Vertrekkend rechter ziet groeiend aantal verwarde verdachten in de rechtszaal. ‘Die mensen hebben hulp nodig, maar niet van de strafrechter’
Een 83-jarige vrouw met beginnende dementie had haar kind om het leven gebracht en iedereen in de rechtszaal leefde met haar mee. De dochter had het syndroom van Down, was incontinent en kreeg zelfstandig geen hap door haar keel. Vijfendertig jaar lang had de moeder zonder hulp van buitenaf voor haar gezorgd. Opname in een tehuis was op een drama uitgelopen – ze zou daar mishandeld en seksueel misbruikt zijn.
Een maand voor het misdrijf stonden onverwachts een agent en een verpleegkundige op de stoep. Konden zij hulp inschakelen? De moeder leefde vanaf dat moment in de overtuiging dat haar dochter opnieuw uit huis zou worden geplaatst. Ik moest Dootje beschermen, verklaarde ze op het politiebureau en later in de rechtszaal. Ze sneed met een scheermes de keel van het kind door en probeerde daarna, liggend op bed, hetzelfde te doen bij haar eigen polsen.
Jan Moors zat de rechtbank voor die over de zaak moest oordelen. „Een afschuwelijke zaak”, herinnert de strafrechter zich. Na twee maanden voorarrest mocht de vrouw de strafzitting thuis afwachten. „Een heel ernstig feit” dat maatschappelijk „buitengewoon gevoelig” lag, zegt Moors. „Maar ik denk dat het gelukt is dat alle aanwezigen zich in de verdachte konden verplaatsen. Ze begrepen voor welk dilemma ze stond.”
Hoe bereiden rechters zich voor op zo’n heftige zaak?
”Als je het dossier leest, krijg je te maken met je eigen verwondering en ontzetting. Dat mag je alleen delen met de twee collega-rechters en de griffier. En dan is de vraag: hoe kunnen we zorgen dat aandacht komt voor alle aspecten? Beseft moeder wat ze heeft gedaan? Handelde ze in paniek of kunnen opzet en moord worden bewezen? Welke straf past? Ik herinner me dat de rechtbank, de officier en ook de advocaat eensgezind hebben opgetrokken.”
De moeder werd veroordeeld voor moord. Ze kreeg geen straf ‘vanwege de uitzonderlijke omstandigheden en haar leeftijd’.
”Als rechtbank hebben we mevrouw indringend geconfronteerd met de angst die haar dochter moet hebben ervaren voordat ze werd omgebracht. Mevrouw was buitengewoon emotioneel, niet in staat haar verhaal te vertellen. We zagen totale paniek.”
Neemt u er iets van mee?
”Nee. Je velt met elkaar een oordeel en schrijft het vonnis, vaak met nadruk op het perspectief van de verliezende partij. Daarna zitten de zaken, honderden moet ik er hebben gedaan, opgeborgen. Ik probeer ze te vergeten.”
Rechter Jan Moors (Haarlem, 1960) ging op 1 oktober met pensioen. Hij bracht als persrechter de uitspraken bij de mensen thuis. Hij werd zelf onderwerp van debat toen hij als voorzitter van de rechtbank door PVV-voorman Wilders wegens vooringenomenheid werd gewraakt. En in de laatste maanden van zijn 35-jarige carrière heeft hij als president van de rechtbank Noord-Holland een collega voorgedragen voor ontslag. De rechter had gemeenten duizenden Woo-verzoeken gestuurd zonder bij zijn werkgever open kaart te spelen. De procureur-generaal moet nog beslissen of het verzoek wordt voorgelegd aan de Hoge Raad.
Lag u wakker van deze ontslagzaak?
”Ja.” De voorlichter dringt aan niet op de vraag in te gaan, Moors negeert dat. ”Wij hebben een idioot beroep. Uitgangspunt is dat rechters niet ontslagen kunnen worden. Daar hecht ik aan, want dit betekent dat niemand zich kan bemoeien met de inhoud van onze beslissingen. Maar het schept ook de verplichting om eerlijk en met open vizier te werk te gaan. Dat was hier niet in het geval. Dat vinden we zo ernstig dat ontslag is aangevraagd. Het was de enige keer dat ik zo’n voordracht heb gedaan. In gevallen elders in het land, bijvoorbeeld na een veroordeling voor rijden onder invloed, nam de rechter zelf ontslag.”
