Home   2026-10-22 19:56:51

←

Eindelijk! De Nobelprijs voor Anne Carson. Waar gaat haar werk nou eigenlijk over?

Original article

‘Wie ben jij nou werkelijk?’ Met die vraag besloot een goede vriend na elf jaar intense vriendschap dat het genoeg was, dat hij niet langer wist wie ik was of waarvoor ik stond.

Kort daarvoor was ik vader geworden. En daarmee was ik hem klaarblijkelijk uit handen geglipt. Ik bleef verbouwereerd achter. Elf jaar lang hadden we wekelijks koffie met elkaar gedronken en urenlang gesproken. Hadden we al die tijd langs elkaar heen gepraat?

Wie je werkelijk bent is geen vraag die je als vriend wilt beantwoorden, je wilt ook niet dat hij je wordt gesteld.

Maar, zo realiseerde ik me ook, terwijl ik enkele van zijn notities, een kaart en twee boeken in een schoenendoos stopte, stelde deze ontmaskeraar hem niet stiekem aan zichzelf? Is dat niet altijd het geval met vragen van een dergelijk soortelijk gewicht? Wie was híj́ nou werkelijk?

Twee weken later kreeg Anne Carson, net toen niemand er meer op durfde te hopen, de Nobelprijs voor Literatuur toegekend. Ik begon haar boeken weer te lezen en werd langzaam uit de rouw geholpen. Ik besefte: de onkenbaarheid van de ander, diens onbereikbaarheid, dát is waarover haar oeuvre gaat.

In veel, zo niet alles wat ze schrijft stuit ze vroeg of laat op de glazen wand die altijd tussen twee individuen – geliefden, ouders en kinderen, broers en zussen, vrienden – lijkt te staan. In lyriek, essay, filologische reflectie, proza in verzen, kortom in een oeuvre dat zich aan geen beperking ook maar iets gelegen laat liggen onderzoekt ze juist die ene, ultieme grens, onzichtbaar, maar o zo absoluut: de grens die twee mensen van elkaar scheidt.

Misschien is het leven niets anders dan één grote poging die grens te overbruggen, te doorbreken. Een poging voor één keer in het leven de ander werkelijk aan te raken.

Bron Sarah Yu Zeebroek

Noem het de liefde. Noem die bitterzoet, zoals Carson doet in haar wonderschone boek over eros, een ervaring waarin tegelijkertijd genot en pijn aanwezig zijn. Eros the Bittersweet (1986) was haar eerste boek, een duizelingwekkend werk van literaire analyse, lyriek en essay. Je zou niet zeggen dat het is gebaseerd op een dissertatie, maar dat is wel het geval. In al haar zintuiglijkheid is ze schaamteloos geleerd, en in al haar geleerdheid is ze meedogenloos sensitief.

In feite legt ze in dit essay al het fundament voor hoe ze zal schrijven en ook waarover. ‘Het reiken van verlangen wordt als handeling gedefinieerd’, schrijft ze, reflecterend op haar geliefde dichter Sappho, ‘mooi (in zijn voorwerp), verijdeld (in zijn poging), eindeloos (in de tijd)’.

Zo bezien is ieder verlangen naar toenadering tot de ander gedoemd te mislukken. En ik weet, nu ik dit schrijf en aan mijn vriend denk, dat ook dit essay een eindeloze verijdeling is.

Altijd terug naar de Grieken

Vanaf Eros the Bittersweet (in 2022 vertaald als Eros, bitterzoet) zal ze altijd weer terugkeren naar de oude Grieken, Sappho eerst en vooral. Ze zal ook over zichzelf schrijven, over haar geliefde, haar broer en haar ouders, maar alleen in brokstukken. Net als je denkt haar te leren kennen, voert ze je diep langs filologische draden de oudheid in.

Ze moet iemand zijn die met het ene oog de oudheid ziet, die nog altijd overal aanwezig is, en met het andere haar eigen leven. Een platte frase als ‘wij zijn nooit modern geweest’ krijgt bij haar een ongekende diepte. Door al haar werk gaat een zindering, je wilt het lezen om te leren, je wilt het lezen om te genieten van wat literatuur ook kan zijn, wat het ook mag zijn.

