De spin is onbemind. Maar voor sommige mensen is elke spin een bron van spanning
Wie dit leest heeft een eerste stap gezet. De foto getrotseerd. Het woord ‘spin’ in de kop gelezen. De één gefascineerd, de ander onbewogen of hooguit onbewust gespannen: met nét iets meer activiteit van de zweetklieren en een licht verhoogde hartslag. Weer een ander aanzienlijk angstiger – zulke foto’s, is dat echt nodig? En dan is er nog de lezer die de krant het liefst zou dichtslaan, de website subiet wil wegklikken. Weg van dat woord, weg van die beelden.
Wie lijdt aan arachnofobie, vermijdt graag álle spinnen: niet alleen levende exemplaren maar ook dode of zelfs imaginaire. „De angst wordt zó groot dat hij allesoverheersend wordt en dagelijkse handelingen gaat beïnvloeden”, vertelt universitair docent psychologie Irina Masselman in haar werkkamer aan de Rijksuniversiteit Groningen. „Iemand gaat bijvoorbeeld niet meer naar zolder of de tuin in, om spinnen te vermijden.”
Uitzonderlijk? Allerminst. „Precieze aantallen kennen we niet. De scheidslijn tussen ‘gewone’ angst en een echte fobie – waarbij de angst echt het dagelijks leven gaat beïnvloeden – wordt niet altijd gemaakt.” Op basis van diverse onderzoeken lijkt wereldwijd een paar procent van de mensen in de categorie ‘arachnofoob’ te vallen. „Maar spinnenangst komt veel vaker voor – in een recent onderzoek gaf zelfs 30 procent van de vrouwen die ik ondervroeg enige mate van spinnenangst te ervaren.”
Niet makkelijk in een spinnenrijk land als Nederland, met zeker 650 inheemse soorten, en zéker niet in het najaar: dan zijn spinnen volgroeid en vallen ze beter op. „Ook in het voorjaar en de zomer zijn er webben”, zegt bioloog Peter van Helsdingen, spinnendeskundige bij Naturalis en EIS Kenniscentrum Insecten. „Maar dan zie je nooit zo’n grote kruisspin pontificaal in het midden zitten. De dikke spinnen die je in de najaarswebben ziet zijn bevruchte vrouwtjes, die flink groeien door de vele prooien die ze vangen en vooral ook door de opzwellende eieren.” De mannetjes zijn na de paring al gestorven; de meeste vrouwtjes sterven na het uiteindelijke leggen en inspinnen van de eieren eveneens. In het voorjaar komen de eitjes uit en worden de jonge spinnen geboren. Die vervellen gedurende de zomer, tot ze hun uiteindelijke grootte hebben bereikt.
Voor Van Helsdingen begon zijn spinnenliefde in zijn tienerjaren, tijdens een zomerkamp in Engeland. „Het was kort voor mijn eindexamen, en ik stond er qua cijfers goed voor – behalve voor Engels. Om mijn taalvaardigheid wat bij te spijkeren stuurden mijn ouders me naar Yorkshire. Ik mocht zelf kiezen voor welke cursus ik me inschreef. Identification of spiders, dat leek me wel wat. Dus daar liep ik, als puber, met allemaal dames op leeftijd door het veld.”
Juist door goed te kijken ontstaat fascinatie
Zo raakte hij algauw verknocht aan spinnen. „Ik vond het geweldig om soorten op naam te kunnen brengen. Het is een interessante groep, niet alleen qua uiterlijk maar ook qua gedrag. Denk bijvoorbeeld aan het ontzettend sterke draad dat ze spinnen – de spinzijde.”
Toch vormen de spinnen, met ruim 53.000 bekende soorten wereldwijd, zelfs onder biologen geen populaire groep. De internationale arachnologenvereniging kent rond de 500 leden. In Nederland hield de Nationale Spinnentelling er in 2023 na elf edities mee op, deels vanwege te weinig animo. Van Helsdingen, gelaten: „Insecten zijn veel populairder dan spinnen.” Of zoals Maria Tatar, emeritus hoogleraar folklore aan de Amerikaanse Harvard-universiteit, het verwoordt in haar nieuwe boek Arachnomania: „Wie arachnofilie [liefde voor spinnen] opzoekt in het woordenboek komt bedrogen uit.” Het online woordenboek van de Oxford English Dictionary kwam zelfs met een alternatieve suggestie: bedoelt u arachnofobie?
