Waarom er niet naar de Gazaanse student werd geluisterd
Begin deze maand ontving ik een verzoek van een journalist van L1, de regionale omroep van Limburg, met de vraag of ik vanuit mijn ervaring als vertaler duiding wilde geven aan een „mogelijk Arabischtalige uiting” van een Palestijnse student uit Gaza aan de Universiteit Maastricht. De eerstejaarsstudent werd eind vorige maand, na een besluit van het universiteitsbestuur, voor onbepaalde tijd geschorst. De journalist was op zoek naar „een taalkundig expert” die de duiding van haar Palestijnse contacten met academisch gezag kon bevestigen.
Rahma Bavelaar is antropoloog en literair vertaler. (Arabisch-Engels). Recentelijk vertaalde ze de roman Men in the Sun (1962) van de Palestijnse schrijver Ghassan Kanafani.
Het ongekend snelle en ingrijpende besluit vanuit het hoogste bestuursorgaan van de universiteit kwam een week nadat het CIDI, een spilorganisatie van de Nederlandse Israël-lobby, een filmpje waar de student in verschijnt op 25 september op X had geplaatst. In het bijschrift stond de aantijging dat de student in het filmpje „impliceert betrokken te zijn geweest bij het bloedbad van 7 oktober”. Palestijnse studenten die hier komen studeren zouden een terreurdreiging vormen voor Nederland, aldus het CIDI. Inmiddels heeft het OM bekendgemaakt geen aanleiding te zien voor verder strafrechtelijk onderzoek naar de student.
In het filmpje, dat is opgenomen in een studentenhuis, is de student te zien terwijl hij met een aantal anderen in een huiskamer zit te kletsen. De camera zoomt in op een televisiescherm, waar een uitzending van Al Jazeera te zien is over de Hamas-aanval van 7 oktober 2023. Wanneer een lid van de Al-Qassam Brigades in beeld komt, wijst de Palestijnse student naar het scherm en zegt hij, volgens het CIDI-bericht: „7th of October…This is me”.
De aantijgingen van het CIDI ontketenden een storm van verontwaardiging in de landelijke politiek en media. De door het CIDI gerapporteerde uiting van de student – „This is me” – werd daarbij steeds opnieuw zonder wederhoor geciteerd. Dit resulteerde in een keiharde lastercampagne en doodsbedreigingen tegen de student, die moest onderduiken.
Bij de eerste beluistering van het filmpje hoorde ik het direct: de student spreekt daar geen Engels, maar Arabisch. Hij zegt niet „this is me”, maar „tasheshny”. Een Arabischtalige, ongeacht het dialect dat zij spreekt, hoort aan de vorm van dit woord direct dat het hoogstwaarschijnlijk een werkwoord is in de gebiedende wijs, met een aangehecht persoonlijk voornaamwoord ‘-ny’ (mij).
Levantijns-Palestijnse dialect
Doorgaans vertaal ik uit het Modern Standaard Arabisch en het Egyptisch-Arabisch, dus ik kon het woord niet direct met zekerheid duiden. Om de betekenis in het Levantijns–Palestijnse dialect vast te stellen, ging ik online op zoek naar voorbeelden van alledaags gebruik van de formulering in het filmpje door moedertaalsprekers van het Palestijns-Arabisch. Uit wat ik tegenkwam bleek dat de werkwoordsvorm in het filmpje zoiets betekent als ‘naar buiten gaan’ of ‘een uitstapje maken’. De betekenis leek dus alledaags en eenduidig. Ik vond geen voorbeelden van een recent meer dubbelzinnig gebruik van het werkwoord, in memes of sociale mediaberichten.
Uit screenshots in de media van het X-account van de student bleek dat hij het woord vaker gebruikt, bijvoorbeeld in een post met een
foto van platgebombardeerde huizen in Gaza. Boven de foto schrijft hij „tasheshny”, met een emoji van een uitgestrekte hand, en daaronder in het Engels: „from Gaza to Europe”. Met andere woorden: haal mij hier weg.
Voor de zekerheid controleerde ik de vertaling waar ik op uit was gekomen bij een Palestijns-Nederlandse vriendin, die mijn vertaling bevestigde. Omdat zij zelf niet uit Gaza komt, heeft ze bij een aantal Palestijnen uit Gaza gecontroleerd of het werkwoord door hen op dezelfde manier wordt gebruikt. Dat bleek inderdaad het geval.
Waar genocidaal geweld van Israël wordt gedoogd, hebben Palestijnen zelfs geen recht op woede
Mijn ’taalonderzoek’, inclusief de bevestiging van mijn duiding door Palestijnse kennissen, kostte mij niet meer dan een halfuur. Maar sinds de publicatie van het stuk door L1 volgde geen rectificatie in de media of door de universiteit. Een student die een genocide is ontvlucht is hierdoor opnieuw onveilig en tot slachtoffer gemaakt. Waarom heeft het bestuur van de Universiteit van Maastricht dit niet zelf uitgezocht? Waar waren de factcheckers van de NOS, het ANP en andere landelijke en internationale nieuwsplatforms die deze desinformatie hebben verspreid?
