Zoek je intimiteit maar word je angstig als iemand te dichtbij komt? ‘Zulk duw- en trekgedrag is funest tijdens de eerste fase van een relatie’
Meestal volgt een promotieonderzoek niet lang na het afstuderen, maar Liselotte Visser koos voor een minder gebruikelijke route. In 2014 begon ze op 47-jarige leeftijd haar promotieonderzoek naar de psychologische factoren die een rol spelen bij het vinden – of juist het steeds maar niet kunnen vinden – van een liefdesrelatie. Op 18 september verdedigde ze haar proefschrift aan de Open Universiteit.
Die twaalf jaar aan onderzoek speelde zich voornamelijk af in de weekenden. Doordeweeks bleef ze fulltime aan het werk als psycholoog en relatiebemiddelaar. Het kleine beetje tijd dat ze overhield, ging naar haar man, vier kinderen, en ondertussen twee kleinkinderen. „Dat het nu achter de rug is, kan ik nog niet helemaal bevatten. Toen ik met mijn dochter een hardloopwedstrijd rende, pakten we elkaars hand en sprintten we vol euforie over de finish, en toen had ik echt dat gevoel van: we did it! Dat voel ik nu totaal niet. Ik ben druk, mijn leven gaat gewoon door. Het moet nog landen.”
Relaties waren voor Visser in 2014 al geen onbekend terrein meer. Op haar vijftiende startte haar moeder een klein matchmakingbureau, dat vrijgezellen aan elkaar koppelt en begeleidt in het datingproces. „Dat groeide explosief snel, mijn moeder werkte dag en nacht.” Als middelbare scholier schoot ze haar moeder al te hulp, en sindsdien is er nauwelijks een moment geweest waarop ze níét met relaties bezig was. Ook haar studie psychologie en werk als psycholoog heeft ze altijd gecombineerd met het begeleiden van vrijgezellen in de zoektocht naar een partner.
Toch wilde ze graag nog promoveren. „Op deze manier kan ik de dingen die ik in de praktijk zie wetenschappelijk onderbouwen. Daardoor krijgt mijn dagelijkse werk meer legitimiteit en kan ik ook bijdragen aan hoe vanuit de wetenschap naar relatievorming wordt gekeken.”
Het vinden van een romantische relatie is volgens Visser van belang. „Ik ken mensen die ervoor kiezen om alleen te blijven, en luidkeels verkondigen hoe gelukkig ze wel niet zijn. Als ik doorvraag, geven ze uiteindelijk toch vaak toe te verlangen naar de geborgenheid van een veilige relatie.” Ze vertelt dat uit onderzoek keer op keer blijkt: een goede relatie hangt samen met zowel individueel geluksgevoel als een betere fysieke gezondheid. „De redenen om alleen te willen blijven zijn vaak heel legitiem, maar je ontzegt jezelf wel degelijk iets.”
Toch lukt het sommigen maar niet om voorbij die datingfase te komen, hoe graag ze dat ook willen. Hoe kan dat toch? Visser ziet dat mensen de verantwoordelijkheid vaak bij de ander leggen. „Ik ben de juiste nog niet tegengekomen, zeggen ze dan.” Ze schiet in de lach als ze merkt dat ze een oogrol niet kan onderdrukken. „Dat is toch onzin? Je komt per dag tientallen mensen tegen, hoe weet je nou of de juiste daar niet tussen zit? Ik wilde juist op zoek naar wat in mensen zélf de zoektocht naar een duurzame relatie belemmert.”
De diepere kennismaking
Ze merkte dat de huidige kennis over relatievorming vooral is gebaseerd op studies die gaan over online daten. „Maar dan gaat het dus om die vroegste fase, de eerste indruk en lichamelijke aantrekkingskracht.” Ook bleek veel bekend over relatiedynamiek, wanneer stellen al langer bij elkaar zijn. „Weinig onderzoek gaat over wat er gebeurt tijdens die diepere kennismaking, tussen die beginfase en het daadwerkelijk vormen van een relatie.”
„Na ongeveer drie maanden gebeurt er iets, dat is het moment dat de datingsfase vaak wordt afgekapt”, zegt Visser. „Het is een interessante fase, want je bent al voorbij die eerste aantrekkingskracht, maar zit nog wel vóór de grote discussies over levenskeuzes, samenwonen, kinderen en geld.”
Om die fase beter te doorgronden, onderzocht Visser vrijgezellen van tussen de 27 en 96 jaar die zich aanmeldden bij haar matchmakingbureau. „Deze mensen zijn dus echt op zoek naar een relatie. Ik heb iedereen bij het eerste gesprek gevraagd of ze wilden meedoen aan mijn onderzoek.” Uiteindelijk deden ruim 2.000 relatiezoekenden mee. Met psychologische vragenlijsten bracht ze bij hen onder meer persoonlijkheid, zelfvertrouwen en de manier waarop ze zich hechten in kaart. Na vijftien maanden keek ze wie er inmiddels een relatie van minstens drie maanden had en wie nog steeds alleen was. Door de verschillen tussen die twee groepen statistisch te vergelijken, stelde ze vast welke factoren de kans op relatievorming vergrootten of juist verkleinden.
„Toen kwamen de eerste verrassingen.” Visser legt uit dat onderzoek naar online daten en langere relaties aantoont dat afgebakende persoonlijkheidskenmerken belangrijk zijn voor succes in het vinden van een relatie. Denk aan extravert zijn, openstaan voor nieuwe ervaringen en emotionele stabiliteit. Ook een positief zelfbeeld („je moet eerst van jezelf houden voor je dat van een ander kan”) lijkt kansen te vergroten. „Ik dacht, dat zal dus in deze driemaandenfase ook wel van belang zijn. Maar niet dus!” Visser roept het nu vol enthousiasme, maar dat was niet haar eerste reactie toen ze deze resultaten zag. „Mijn eerste gedachte was: ik heb iets fout gedaan.”
