bedrijf dat op het terrein van Hoogovens, het huidige Tata Steel, werkte. Zelf voelde hij vooral afkeer van het staalconcern. ‘Het was er smerig, met onaangename geuren en enorme rookwolken. Het was niks voor mij.’

De andere wereld was die van de wetenschap. Daarin kwam hij terecht, na in 1974 bij het Rijksinstituut voor Visserijonderzoek (RIVO) te zijn aangenomen, ‘als 18-jarige loopjongen’. Hij werd er chemisch analist, een baan die hij minder belangrijk vond dan zijn jongerenwerk bij de protestantse kerk. ‘Daar spraken we met elkaar over de zin van het leven en aanverwante onderwerpen, dat boeide me meer. Ik had niets met carrière maken en geld verdienen, later heb ik dat ook nooit gekregen. En ik had nog niet de drive het milieu te willen verbeteren.’

Dat veranderde door een cursus waarbij milieuactivist Wouter van Dieren als docent optrad, een van de Nederlandse vertegenwoordigers bij de Club van Rome. Dat netwerk van wetenschappers had met het rapport Grenzen aan de groei uit 1972 velen de ogen geopend. ‘Het woord milieuvervuiling werd in die jaren uitgevonden. Ik vond Van Dieren een enorm inspirerende man. Door hem zag ik in hoe belangrijk het was aan vermindering van lucht- en watervervuiling bij te dragen.’

Die bijdrage leverde De Boer door het schrijven van wetenschappelijke artikelen. Veertien ervan, in plaats van de gebruikelijke vier, vormden de basis voor zijn proefschrift – een promotie ‘zonder ook maar een dag aan een universiteit te hebben gestudeerd, dat is wel uitzonderlijk, ja’. Een artikel in het gerenommeerde wetenschappelijke tijdschrift Nature over brandvertragende stoffen in potvissen bracht hem in 1998 kortstondig wereldfaam en langdurig respect onder vakgenoten. Mede daardoor werd hij in 2005 hoogleraar milieuchemie en toxicologie, eerst in Wageningen, later aan de Vrije Universiteit van Amsterdam.

De eens zo verlegen chemisch analist (‘ik had geen idee hoe je aan smalltalk moest meedoen’) begon zich te ontpoppen tot een door de media veelgevraagd expert op het vlak van verontreiniging door chemische stoffen. In de afgelopen jaren ging het daarbij vooral om pfas, een groep stoffen waarvan hij als 70-jarige het verbod nog hoopt mee te maken. ‘Maar de weerstand bij overheden en bedrijven is groot.’ Zijn nieuwe boek Gif (‘Over toxische giffen in ons dagelijks leven en wat we daartegen kunnen doen’) getuigt van zijn vermogen complexe kwesties voor een groot publiek begrijpelijk te maken. ‘Dat heb ik toch maar mooi te danken aan mijn eenvoudige afkomst.’

Een activist is hij in eigen ogen niet (‘Ook al vinden sommigen dat, maar daarvoor ben ik toch te veel wetenschapper’), wel wil hij toegeven dat hij in de afgelopen vijftien jaar steeds uitgesprokener is geworden. ‘Ik vind wetenschappers vaak te voorzichtig. We mogen best zeggen: die kant moet het op. Ook wanneer dat tot weerstanden leidt.’

Op uw 24ste overleed uw vader, toen 68 jaar oud, aan beenmergkanker. Die ziekte wordt wel in verband gebracht met werken bij Tata Steel. Heeft u dat extra gemotiveerd om chemische stoffen en hun gezondheidsrisico’s tot uw specialisatie te maken?

‘Het verband tussen zijn ziekte en Tata Steel viel en valt niet te bewijzen. Dat is anders bij slachtoffers van asbest. Bij hen kun je het wel met zekerheid zeggen. Maar zijn dood greep me natuurlijk wel aan. Het was niet zo dat ik er boos van werd, zo’n type ben ik niet. Ik denk liever in oplossingen, maar onbewust kan het me wel een extra zetje hebben gegeven.’