Waarom ging men niet te rade bij Palestijnen over hun moedertaal, en moesten de Palestijnen die L1 hebben aangeschreven over de vertaalfout eerst gefilterd worden via een witte academische vertaler om door een enkele regionale journalist gehoord te worden? De L1-journalist veronderstelde dat het een „oprechte vergissing” kan zijn geweest van de journalisten die het CIDI-bericht overnamen. „That is me” klinkt immers als tasheshny.
Een minder genereuze maar aannemelijke verklaring is dat journalisten, politici en universiteitsbestuurders vanuit een bewuste of onbewuste vooringenomenheid niet op het idee komen om Palestijnen te raadplegen over hun eigen spreektaal. Zelfs die eerste journalist met vragen over de vertaling voelde zich genoodzaakt de stem van de Palestijnen die zij had geraadpleegd, te filteren via de autoriteit van een witte wetenschapper.
‘Perfecte slachtoffers’
Maar dan nog: bij zulke ernstige aantijging uit een overduidelijk bevooroordeelde bron stel je toch kritische vragen en poog je wederhoor te krijgen voordat je publiceert? Of is hier meer aan de hand dan een oprechte (ver)taalfout en wantrouwen jegens de ‘objectiviteit’ van Palestijnen?
In een recent essay werpt de Palestijnse schrijver en docent aan de Universiteit van Birzeit, Abdeljawad Omar, nieuw licht op een inmiddels welbekende vraag: wie heeft er toestemming om te vertellen (permission to narrate) over de Palestijnse realiteit onder Israëlisch vestigingskolonialisme, en onder welke voorwaarden wordt die toestemming verleend? Omar haalt het bekende essay van Edward Said met deze titel aan, en beschrijft het uitputtende gevecht dat Palestijnse intellectuelen decennialang hebben moeten leveren om hun realiteit onder apartheid überhaupt te mogen bespreken aan de tafels van de westerse media en politiek. Zelfs wanneer Palestijnen aan mogen schuiven, wordt de ‘vertaling’ van hun woorden altijd vooraf bepaald door het gewicht van de Europese Holocaust waar Palestijnen part noch deel aan hebben gehad, door verregaande politieke, militaire en economische banden met Israël, en door diepgeworteld anti-Palestijns racisme, aangewakkerd door pro-Israëlische actoren zoals bijvoorbeeld het CIDI, verschillende politici en lokale krant De Nieuwe Ster.
In zijn boek Perfecte Slachtoffers (2025) analyseert de Palestijnse schrijver Mohammed El-Kurd de kern van dit voorwaardelijk spreken: om gehoord te worden, moeten Palestijnen eerst bewijzen dat ze ‘perfecte slachtoffers’ zijn. Kenmerkend voor die rol van de ‘goede Palestijn’ is geweldloosheid. Palestijnen, en vooral Palestijnse mannen, mogen getuigen over de vernietigende mentale en fysieke impact van de Israëlische bezetting, onteigening, etnische zuivering, gevangenneming en apartheid. Maar alleen als ze deze lijdzaam ondergaan. Dit is de hoe een koloniale relatie in stand wordt gehouden, schrijft El-Kurd: waar genocidaal geweld van Israël wordt gedoogd in naam van een historisch en voortdurend potentieel slachtofferschap, hebben Palestijnen zelfs geen recht op woede, wraakgevoelens, laat staan fysieke zelfverdediging in reactie op daadwerkelijk bruut geweld. Het wantrouwen tegenover Palestijnse mannen is zo groot dat ze vaak niet eens worden genoemd in slachtofferstatistieken (alleen ‘vrouwen en kinderen’ tellen mee).
De meerderheid van de Europeanen, en vooral de jongere generatie, prikt door de Israëlische propaganda heen
De door Omar en El-Kurd beschreven uitsluitingsmechanismen – de voorwaardelijke zelfrepresentatie, het perfecte slachtofferschap – zijn diep ingebed in het Nederlands publiek discours over Palestijnen, óók onder mensen die zich uitspreken voor Palestijnse rechten. Ze spelen
ongetwijfeld ook een rol in de ‘vertaalfout’ van de Palestijnse student in Maastricht door Nederlandse instanties. De reflex morele smetteloosheid te eisen als voorwaarde voor empathie en solidariteit is zo diepgeworteld, dat zelfs de suggestie van sympathie met militant verzet onmiddellijk de schuldpresumptie activeert ten aanzien van Palestijnse mannen en jongens.