Van Helsdingen snapt ze wel, de spinnenangstigen. „Zeker de vrij forse exemplaren, die zonder geluid te maken opeens over de plinten schieten, kunnen een schrikreactie oproepen.” Maar in zijn ogen geldt ook: onbekend maakt onbemind. „Ik heb zo vaak meegemaakt dat ik iemand met spinnenangst door de microscoop liet kijken, zodat ze de ogen konden zien, de spintepels waar de spindraad uitkomt, de tasters en kaken waarmee ze hun prooi of hun partner vastgrijpen… Juist door goed te kijken ontstaat fascinatie.” Fascinatie voor de zebraspin bijvoorbeeld, een zwart-wit gestreepte spin met grote, onschuldige ogen die niet in een Disney-film zouden misstaan. Voor de herfsthangmatspin met zijn horizontale web, voor het groen kaardertje, de geel-zwart gestreepte wespspin en de schorsmarpissa. En voor de getijgerde lijmspuiter, een spin die kleverig spinrag op zijn prooi afschiet en daarmee rolmodel lijkt voor Spider-Man. Ook Tatar komt in haar boek met fascinerende feiten: denk bijvoorbeeld aan traditionele vissers in Papoea-Nieuw-Guinea, die de supersterke webben van de gouden wielwebspin gebruiken als vissersnet. Vaak genoeg bewijzen spinnen ons een dienst.
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/10/08135014/161026WET_2036661077_spinnenweb.jpg)
Agressief zijn spinnen niet, benadrukt Van Helsdingen. „Hooguit assertief, omdat ze kunnen bijten als ze zich bedreigd voelen. Maar uit zichzelf zullen ze nooit aanvallen.” En ja, spinnen zijn giftig, maar zeker in Nederland niet zodanig dat mensen er ziek van worden of overlijden. „Verreweg de meeste soorten komen met hun kaken niet eens door onze huid heen.” De beet van een valse wolfspin, die sinds 2018 vanuit Zuid-Europa is opgerukt naar het noorden, is wel relatief pijnlijk – te vergelijken met een wespen- of bijensteek. „Maar zelf ben ik in de zestig jaar dat ik met spinnen werk slechts één keer licht gebeten.”
Toch is het in veel gevallen niet de giftigheid die voor angst zorgt, vertelt Merel Kindt, hoogleraar experimentele klinische psychologie aan de Universiteit van Amsterdam. „In Australië komen bijvoorbeeld wél spinnen voor die in theorie gevaarlijk kunnen zijn voor mensen – al is het daar ook zo dat ze niet zomaar uit zichzelf aanvallen. Maar het is niet zo dat Australiërs vaker aan een spinnenfobie lijden dan Nederlanders; de percentages zijn vergelijkbaar.”
Dat komt juist doordat spinnenfobie een irrationele angst is. „Angst op zichzelf is heel nuttig: daardoor vlucht je als er écht gevaar dreigt. Maar iemand met spinnenfobie is hypervigilant – buitensporig alert op elke mogelijke vorm van spingerelateerde dreiging. Heel vaak kunnen mensen wel beredeneren dat ze excessief gedrag vertonen in de buurt van een spin, en dat de daadwerkelijke dreiging minimaal is. Maar als ze dan een piepklein spinnetje op het plafond zien, dan neemt de angst het over en voelt het voor hen net alsof er een leeuw in de kamer zit. En wat doe je bij een leeuw? Dan ga je ook niet eerst een checklist af: is het toevallig een vriendelijke leeuw, eentje zonder scherpe tanden? Nee, je staat op en rent weg.”
Bij de behandeling van spinnenfobie doet het er eigenlijk niet zoveel toe hóé de angst ontstaan is, vertelt Masselman. „Aangeboren lijkt het in ieder geval niet – baby’s zijn voor weinig bang. En er hoeft ook niet altijd een nare ervaring aan vooraf te gaan: iemand kan spinnenangst bijvoorbeeld ook van anderen overnemen.” Kindt voegt toe: „Als je daar te veel op doorvraagt loop je het risico dat mensen een rationele verklaring gaan zoeken voor een irrationele angst. Terwijl ze in feite het bangst zijn voor de angst zélf – en daar doorheen gaan werkt genezend.”