Speelde uw kerkelijke achtergrond een rol bij uw keuze voor deze specialisatie?

‘Vanuit de kerk kreeg ik mee dat ik me nuttig voor de maatschappij moest maken en iets met mijn talenten moest doen. De liefde voor dieren en de natuur heb ik er ook aan te danken. Mijn betrokkenheid bij het milieu kreeg vooral verdieping door het boek Silent Spring van de Amerikaanse Rachel Carson, dat duidelijk maakte hoe gevaarlijk DDT was (een in 1972 verboden insecticide, red.). Verder maakte de Club van Rome natuurlijk indruk, maar ook alle verhalen over milieuvervuiling in die jaren.

‘Van mijn vader en broer hoorde ik hoe vervuilend Hoogovens werkte, op mijn werk bij het RIVO was kwik in vis een groot thema. Kunnen we straks in ons land nog wel vis eten? vroegen we ons af. In Groningen waren sloten pikzwart door de lozingen van de strokartonindustrie; de vissen gingen er dood en je kon er niet meer zwemmen. Destijds was de vervuiling veel grover dan nu – we maten niet in nanogrammen, maar in microgrammen (een factor duizend verschil, red.). De industrie gooide al haar troep in het water en vervuilde de lucht, alles draaide om banen en de economie, er zat geen enkele rem op. Milieubewustzijn was er nauwelijks, de eerste actiegroepen zoals Greenpeace en Milieudefensie begonnen in die tijd.’

Hoe positioneerde u zich als wetenschapper ten opzichte van actiegroepen en industrie?

‘Dat is altijd balanceren geweest, het plaatste me voor dilemma’s. Bij actiegroepen lag meestal mijn sympathie, ik heb grote bewondering voor mensen die zich lokaal jarenlang inspannen om dingen boven tafel te krijgen. Sommigen wijden hun hele leven eraan en raken overspannen. Actiegroepen hebben beslist een functie, net als de media. Al overdrijven ze soms ook. Neem pesticiden op fruit in de supermarkt. Het Pesticide Action Network stelt daarover in een persbericht dat op appels in de supermarkt pesticiden zijn aangetroffen. Dat leidt tot krantenkoppen waarin staat: je moet geen appels meer eten. Terwijl ze niet meer dan drie of vier nanogram per appel hebben gevonden. Nou, dat is geen enkel probleem. Alle fruit uit de supermarkt kun je probleemloos eten. Dankzij het toezicht is dat van geweldige kwaliteit. Ik zie het als mijn rol op zo’n overdrijving van een actiegroep te wijzen.’

Hoe verhoudt u zich tot chemische bedrijven, van wie u ook geld voor onderzoek heeft gekregen?

‘Dat klopt, maar ik heb altijd harde voorwaarden daaraan verbonden. Ze mochten het onderzoek betalen, maar moesten accepteren dat wij geheel vrij waren te schrijven wat we wilden. Ze kregen alleen onze artikelen voor publicatie te lezen. Dan zeiden ze bijvoorbeeld: als je nu het laatste deel van die zin weglaat, heb je ook nog een goed artikel. Maar daarin stond dan wel de essentie, dus dat deden we niet.

‘De industrie heeft aardig wat last gehad van onze publicaties. Toch gaven ze ons geld, omdat zij niet in staat waren te meten wat wij konden meten. Dus wilden ze onze uitkomsten weten. Vervolgens was het oppassen geblazen met ze. Bij die ethische dilemma’s kreeg ik nauwelijks begeleiding, ik deed het op mijn eigen kompas. Ik ging bijvoorbeeld niet in zee met een fabrikant die me een blanco cheque wilde geven als ik zijn pannen pfas-vrij zou verklaren.’

Bron Ivo van der Bent

Chemische bedrijven staan lijnrecht tegenover uw opvatting dat een verbod van alle pfas-stoffen nodig is. Hoe verklaart u hun houding?