Verdachten met verward gedrag
Moors groeide op in een middenstandsgezin van „hard werken, niet ziek zijn”. Hij woonde in de Haarlemse bomenbuurt, op tien minuten fietsen van de rechtbank. Zijn ouders hadden een garage, Jan hielp aan de pomp. ”Vanaf een jaar of twaalf, dertien: ik kreeg heel veel fooi.” Op de middelbare school wilde hij naar de sportacademie, maar vanwege „het carrièreperspectief” ging hij rechten studeren.
Na het vak criminologie was hij verkocht. Het werd strafrecht en het bleef strafrecht, dankzij de eigenzinnige hoogleraar Herman Bianchi. Die prikkelde met zijn pleidooi tegen het strafrecht. Wat strafbaar is, doceerde hij, wordt bepaald door de machthebbers, door de mensen die het geld hebben. „Hoe streng zijn wij op belastingontwijking? Hoe streng zijn we als er op straat een klap wordt uitgedeeld? Rechters zijn er ook, wilde hij maar zeggen, om mensen te beschermen tegen de overheid.”
Wat leert dit inzicht u over de stand van het strafrecht anno 2026?
”Mijn collega’s en ik zien in de rechtszaal een schrikbarend aantal verdachten voorbijkomen met verward gedrag. Bij de ene groep is geen diagnose gesteld, de andere groep is geestelijk gestoord. Als rechter heb je dan twee smaken: straffen, of de mensen vrijlaten met voorwaarden. Maar dan moet er plek zijn bij een instelling en moeten ze begeleid kunnen worden. Dat lukt vaak niet en dat is verschrikkelijk.
„Een mevrouw had kattenvoer gestolen zonder dat ze katten had. Ze had niks te eten, vertelde ze, dus ging ze ‘iets goedkoops’ stelen. Ze kreeg een taakstraf op een kinderboerderij. Daar bloeide ze op totdat de boerderij failliet ging. Een collega-politierechter verzuchtte laatst dat hij weer ‘ggz-dag’ had. Vijf zaken met vijf verdachten, elk met een psychische aandoening en/of verstandelijke beperking. Die mensen hebben hulp nodig, maar niet van een strafrechter.”
Moet de maatschappij niet beschermd worden als verdachten uit de bocht zijn gevlogen?
”Wij kunnen ze vastzetten en de maatschappij beschermen. Maar dat lost het probleem niet op. Sterker: deze verdachten gaan weer de fout in en komen terug zolang ze niet geholpen worden. Dat is heel naar voor de verdachte en bijzonder ontmoedigend voor collega’s. Het systeem raakt erdoor verstopt.
”Al gauw een kwart van alle verdachten die wij bij de rechtbank Noord-Holland zien, is verward. En het kwalijkst: van hulpbehoevende en vaak jonge verdachten wordt ook misbruik gemaakt. Ze laten zich zonder het in de gaten te hebben voor een crimineel karretje spannen. Ze gooien een cobra, vervoeren drugs of wapens en overzien volstrekt niet wat ze doen.”
Stage op de Amsterdamse Wallen
Na zijn afstuderen, middenin de werkloosheidscrisis van de jaren tachtig, kon Jan Moors aan de slag op een ministerie in Den Haag. Hij ging beleid maken voor de toenmalige Rijkspolitie, met ”de leukste chef in mijn leven”. Maar hij ontdekte ook dat hij ”geen wereldverbeteraar” is. „Ik gedij beter bij het luisteren naar twee verhalen dan dat ik per se vind dat iets naar rechts of naar links moet.”
In de rechtspraak werken mensen die kunnen dealen met mensen die niet hetzelfde zijn
Hij solliciteerde bij de rechtersopleiding, liep zijn „officiersstage” op de Wallen in Amsterdam en belandde in Alkmaar. Een rechtbank „in de provincie” met werknemers die tot zijn verrassing net zo ruimdenkend waren als in zijn woonplaats Amsterdam. ”Ik ben homoseksueel, mijn partner zingt voor zijn beroep. Als er een feest was, werden wij samen uitgenodigd. Ik heb nooit iets onprettigs meegemaakt, ook later niet. In de rechtspraak werken mensen die kunnen dealen met mensen die niet hetzelfde zijn.”
Wat was een bepalend moment als u terugblikt op uw carrière?
”Ik was 32 jaar toen ik als rechter begon. De eerste jaren vond ik dat ik het wikken en wegen goed in de vingers had. Maar na zes jaar en veel gesprekken met collega’s was ik daar ineens een stuk minder zeker van. Ik vond dat eerst heel vervelend, maar ontdekte dat twijfel essentieel is voor dit beroep. Je moet niet te snel overtuigd zijn van jezelf.”
Hebt u een voorbeeld uit de rechtszaal?