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/10/13140410/161026WET_2036661077_6.jpg)
Male Nosferatu spider – zoropsis spinimana – crawling on a white background
Foto Getty ImagesOm die reden is exposuretherapie de meestgebruikte behandelmethode bij specifieke fobieën. Het is een vorm van cognitieve gedragstherapie, waarbij patiënten in toenemende mate worden blootgesteld aan het object van hun angst. „Voor sommige mensen kan alleen al het zien van spinnenfoto’s een barrière zijn”, zegt Masselman. „Daar kan dan eerst mee geoefend worden. Een volgende stap zou bijvoorbeeld kunnen zijn om video’s van een spin te bekijken, samen met de therapeut.” Zo wordt steeds een nieuwe stap gezet, tot uiteindelijk een confrontatie met een echte spin plaatsvindt. „Het nadeel is dat het voor patiënten uitputtend kan zijn om steeds te worden geconfronteerd met datgene waar ze zo bang voor zijn, en dat kan leiden tot voortijdig stoppen van de therapie. Veel onderzoek is er dus op gericht om de behandeling effectiever en acceptabeler te maken.”
In de experimenten van Masselman ligt de focus onder andere op zogeheten masking: het zodanig verhullen van spinnenfoto’s dat de proefpersoon ze alleen onbewust waarneemt. „Dat zou de drempel kunnen verlagen om deel te nemen aan exposuretherapie.” Op een van de computers in het onderzoekslab laat ze zien hoe het maskeren kan werken: het ene oog krijgt herhaaldelijk fel flitsende beelden met confetti-achtige kleuren te zien, terwijl het andere oog aan een spinnenfoto wordt blootgesteld. „Normaal gesproken leiden die felle flitsen voldoende af om ervoor te zorgen dat de andere foto niet bewust wordt waargenomen. Maar nu blijken de spinnen toch zodanig de aandacht te trekken dat we zijn overgestapt op een andere vorm van masking, waarbij de spinnenfoto’s maar een fractie van een seconde te zien zijn – 33,4 milliseconden om precies te zijn.”
Over het angstgeheugen, dat bij fobieën een belangrijke rol speelt, werd lange tijd gedacht dat het nooit kan veranderen
Daarnaast keken de Groningse onderzoekers ook naar contraconditionering. „We wilden weten of proefpersonen een positiever gevoel zouden krijgen over spinnen als ze na een gemaskeerde spinnenfoto ook nog een positieve prikkel zouden zien – in dit geval een foto van iemand die aan het lachen is – dat werkte ongeveer even goed als het aanbieden van alleen de spinnenfoto’s. In beide gevallen zagen we dat mensen positiever werden.” In de huidige experimenten kijken Masselman en haar collega’s ook naar de toekomst: „We willen onderzoeken of een positief toekomstbeeld kan bijdragen aan een hogere motivatie. Als iemand zich in detail kan voorstellen hoe het is om zónder spinnenfobie te leven, dan is die persoon mogelijk ook gemotiveerder om aan een therapie deel te nemen.” Daarnaast ontwikkelt ze bij jeugdzorginstelling Accare speciale exposuretherapie voor kinderen. „Met bijvoorbeeld een spin op rolschaatsen die steeds uitglijdt – gebaseerd op een scène uit Harry Potter, waarin een van de personages ook een spinnenfobie heeft.”
Ook Kindt werkt in haar eigen praktijk met een door wetenschappelijk onderzoek onderbouwde variant op exposuretherapie, memrec – kort voor memory reconsolidation. „Over het angstgeheugen, dat bij fobieën een belangrijke rol speelt, werd lange tijd gedacht dat het nooit kan veranderen. Als mensen een fobie hebben, dan hebben ze namelijk een associatie geleerd tussen datgene waar ze bang voor zijn en een angstreactie. Daarom lag de nadruk op het aanleren van nieuwe geheugensporen, zoals bij exposure gebeurt. Een risico daarbij is dat het oorspronkelijke angstgeheugen ook blijft bestaan, waardoor je na verloop van tijd – bijvoorbeeld onder stressvolle omstandigheden – toch weer in die oude groeven kunt terugvallen. Maar zo’n 25 jaar geleden ontdekten Amerikaanse onderzoekers dat het angstgeheugen onder bepaalde omstandigheden plastisch kan worden, waardoor het bestaande geheugenspoor zélf permanent kan veranderen.”