‘Wanneer een stof slecht voor de volksgezondheid is, dan is dat voor een chemisch bedrijf nog geen reden om ervan af te zien. Want voor zijn aandeelhouder kan die stof wel goed zijn. Wat dat betreft verschilt een chemisch bedrijf niet van een sigarettenfabrikant. Een manager van een chemiebedrijf vertelde me een keer dat zijn bedrijf doorging met de productie van een fosforbrandvertrager die schadelijk was, omdat die goedkoper en dus winstgevender was dan een betere variant. Zelf wilde hij die laatste liever maken. Maar zo werkt het niet, de aandeelhouder wint.’

Hoe sterk is de bedrijfslobby tegen strengere pfas-regels?

‘De feiten spreken voor zich. Drie jaar geleden lag er bij de Europese toezichthouder een streng pfas-verbod op tafel, met maar vier uitzonderingen. Inmiddels zitten we met een versie met 85 uitzonderingen. De industrie schermt met doemscenario’s. Dan roepen ze dat na een pfas-verbod de treinen niet meer kunnen rijden. Onzin. Of ze beweren dat we niet zonder pfas kunnen. Ook niet waar. Het is zo dat het in veel producten zit, maar er zijn genoeg alternatieve stoffen. Het probleem is dat de bedrijven aan hun bestaande grondstofstromen en productieprocessen zijn gehecht, dus zijn ze tegen een verbod. Voor die lobby zijn Europese politici momenteel erg gevoelig, alles moet wijken voor het Europese concurrentievermogen met de Verenigde Staten en China. De volksgezondheid legt het daartegen af.’

Strenge regels zouden innovatie in de weg staan, stellen chemische bedrijven.

‘Het omgekeerde is het geval: juist als stoffen worden verboden ontstaan er nieuwe initiatieven via start-ups. In de chemie bestaat een enorme creativiteit om weer iets nieuws te verzinnen, maar die wordt vooral aangeboord door een verbod van stoffen. Komt dat er niet, dan is de aandrang tot innovatie bij bestaande bedrijven kleiner en komen start-ups er moeilijker tussen.’

Wat vindt u van de redenering: we kunnen niet alle risico’s uit het leven bannen, we moeten daarin niet doorslaan.

‘Daar zit zeker wat in, vandaar ook mijn kritiek op waarschuwingen over pesticiden in de supermarkt. Wat essentieel is: je moet goed kijken naar wat er gebeurt, je moet meten en dan eventueel actie ondernemen. Als er in de hele wereld geen baby’s meer zonder pfas worden geboren, wat tegenwoordig het geval is, kun je niet anders dan ingrijpen.’

Heeft u hoop dat een pfas-verbod er ooit komt?

‘In het verleden is het gelukt gevaarlijke stoffen te verbieden – denk aan DDT, pcb’s (een kankerverwekkende stof, gebruikt onder meer in transformatoren en lijm, red.) en cfk’s (verantwoordelijk voor het gat in de ozonlaag, red.). In noodsituaties is de mens tot veel in staat, leert de geschiedenis. Als we vandaag een pfas-verbod afkondigen, duurt het ongeveer honderd jaar tot de natuurlijke cyclus ertoe leidt dat pfas op de zeebodem is beland, afgedekt door een laag sediment. Het is er dan nog wel, maar je hebt er geen last meer van. Dat is ook hoopgevend. Maar mijn vrees is dat de industrie dan alweer andere schadelijke stoffen in omloop heeft gebracht.’

Het lijkt een gebed zonder einde.

‘Dat hoeft het niet te zijn. De oplossing is: stoffen testen voordat ze op de markt komen. Dan pak je het probleem van steeds weer nieuwe groepen stoffen fundamenteel aan en ben je ook verlost van dat ‘we kunnen niet zonder’-argument. De industrie is mordicus tegen zo’n verplichting. De Europese procedures die er nu zijn, schieten hopeloos tekort. Voorafgaande evaluatie en autorisatie van het gebruik van nieuwe stoffen zouden verplicht moeten worden. Die bestaat al bij de farmaceutische industrie, dus het kan wel. We zouden ons daarmee veel toekomstige ellende kunnen besparen.’