Omar gaat een stap verder in zijn analyse. De meerderheid van de Europeanen, en vooral de jongere generatie, prikt door de Israëlische propaganda heen en is solidair met de Palestijnen. Onderzoek, beelden en feiten over de realiteit van de Israëlische bezetting zijn beschikbaarder en toegankelijker dan ooit, en Palestijnen krijgen vaker een bona fide platform voor politieke analyses en eisen. Toch blijven westerse leiders, media en instituties Israëlische propaganda reproduceren alsof het een neutrale nieuwsbron is.
Dat geldt ook in de Nederlandse landelijke politiek: neem de recente Kamerbrief waarin justitieminister David van Weel het vermaledijde Israëlische rapport over de vermeende banden tussen Hamas en verschillende ngo’s gebruikt als neutrale onderbouwing voor interventies tegen organisaties die – volgens Israël – „extremisme bevorderen”. Maar ook relatief onafhankelijke instituties, zoals het universiteitsbestuur in Maastricht, lopen kritiekloos achter het CIDI aan.
De Israëlische historicus Ilan Pappé beschrijft het opzettelijk wegkijken van de feiten door westerse bestuurders als een vorm van „aangeleerde onbekwaamheid” en „bewuste domheid”. Het onrecht dat Israël de Palestijnen aandoet is bekend, en wordt tot op zekere hoogte ook erkend. Maar de erkenning van dat leed is zelf een ritueel geworden dat morele legitimiteit verschaft, zonder tot politieke consequenties te leiden. Dat is volgens Pappé een bewuste keuze. Het is morele lafheid.
Is de collectieve onnozelheid ten aanzien van de politiek gemotiveerde desinformatie van het CIDI van journalisten, politici en academici die beter zouden moeten weten, een vorm van ‘aangeleerde onbekwaamheid’? Is de ‘vertaalfout’ en de framing van de Palestijnse student een vorm van morele lafheid? Ja, zouden Omar en Pappé antwoorden. Maar er is meer aan de hand.
Wegkijken
De ontkenning van de Palestijnse realiteit is niet alleen individuele lafheid, maar is ook een vorm van collectief en institutioneel wegkijken van een ondraaglijke realiteit. Het is het onvermogen om de Palestijn, in al zijn menselijke complexiteit, daadwerkelijk „in de ogen te kijken”, zoals El-Kurd het verwoordt.
Westerse medeplichtigheid aan de vernietiging van Palestijns leven en aan het verdraaien en toe-eigenen van de Palestijnse stem, is niet op te lossen met een individuele morele keuze om het ‘beter te doen’. Westerse leiders weten niet te weinig over de onderdrukking van de Palestijnen, schrijft Omar, maar te veel. En het daadwerkelijk onder ogen komen van die kennis betekent niet slechts een aanklacht tegen Israël, maar tegen de wereldorde zoals we die kennen: een systeem gebaseerd op de mythe van een liberale internationale rechtsorde, in stand gehouden met westers kapitaal en westerse wapens, en onderschreven door een geracialiseerde definitie van menselijkheid.
Gecultiveerde onwetendheid, waaronder alle manieren waarop onze instituties weigeren Palestijnen te horen, te vertalen en te zien, houdt deze orde in stand.
Hoe kan dit mechanisme worden doorbroken? Omar biedt als startpunt een emotie: schaamte. Niet als individuele morele boetedoening, maar als diagnostiek. Het zegt: ik heb de waarheid verdraaid, omdat verder kijken mij mijn wereld zou kosten. Schaamte vormt een breuklijn in vanzelfsprekende structuren; schaamte biedt een opening naar andere keuzes.
De collectieve vertaalfout is een verdraaiing van de waarheid, met verschrikkelijke gevolgen voor de student in Maastricht en indirect voor alle Palestijnse studenten in Nederland: opportunistische parlementsleden dienden naar aanleiding van de desinformatie over het filmpje direct een motie in waarin de deportatie van alle Palestijnse studenten wordt bepleit. Die werd gelukkig niet aangenomen.
Publiekelijk beleden schaamte is het minste wat we van het Nederlandse medialandschap en de Universiteit Maastricht mogen verwachten.
Schaamte die niet blijft steken in woorden, maar leidt tot herstel van het onrecht dat de student is aangedaan.
Maak NRC jouw voorkeursbron op Google
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten. Meer informatie
Mail de redactie
Ziet u een taalfout of een feitelijke onjuistheid?
U kunt ons met dit formulier daarover informeren, dat stellen wij zeer op prijs. Berichten over andere zaken dan taalfouten of feitelijke onjuistheden worden niet gelezen.
:format(webp)/s3/static.nrc.nl/wp-content/uploads/2026/10/11184522/opiauteur-Rahma-Bavelaar-rgb.jpg)