Daar drijven de muizen in de kelder van Keetje Tippel
Hemelsbreed zit je maar een paar kilometer van het gevreesde Overasselt, maar gelukkig ligt het vestingstadje Grave veilig aan de Brabantse zijde van de Maas. Grave zelf was ooit het gevolg van een bendeoorlog op hoog niveau: Herman van Cuijk had in 1133 Floris de Zwarte in een hinderlaag gelokt, ‘laten slapen’ zouden we nu zeggen, omdat hij koste wat kost wilde voorkomen dat zijn protegé Heilewiga van Rhode met Floris zou trouwen. De moord leidde tot wraakacties: Herman werd uit zijn eigen Cuijk gejaagd en besloot dan maar in Grave een nieuwe burcht te laten bouwen.
Van die animositeiten is in Graves kalme vogelbuurt nog maar weinig te merken. Hier lezen de Gravers goede boeken over tijden en streken waarin de mens het zwaarder had. Zo neemt Keetje Tippel van Neel Doff je mee naar negentiende-eeuws Amsterdam. Hier stroomt om de haverklap de halve buurt onder en moet het gezin van Keetje via geïmproviseerde planken een weg door de eigen kelderwoning banen. „Dirk schoof op z’n achterste over de loopplanken en haalde met zijn handen, die blauw zagen van de kou, een nest dode muisjes op, door het water vanonder de kast vandaan gespoeld. Hij vond ook nog een halfdode rat, en almaar op z’n billetjes langs de planken schuifelend toonde hij ons vol trots het dier dat nog ademde.”
De verhalen van Neel Doff (1858-1942) zijn autobiografisch. Ze groeide op in bittere armoede, maar ontwikkelde zich tot een veelgelezen, in het Frans publicerende, schrijfster. In 1911 won ze op een haar na de Prix Goncourt. In Keetje Tippel (vertaald door Wim Zaal) is in 1972 een deel van de verhalen uit die laatste twee titels samengebracht. Deze uitgave hoort bij de speelfilm Keetje Tippel (1972) van Paul Verhoeven.
Mede door de film versmalde de reputatie van Doff zich tot die van een schrijfster van verhalen over armoede en hoererij, maar dat doet haar werk onrecht. Dat geldt ook voor de titel, want Keetje Trottin kan beter vertaald worden als lopende Keetje dan als tippelende Keetje. Ze liep veel door de stad: eerst als loopmeisje voor een apotheker, later voor een hoedenmaker. Steeds weer wordt ze ermee geconfronteerd dat ze haar talenten niet kan ontplooien door haar afkomst.
Heel schrijnend is dat wanneer ze in de hoedenmakerij zelf een hoedje mag afwerken. Ze bezorgt het, de ontvangende dame is dolenthousiast, tot de arme Keetje zich laat ontvallen dat zij zelf de maakster van het hoofddeksel is. Plots is de hoed niet goed meer. „Hier, neem dat ding mee, en zeg maar dat ik direct nog voorbij zal komen… Vijf gulden, en dan in elkaar geflanst door een straatmeid!”
Een belangrijke bijrol in het boek is weggelegd voor Multatuli, want op stille momenten als niemand kijkt, leest Keetje diens Woutertje Pieterse. Ze is verzot op het boek – en op Woutertje – maar verbaast zich over het einde: „Alle romans eindigen met een sterfbed of met het geluk, maar het verhaal van mijn Wouter niet…” Zoals het echte leven. Daarvan wordt Keetje diezelfde middag nog een nieuwe fase binnen gesleurd, door de hoedenmaker: „Even later was hij terug en sprong met zijn volle lengte boven op me, hij was compleet naakt.”
Maak NRC jouw voorkeursbron op Google
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten. Meer informatie
Mail de redactie
Ziet u een taalfout of een feitelijke onjuistheid?
U kunt ons met dit formulier daarover informeren, dat stellen wij zeer op prijs. Berichten over andere zaken dan taalfouten of feitelijke onjuistheden worden niet gelezen.