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/10/13140022/161026WET_2036661077_5.jpg)
Een spin weeft een web tussen de takken van een plant.
Foto Charlie Riedel/APKindt en haar collega’s maken gebruik van die plasticiteit door patiënten met spinnenangst te confronteren met een echte spin, afkomstig van een naburige dierenhandel. Direct daarna krijgen ze eenmalig een bètablokker, propranolol. „Die passeert de bloed-hersenbarrière en blokkeert tijdelijk specifieke receptoren die een rol spelen bij de geheugenreconsolidatie. Door het proces te verstoren, kunnen we het angstgeheugen vermoedelijk blijvend verzwakken.” De timing van de propranolol is bij de behandeling belangrijk. „Geef je het te laat – twee uur na afloop – dan is de angst alweer geconsolideerd.” Met de methode zijn patiënten binnen één dag van hun angst afgeholpen, zegt Kindt. „Wel volgt altijd nog een terugkomdag, waarbij patiënten weer worden blootgesteld aan de spin. Dan zien we dat ze meestal zelf op de spin af durven lopen, en hem soms zelfs op hun hand of trui durven laten lopen.”
Voor het overwinnen van arachnofobie is het niet altijd nodig om een confrontatie met échte spinnen aan te gaan, zegt Tara Donker, als klinisch psycholoog verbonden aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Zij ontwikkelde samen met collega’s de app ZeroPhobia, waarbij mensen met behulp van virtual reality (VR, gebaseerd op een virtuele omgeving) of augmented reality (AR, gebaseerd op de echte omgeving, met virtuele elementen) van hun hoogtevrees, vliegangst of spinnenangst af kunnen komen. „Het idee ontstond in 2014, toen duidelijk werd dat de behandeling van fobieën niet langer zou worden vergoed. Vanaf dat moment zijn we, in samenwerking met professionele VR-ontwerpers, prototypes gaan ontwikkelen en gaan testen. Er bestaan wel meer VR- en AR-based therapieën, maar wij hebben als een van de eersten aangetoond dat je zo’n app effectief kunt gebruiken zonder begeleiding van een therapeut.” Een fobie is een indicator voor psychische kwetsbaarheid, benadrukt Donker. „Als je eraan lijdt, dan is de kans om bijvoorbeeld een depressie te krijgen ook aanzienlijk hoger. Vandaar dat we mensen met de app een eerste, laagdrempelige stap willen bieden in het overwinnen van hun angst.”
De spinnenversie van ZeroPhobia kent verschillende levels, waarin gebruikers een AR-gegenereerde spin naar keuze kunnen laten rondlopen in hun omgeving. „Je ziet dus je eigen keukentafel, maar dan met bijvoorbeeld een kruisspin, een valse wolfspin of een tarantula erop.” Daarnaast geeft een virtuele therapeut psycho-educatie: achtergrondinformatie over spinnen en fobieën. „In het eerste level kun je bijvoorbeeld starten met één spin waarbij jij de volledige controle over de bewegingen hebt. In volgende levels komen er dan meer spinnen bij, en kunnen ze ook vrij rondlopen. In het laatste level kun je een spin over je hand laten lopen.” Een extra level, met pasgeboren krioelende wolfspinnetjes, is nog in de maak. Het doel is nadrukkelijk níét om de spinnen in de app dood te slaan, benadrukt Donker. „Ik ben zelf vegetariër en zet spinnen ook altijd netjes buiten met een glas en een papiertje eronder.” Ook Kindt en Masselman hanteren die tactiek; Van Helsdingen doet het in principe met zijn blote handen.
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/10/13135937/161026WET_2036661077_3.jpg)
Masselman: „Het is echt niet zo dat iemand met spinnenangst door therapie hoeft uit te groeien tot de grootste spinnenfan aller tijden. Zelf ben ik er óók niet dol op als ik tijdens het uitlaten van de hond opeens in een kleverig spinnenweb loop. Maar als iemand uiteindelijk weer het bos in durft, misschien zelfs kan genieten van dauwdruppeltjes op een web, dan is dat grote winst.”
Maak NRC jouw voorkeursbron op Google
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten. Meer informatie
Mail de redactie
Ziet u een taalfout of een feitelijke onjuistheid?
U kunt ons met dit formulier daarover informeren, dat stellen wij zeer op prijs. Berichten over andere zaken dan taalfouten of feitelijke onjuistheden worden niet gelezen.