”Een jongen van een jaar of 22 werd tijdens een politierechterzitting verdacht van het stelen van autowielen. Er lag bewijs, maar hij bleef ontkennen. Hij was door de politie aangehouden, zei hij, omdat hij van Marokkaanse afkomst was. Dat gebeurt, dus ik ging met hem mee. Twintig minuten lang heb ik getwijfeld, toch heb ik hem veroordeeld. Meteen deed hij afstand van hoger beroep. Dan weet je: iemand heeft je in de maling genomen. Ik voelde me enorm lullig. Maar een verdachte mag liegen.”
En de strafzaak over de Fitna-film tegen PVV-leider Wilders? Uw rechtbank werd succesvol gewraakt wegens de schijn van partijdigheid.
”Dat bracht mij persoonlijk geen ommekeer. Er ontstond wel een mediastorm. Het was, denk ik, bijzonder omdat het de eerste strafzaak was tegen Geert Wilders. Toen hij later opnieuw voor discriminatie terechtstond werd het rustiger en vond iedereen het normaler.”
De kwestie leidde tot ‘crisis’ bij de Amsterdamse rechtbank en de advocaat-generaal bij de Hoge Raad nam het voor u op.
Moors begint te lachen. ”Ja! Dat vond ik fijn. Er was ook steun voor de aanpak van de rechtbank.”
Úw integriteit werd in twijfel getrokken. Hoe was dat?
”Eerlijk? Het was een nare gebeurtenis, en het kostte tijd en reflectie om ermee te dealen. Ik was het ook niet eens met de beslissing dat de rechtbank vooringenomen was. Maar ook rechters moeten accepteren dat soms iemand een beslissing neemt waar je het niet mee eens bent. Dat gebeurt veel mensen in dit land. Het is niet fijn als het jezelf betreft. Maar dat is wel hoe we het met elkaar hebben afgesproken.”
Heeft het u een nieuw inzicht opgeleverd over media?
”Heel arrogant: nee. Mij heeft het niets geleerd. Ik ben persrechter geweest. Maar ik denk dat het de rechtspraak wel iets geleerd heeft. Collega’s zijn zich bewuster geworden van de noodzaak van transparante rechtspraak en wisselwerking met media.”
Bij politiek gevoelige uitspraken liggen rechters soms in persoon op X onder vuur. Wat kunnen zij beginnen tegen doxing?
”Dat is niet fijn, maar dit gaan we vaker meemaken. Bij ons werk hoort openbaarheid. We zullen daar als rechtspraak steviger in moeten worden. Als het grenzen over gaat, je partner of kinderen doelwit zijn, dan kunnen we zoals iedere burger aangifte doen.”
Hebt u dat ooit gedaan?
”Nee. Kort voor de wrakingszaak publiceerde De Telegraaf een artikel over mij, waarin stond dat ik getrouwd was met Alberto. Vrienden appten: we wisten niet dat jullie getrouwd waren. Het klopte ook niet. Maar dat is het effect van media, mensen geloven wat bericht wordt. Daarna werd mijn motto: je kunt als rechter beter zo transparant mogelijk zijn.”
Komt u weleens een door u veroordeelde dader tegen?
”Zeker. Dan stapt iemand de trein in bij wie je denkt: opletten! Die was niet blij met mij. Meest memorabele moment was tijdens een hardlooprondje in de schemering langs het Amsterdam-Rijnkanaal. Een fietser komt me tegemoet. Ik zie hem kijken, hij keert om en komt naast me fietsen. Meneer, vroeg hij, bent u rechter? Ik knikte, mijn hart klopte in mijn keel. Zegt die man: U bent een goeie rechter, want ik hád het ook gedaan.”
Wat gaat u als ambteloos burger doen?
”Nu even niks. Ik heb altijd fulltime gewerkt en ben benieuwd hoe het leven is zonder agenda. Daarna kan ik als rechter-plaatsvervanger aan de slag. Maar ik sluit niet uit dat ik kies voor vrijwilligerswerk, in het onderwijs bijvoorbeeld. Bij het jeugdstrafrecht zag ik hoe waardevol en bepalend leraren in een mensenleven kunnen zijn. Ik geef mezelf een half jaar. Dan ligt er een besluit.”
Maak NRC jouw voorkeursbron op Google
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten. Meer informatie
Mail de redactie
Ziet u een taalfout of een feitelijke onjuistheid?
U kunt ons met dit formulier daarover informeren, dat stellen wij zeer op prijs. Berichten over andere zaken dan taalfouten of feitelijke onjuistheden worden niet gelezen.