Carson maakt ons deelgenoot van hoe de anderen in haar leven haar ontglippen. In haar bundel Decreation (2005) beschrijft ze hoe de afstand tot haar moeder, ‘de liefde van mijn leven’, langzaam groter wordt. ‘Tijd om moeder te bellen./ Laat overgaan./ Zes./ Zeven./ Acht – ze/ neemt de hoorn op, wacht./ Ver weg, in de holle verte schieten krakend veldmuizen rond’ (vertaling GdV).

Carson is spaarzaam in wat ze meedeelt over haar moeder. Eerder had ze al over haar geschreven in dat andere, vorig jaar vertaalde meesterwerk, Glass, Irony & God (1995). Wanneer ze haar bezoekt, voelt ze zich als Emily Brontë, schrijft ze, ‘mijn eenzaam leven als een heide om me heen,/ mijn lelijk lichaam dat over moddervlaktes banjert in de uiterlijke schijn/ van transformatie/ die sterft als ik de keuken binnenkom.’

Gruwelijk kil is het bezoek aan haar moeder, een sterven. Zo zou je het je liever niet voorstellen, maar zo beschrijft ze het toch. In biografische schetsen over Carson wordt haar moeder vaak oneerbiedig een ‘huisvrouw’ genoemd. Carson, de dichter: de dochter van een bankier en een huisvrouw.

Ontroerender zijn de weinige herinneringen die Carson zelf meedeelt in gesprekken over haar werk en leven, bijvoorbeeld hoe ze in de katholieke kerk op het bankje naast haar moeder zat en tegen haar jas van kunstbont leunde. Of neem wat ze na haar dood schrijft, namelijk dat ze haar mist ‘als een oude sok’; je hebt er altijd twee nodig.

Maar in Decreation zijn we nog bij het ontglippen: ‘Licht op de bakstenen muren en noorderwind die de takken zwart geselt./ Schaduw trekt het binnenste van het licht droog tegen z’n handpalm./ Eet je soep, moeder, waar je ook met je gedachten bent./ De wintermiddag rijst op.’

De warmte van die ene regel die gloeit tussen de kille zintuiglijkheid van de winter. Het is ook de warmte van de vertwijfeling. Waar ben je, moeder?

Waar ben je, broer?, vraagt Carson zich af in Nox (2010), zonder twijfel haar mooiste werk. Het boek is een epitaaf voor haar overleden broer Michael. Bij leven hadden ze al nauwelijks contact. Iedere keer als ik het als leporello vormgegeven boek uit het doosje neem, lopen de rillingen me over de rug. Dan heb je geen contact, geen band en besluit je toch zo’n onomwonden lyrisch, haast beminnend werk te maken waarin lemmata uit woordenboeken worden afgewisseld met foto’s, fragmenten van correspondentie en pogingen om te rouwen; gedoemde pogingen, zoveel is zeker.

Ze noemt haar broer een starry boy, een sterrenjongen, die is verdwenen in de nacht. Natuurlijk, de nacht is er om in te verdwijnen. ‘Er is niets meer toe te voegen aan het feit, denken we, dat hij dood is. Liefde kan het niet veranderen. Woorden kunnen niets toevoegen. Hoezeer ik ook probeer hem als een stralende jongen voor de geest te halen, het blijft een kale, vreemde geschiedenis’ (vertaling GdV).

Maar de nacht is er ook om te rouwen. En dus herhaalt ze alsmaar: ‘Mijn broer ging in 1978 op de vlucht in plaats van de gevangenis in. Hij zwierf door Europa en India, op zoek naar iets, en zond ons postkaarten voor kerst, zonder retouradres.’

Bron Sarah Yu Zeebroek

En: ‘In 2000 sterft mijn broer in Kopenhagen, een complete verrassing voor me.’

Die kille feiten worden afgewisseld met haar diep reikende filologische kennis. Aan het eind blijft de broer onkenbaar, ook voor de lezer, maar heb ik wel iedere keer het gevoel iets dichter bij Carson te zijn gekomen. Een volstrekte illusie, een onmogelijkheid in dit oeuvre, maar toch, een heerlijke om in te geloven.