„Maar toen ik keek naar mijn onderzoeksgroep, was het zo raar nog niet. Veel onderzoek naar daten nemen studenten als onderzoeksgroep, en die zijn nog heel erg bezig met lichamelijke aantrekkingskracht. Zij moeten zichzelf nog leren kennen, en weten vaak nog helemaal niet wat ze zoeken. Ik onderzocht dertigplussers. Zij zijn zichzelf al tig keer tegengekomen en kunnen misschien iets beter door die eerste indruk heen kijken. Ik zeg niet dat die karaktereigenschappen op de lange termijn geen rol spelen, maar voor die doelgroep zijn ze tijdens die eerste fase van relatievorming in ieder geval niet heel belangrijk.”
Eén factor bleek wél de kansen voor relatievorming te bepalen, en dat is fearful attachment. Het is een van de drie hechtingsstijlen die het moeilijk maken om emotioneel te binden aan een ander, naast de bekendere bindingsangst en verlatingsangst, legt Visser uit. Mensen met deze hechtingsstijl hebben behoefte aan intimiteit, maar worden angstig zodra ze dat daadwerkelijk krijgen. Het uit zich in wisselend gedrag: je trekt naar iemand toe wanneer diegene afstand neemt, maar zodra iemand dichtbij komt, duw je diegene weer weg.
Verschillen in hechtingsstijl
Om het verschil met verlatingsangst en bindingsangst uit te leggen, duikt Visser dieper de theorie in. Ze vertelt hoe je verschillen in hechtingsstijl met gevalideerde psychologische vragenlijsten kunt meten over twee dimensies: angstig en ontwijkend gedrag. „Mensen met verlatingsangst hebben een laag zelfbeeld en hebben anderen nodig om zichzelf te accepteren. Ze scoren hoog op angstig gedrag, wat betekent dat ze onzeker zijn of hun partner er voor hen zal zijn als het nodig is, en klampen zich dus enorm vast. Bindingsangst scoort juist hoog op de ontwijkende schaal, wat betekent dat ze anderen niet vertrouwen. Ze vinden dat ze niemand nodig hebben, laten weinig van hun emoties los, en creëren afstand.”
„Mensen met fearful attachment scoren hoog op beide dimensies. Ze hebben behoefte aan een relatie, anders zouden ze zich ook niet inschrijven bij een matchmakingbureau. Maar zodra iemand dan echt dichterbij komt, worden ze wantrouwig.” Ze zijn bang dat de ander hen pijn zal doen. Visser vermoedt dat vooral de onvoorspelbaarheid van het resulterende duw-trekgedrag funest is voor de eerste fase van het daten.
„Mijn onderzoek laat zien dat veel dingen waar mensen zich nu druk om maken bij het zoeken van een relatie, niet relevant zijn. We zijn in onze zoektocht naar de liefde volledig de weg kwijtgeraakt. Swipe, swipe, swipe. Beoordelen en beoordeeld worden. Ellenlange lijsten aan eisen, op gebieden die helemaal niet belangrijk zijn. We moeten terug naar de basis.”
De resultaten van haar onderzoek hebben veranderd hoe Visser naar relatievorming kijkt, en ook hoe ze mensen in haar praktijk zal begeleiden. „Als was gebleken dat introverte mensen minder kans maken op een relatie, zouden we meer communicatietrainingen moeten aanbieden. Maar dat is blijkbaar niet genoeg. We hoeven hechtingsstijlen ook niet te veranderen met cursussen, dat kan ook niet zo makkelijk, maar we moeten wel meer aandacht hebben voor dat moment dat twee mensen daadwerkelijk dicht bij elkaar komen. Want dat is het moment dat de mensen met moeilijke hechting ineens terugdeinzen, en misschien moeten we daar beter doorheen prikken.”
Wat Visser betreft is haar onderzoek nog niet ten einde. „Waarom beïnvloedt fearful attachment de kans op een relatie wel, maar bindingsangst en verlatingsangst niet? En wat zijn de beste manieren om hier in de praktijk mee om te gaan?” Op die vragen gaat iemand anders promoveren, begeleid door Visser. „Ik sta dan aan de zijlijn, daar ben ik wel even aan toe.”
Ze heeft geen spijt van haar keuze om te promoveren, ook al duurde het lang. „Je krijgt niet vaak de kans om zo laat in het leven nog zo veel te leren. Voor iemand die net uit de universiteit komt gerold, is dat leerproces nog veel vanzelfsprekender. Ik vóélde mijn hersenen groeien.”
Wie is Liselotte Visser?
- Geboren
- 1967, Amsterdam
- Ochtendmens
- „Ik sta vroeg op, en dan ben ik go, go, go. ’s Avonds leun ik graag met een wijntje achterover.”
- Bos
- „Vijf jaar geleden zijn we naar een huis aan de rand van een bos verhuisd, waar mijn man alles prachtig verbouwt. We hebben een groentekas en houden van gezond koken.”
Maak NRC jouw voorkeursbron op Google
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten. Meer informatie
Mail de redactie
Ziet u een taalfout of een feitelijke onjuistheid?
U kunt ons met dit formulier daarover informeren, dat stellen wij zeer op prijs. Berichten over andere zaken dan taalfouten of feitelijke onjuistheden worden niet gelezen.