Na vijf jaar kan het Stedelijk zeggen: de collectie is diverser geworden. Maar is een quotum de beste weg?
Het ongemak was merkbaar, op de feestelijke presentatie over vier jaar quotumbeleid in het Stedelijk Museum Amsterdam. Nee, zei kunstenaar Gilleam Trapenberg (1991), geboren op Curaçao, hij wist niet dat zijn werk door het museum was aangekocht als onderdeel van een quotum. En nu hij het weet, hoopt hij vooral dat zijn werk „niet wordt weggestopt in het depot”.
Het symposium ‘Everybody hates quotas’, dat begin september in het Stedelijk werd gehouden, vatte daarmee zo’n beetje alle grote dilemma’s rond diversiteit samen waar de hedendaagse kunstwereld mee te maken heeft. Want: het is onmiskenbaar dat de Nederlandse musea afgelopen jaren op zoek zijn gegaan naar manieren om diverser te programmeren, maar wat is de juiste weg erheen?
Als enige grote Nederlandse kunstmuseum heeft het Stedelijk Museum Amsterdam sinds 2021 een „keihard quotum” ingesteld, zoals museumdirecteur Rein Wolfs het noemt. Het doel: meer „meerstemmigheid” in het museum te krijgen. Ten minste 50 procent van de nieuwe aankopen moet van kunstenaars zijn „van buiten West-Europa of Noord-Amerika en/of kunstenaars die zich identificeren als Zwart, van kleur en/of deel van een etnische minderheid”.
Enige trots was bij het symposium dan ook duidelijk te merken. Dankzij een recent kwantitatief onderzoek (gepubliceerd in de museumpublicatie Szine) kan het museum nu over de periode tussen 2021 tot 2025 zeggen: ja, het quotum is „ruim gehaald”. 59 procent van de 193 aangekochte makers viel onder het quotum, en 79 procent van het totale aankoopbudget werd besteed aan kunstenaars die aan dit criterium voldeden. Maar van een juichstemming was toch ook weer geen sprake: men noemde het quotum een „paardenmiddel”, dat liever vermeden zou zijn geweest.
De zeggingskracht van het kunstwerk zou voorop moeten staan, maar dat lijkt bij de keuze voor herkomst van de maker ineens niet meer vanzelfsprekend
De reden is niet moeilijk te zien: een quotum schuurt hard tegen meerdere pijnpunten van de kunstwereld aan, en boven alles torent daarbij het heiligste huisje van de moderne kunst, de vraag naar de artistieke autonomie. De zeggingskracht van het kunstwerk zou in theorie tenslotte voorop moeten staan, maar precies dat lijkt bij de keuze voor herkomst van de maker ineens niet meer vanzelfsprekend. Rein Wolfs herhaalde bij de presentatie niet voor niets meermaals dat „de kwaliteit van het werk” heus steeds voorop bleef staan: „Het ligt op de loer dat je keuzes maakt die afbreuk doen aan de kwaliteit, maar dat hebben we niet gedaan.”
Jonge witte man
Ook bleek er ondanks alle zorg voor diversiteit tóch nog een groep te zijn benadeeld in de periode 2021 tot 2025, al was het een onverwachte. In de aankopen worden vrouwelijke makers en kunstenaars van kleur nu beter vertegenwoordigd, maar „jonge [witte] mannelijke makers komen nauwelijks voor en ontvangen vrijwel geen budget”. Directeur Wolfs was van deze uitkomst „geschrokken”, zei hij. Het museum wil de breedst mogelijke vertegenwoordiging aan kunstenaars laten zien en dus ook „mannelijke, witte, jonge makers” niet uitsluiten.
Uiteindelijk blijft dan de vraag over: gaan de bezoekers de resultaten in de museumzalen ook echt terugzien? Nieuwe aankopen komen, na een eerste overzichtstentoonstelling, sowieso niet per definitie op zaal te hangen. Het Stedelijk probeert in zijn exposities wel een balans in de representatie van geslachten te hanteren, zegt museumdirecteur Wolfs, maar hier geldt geen „keihard quotum” voor herkomst.
Sterker nog: wie er met het nieuwe cijfermateriaal in de hand naar op zoek gaat, kan lang zoeken. In diezelfde periode heeft het museum namelijk juist besloten om op de informatiebordjes de herkomst van een kunstenaar weg te laten. De kunst moet „voor zichzelf spreken”, zoals hoofd onderzoek Charl Landvreugd onlangs in NRC zei. Met andere woorden: in het aankoopbeleid benadrukt het museum wél de verschillen in herkomst, maar in de museumzalen mag het de ervaring van het kunstwerk niet sturen.
/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/10/15095628/151026CUL_2037404090_reinwolfs.jpg)
Rein Wolfs, directeur Stedelijk Museum Amsterdam, zegt „de lacunes uit het verleden te repareren”.
ANP / Rob BrouwerEén ding is zeker: de discussie over de beste weg zal nog wel even doorgaan. Tot 2028 gaat het Stedelijk door met het quotum, om „de lacunes uit het verleden te repareren”, en „niet in te zakken”, zegt Wolfs. Maar het ongemak over het „paardenmiddel” blijft ook. De reactie van kunstenaar Gilleam Trapenberg tijdens de podiumdiscussie was even eerlijk als tekenend: toen zijn werk na zijn afstuderen door het Stedelijk werd aangekocht, opende dat nieuwe deuren. Maar hij hoopt dat zijn werk in het Stedelijk wel regelmatig echt te zien zal zijn. Want alleen in het depot, „hoe ambitieus is dat?”
Maak NRC jouw voorkeursbron op Google
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten. Meer informatie
Mail de redactie
Ziet u een taalfout of een feitelijke onjuistheid?
U kunt ons met dit formulier daarover informeren, dat stellen wij zeer op prijs. Berichten over andere zaken dan taalfouten of feitelijke onjuistheden worden niet gelezen.