Bij elke cyberaanval kijken we als kippen naar het onweer
Van alle niet-erge dingen die je kunnen overkomen is een nieuwe fiets die gestolen wordt een van de ergste. Gapend gat in de voortuin. Je scheldt hardop. Uit dat gat keert per ommegaande de echo bij je terug: ‘..domme... domme... domme’.
Het idee dat iemand in je tuin heeft gestaan en iets heeft meegenomen, krijg je maar moeilijk van je afgeschud. Even denk je: misschien was het een persoon bij wie het noodlot onevenredig hard heeft toegeslagen, wie weet zit in dat zitje nu een kind dat zelden een verzetje heeft. Maar nee: het was waarschijnlijk toch gewoon een hufter.
Je patrouilleert door de buurt. Alle fietsen lijken sprekend op de jouwe. Wellicht zie je er ooit nog eens iemand op fietsen. Dan schiet je hem eraf. Voorlopig helpt niks. Alleen stampvoeten en een volgende keer heel rechts stemmen.
Remco Campert schreef: ‘Langzaam kom je tot de conclusie dat je het jezelf hebt aangedaan. Had je maar geen fiets moeten hebben.’ Bezit is uitlokking. Of nou ja: bezit, in combinatie met slechte beveiliging, want dáárom hebben de buren dus zo’n gekke ring in hun gevel.
Een samenleving die voor het hele leven, tot aan boodschappen aan toe, afhankelijk is van een paar digitale kluizen en wat losse draden, stelt op een dag onherroepelijk vast dat alles voor het oprapen ligt – het is alleen dankzij tijdgebrek van criminelen dat niet je hele doopceel al op het Darkweb zwerft. Het probleem met digitale veiligheid is dat we de bescherming van elk detail van ons leven hebben uitbesteed, en dat we geen idee hebben aan wie en hoe zorgvuldig die bescherming is.
In Denemarken werd één account (wachtwoord: 123456) gehackt en de privéinformatie van het hele land was publiek. Een topvrouw van Ahold vergeleek de zoektocht naar de cyberfout bij Albert Heijn met een ‘luis zoeken in een heel huis’. Ik zou zeggen: die luis is een uitgehongerde houtworm, en het huis een houten stad op houten palen.
Je zou bepaalde vitale onderdelen van ons leven weer analoog kunnen gaan beschermen, maar gek genoeg wordt dat zelden serieus overwogen. Schijnt niet te kunnen, veel te omslachtig. Je zou ook kunnen zeggen: omslachtigheid is nou juist de kern van beveiliging. Hoe omslachtiger, hoe beter. Maar maak dat de vooruitgang maar eens wijs.
Intussen kijken we bij elke cyberaanval als kippen naar het onweer. Bij Goedemorgen Nederland (WNL) was een ethisch hacker de donderbui, de presentatoren speelden voor kip. Voorbeeld: een fictieve ransomware-aanval op een ziekenhuis, opgediept uit een oude Grey’s Anatomy-aflevering.
‘Kan dit vandaag al?’
‘Ja.’
‘Kan jíj dit?’
‘Ja. Ik kan ook nog wel veel erger dan dit.’
Voor wie een kind van dichtbij bezig ziet, strekken zich talloze platgetreden paden uit, die allemaal aanvoelen alsof er nooit iemand een voet heeft gezet. Zo controleert onze dochter, net als alle 2-jarigen vóór haar, sinds kort voor het slapengaan of er geen draken achter het gordijn zitten. Dat draken niet bestaan, gelooft ze maar half. Dinsdagavond klinkt tijdens die controle in de verte een sirene. Brand, weet ze, of iemand die ziek is.
‘Of een dief,’ vul ik aan.
‘Dieven en draken bestaan niet,’ zegt ze stellig. Ik spreek haar niet tegen. Op datzelfde moment wordt onder ons een fiets gejat. Volgende keer zet ik hem wél op slot.