Is wat zij hier doet niet wat je moet doen met de onbereikbare personen om wie je geeft? Je schept een persoonlijk monument voor ze en iedere keer als je ervoor buigt, besef je dat je poging de ander te naderen uiteenvalt als een stukgelezen notitieboek.

Onbereikbare vader

Overal waar je kijkt in het werk van Carson vind je die onbereikbaarheid. In The Anthropology of Water schrijft ze over haar vader, de bankier wiens werk bepaalde waar de familie ging. In dit essay (opgenomen in de bundel Plainwater, uit 1995) bezoekt Carson hem in een ziekenhuis waar hij is opgenomen ‘omdat hij de beheersing over enkele lichaamsdelen en zijn rede verloren is’.

Ze ziet haar vader wegglijden in dementie. ‘Mijn vader was altijd al een gereserveerd mens. Nu was zijn geest een heilige plek geworden waar niemand naar binnen kon of de weg kon vragen’ (vertaling GdV).

Haar relatie met hem was moeilijk. Zijn oordeel was vernietigend toen hij eens op de keukentafel een gedicht van haar vond. Hij kraste het vel vol met ‘vrijdag vuilnisophaaldag’. En toch, schrijft Carson, moeten we mild zijn als we onze vaders bevragen. Was het niet haar vader die haar misschien wel de belangrijkste vraag voor haar schrijverschap voorlegde, toen hij zei: ‘Hoe kun je je eigen leven zien als je er niet uitstapt?’

Maar hoe stap je uit je leven zonder het te verlaten?

In Decreation, misschien wel haar meest programmatische essay, neemt Carson de uitdaging van haar vader aan. Is niet al het schrijven een beetje uit het leven stappen, vraagt ze zich af, terwijl ze bij drie vrouwelijke voorbeelden, drie mystici, te rade gaat. Ze leest Sappho en leert dat om lief te hebben je jezelf moet kunnen achterlaten, je jezelf in armoede moet kunnen storten. Ze leest Marguerite Porete en leert dat de vrije wil door God is gegeven om ook weer aan hem terug te geven. En ze leest Simone Weil en leert dat volmaakt geluk alleen kan bestaan als al het geluk is uitgebannen; we kunnen alleen helpen de wereld verder te scheppen door onszelf te ‘ontscheppen’.

Van die drie auteurs leert ze dat schrijven eerst en vooral wil zeggen: ‘een groot, luid, schitterend middelpunt van het zelf opbouwen vanwaaruit dat schrijven een stem krijgt’.

Maar direct daaropvolgend: ‘Elke bewering dat je van plan bent dat zelf te vernietigen terwijl je tegelijkertijd doorgaat met schrijven, dat schrijven wil laten klinken, moet de schrijver wel tot list of zelfs innerlijke tegenspraak voeren.’ Vertellen, schrijven, is een functie van het zelf, hoe listig ook. En toch proberen schrijvers aan dat door henzelf gecreëerde centrum te ontsnappen.

Bron Sarah Yu Zeebroek

Ook Carson doet dat. Misschien is dat wel de verklaring voor haar aversie tegen genregebondenheid. Het is hoe dan ook de paradox van de schrijver: je creëert een beeld van jezelf om maar niet jezelf te hoeven prijsgeven.

Zou ze weten dat iedere poging iemands ware zelf te onthullen zoiets is als het vastpinnen van een vlinder? Dit was ook wat Simone Weil overkwam toen haar nalatenschap opnieuw werd geordend door de man aan wie ze het had toevertrouwd. Zoals Carson schrijft: ‘Hij ondernam een serieuze poging om haar met alle macht terug te duwen in dat middelpunt van haarzelf.’

Schrijven is eerst een vooral ook dat: je verzetten tegen de verstarring. Het is een afdalen in de diepte, een opklimmen naar het licht, het is sprongen maken, uitwijken, om maar niet in het centrum te hoeven geraken. Ik wou dat mijn vriend Carson zou lezen. Dan zou hij zien: op papier zijn al onze mogelijkheden nog open.