‘Ik golf nog elke week, met mijn twee vriendjes van 92 en 93 jaar’
Andries van der Werf tekent graag voor nog tien jaar bij, zoveel plezier heeft de vitale 100-jarige in het leven. Tot zijn 98ste zwom hij dagelijks tegen de stroom in, tegenwoordig houdt hij het bij een wekelijks partijtje golf. De gepensioneerde civiel ingenieur verslindt het ene na het andere boek op zijn e-reader en gaat een paar keer per jaar op vakantie.
Hoe ervaart u de ouderdom?
‘Kijk, toen ik 99 jaar was, vond iedereen mij een oude vent. À la minute dat je 100 bent, ben je een bezienswaardigheid, terwijl er niets is veranderd.
‘Ik voel mij niet oud, en denk dat ik nog wel tien jaar kan doorgaan; ik heb genoeg energie en geniet van het leven. Wel gaat mijn conditie zwaar achteruit. Twee jaar geleden ben ik met mijn vrouw vertrokken uit ons huis en zijn we het appartement gaan huren waar ik nu nog alleen woon. Een half jaar na de verhuizing overleed Rietje. In onze woning hadden we een binnenzwembad, waar ik elke ochtend baantjes ging trekken. Dan zette ik de jetstream aan en zwom tegen de stroom in. Daar blijf je fit door.
‘Zwemmen doe ik sinds de verhuizing niet meer, wel golf ik nog elke week, met mijn twee vriendjes van 92 en 93 jaar. Golf mag het eigenlijk niet meer heten; ik sla een bal en daar blijft het bij. Ik verplaats mij in een buggy over het golfterrein. We doen meestal negen holes, maar hebben niet veel nodig om na de zevende te zeggen: ‘Kom, we gaan koffie drinken.’ Ik ben al meer dan veertig jaar lid van de golfclub en kom nu vooral voor de sociale contacten. Ik rij er in mijn auto naar toe.
‘Waar je ook fit van blijft: mantelzorgen. Ik heb tien jaar voor mijn vrouw en het huishouden gezorgd, totdat de huisarts zei: ‘Dat gaat niet meer als je 98 jaar bent.’ Rietje kreeg een indicatie voor 24-uurszorg en zo zijn we hier terechtgekomen.
‘Ik doe er veel voor om ook mentaal fit te blijven: ik lees boeken, twee kranten en kijk het journaal. Ook pruts ik op de computer. Sinds mijn 90ste schrijf ik dagboeken: Belevenissen van een 90-jarige, Belevenissen van een 91-jarige, enzovoorts. Ik heb nu tien delen. Tijdens corona heb ik mijn memoires geschreven, 350 pagina’s.’
Ontdekte u een rode draad in uw leven tijdens het schrijven van uw memoires?
‘Een groot deel draaide om mijn werk. Ik ben civiel ingenieur. Na mijn studie aan de TU Delft werkte ik bij een aannemersbedrijf. Na vijf jaar sprong ik in het diepe en begon ik mijn eigen ingenieursbureau. Ik deed de constructies van grote gebouwen die architecten hadden ontworpen, zoals van ziekenhuizen, kantoren en universiteitsgebouwen. Jaren later ben ik daarnaast goede bedrijfspanden gaan opkopen om te verhuren. Dat heb ik tot mijn 90ste gedaan.’
Van wie heeft u het meest geleerd?
‘Van de directeur van een aannemingsbedrijf waar ik als student een bijbaantje had en na mijn afstuderen een baan kreeg. Ik werd zijn assistent en leerde daar veel van, maar hij heeft ook van mij geprofiteerd. Hij liet mij voor zijn opdrachtgevers bijzondere constructies berekenen, zoals een schaaldak – een gebogen constructie van beton – van 7 centimeter dik en 80 meter lang, met maar één steunpunt in het midden. Zoiets was nooit eerder vertoond. Ik deed het werk, en mijn directeur speelde er mooi weer mee naar de opdrachtgever. Ik ging erin mee omdat ik anders geen werk had. Maar goed, ik heb zoveel vakkennis én mensenkennis opgedaan, dat ik het risico durfde te nemen om voor mezelf te beginnen. Zonder risico’s kom je nergens.
‘Rietje en ik hadden al een kind, de tweede was op komst. Het eerste jaar hebben we armoede gekend. Ik had het geluk dat de vader van een goede vriend mij een grote opdracht gunde. Hij was architect en had de nieuwe gebouwen voor de wis- en natuurkundefaculteiten van de Radboud Universiteit in Nijmegen ontworpen. Hij adviseerde de opdrachtgever mij de constructies te laten doen, ook al wist hij niks van mijn werk. Hierna begon het te lopen.’
In wat voor gezin bent u opgegroeid?
‘Ik ben de oudste zoon van negen kinderen, ik had één zus boven mij. We woonden in Steenwijk, waar mijn vader met zijn broer vier winkels had met dames- en herenkleding, lingerie, bedden en meubels. Een van mijn broertjes is twee dagen voor het eind van de oorlog verongelukt, 13 jaar oud, maar daar praten we verder niet over.’
Wat herinnert u zich van de oorlogsjaren?
‘In het laatste jaar telde ons gezin geen negen kinderen, maar dertien. Er kwamen vier kinderen met honger uit het westen bij. Mijn ouders hadden een groot hart. Toen er evacués uit Arnhem en Noord-Limburg naar Steenwijk kwamen, gaven ze die als vanzelfsprekend ook onderdak. Op een gegeven moment waren we met twintig à dertig man in huis. De pastoor had bij ons aangeklopt voor twee gezinnen uit Limburg, het ene was protestants en het andere katholiek, ze wilden per se bij elkaar blijven. De dominee wilde het katholieke gezin niet helpen en zo kwamen ze allemaal bij ons terecht. We legden matrassen op de grond van onze meubelzaak, daar konden ze slapen. Als oudste zoon deed ik veel klussen, zoals met zwakstroom elektrische leidingen aanleggen, zodat al onze gasten een paar uur per dag wat licht hadden.
‘In het najaar van 1944 droegen de Duitsers alle mannen in Steenwijk ouder dan 17 jaar op naar de Markt te komen. Ik ging met mijn vader en jongere broer. We waren bang dat we voor dwangarbeid naar Duitsland moesten, maar al lopend stopten we in Havelte, waar een kazerne en vliegveld waren. We moesten loopgraven graven en hangars van vliegtuigen afbreken – de Duitsers hadden het ijzer nodig voor hun oorlogsindustrie. Mijn vader had een grote mond en wist zich onder de dwangarbeid uit te praten met het verhaal dat hij voor veel vluchtelingen moest zorgen. Ik haalde van alles uit om de boel te traineren en mij te drukken. Veel plezier had ik met de Italiaanse krijgsgevangenen. We probeerden elkaar schuine moppen te vertellen, terwijl we elkaars taal niet begrepen.’
Hoe pakte u de draad van het ‘gewone’ leven weer op?
‘Wie in dat laatste oorlogsjaar geen examen had kunnen doen, kreeg zijn diploma cadeau, dus ik ook, van de hbs. De TU Delft was nog gesloten, daarom ging ik naar de nood-TU in Groningen. Na drie maanden bleek ik tbc te hebben en heb ik een half jaar geïsoleerd gelegen op een kamer boven een winkel van mijn vader. Ik las alle afleveringen van het tijdschrift Katholieke Illustratie over de Eerste Wereldoorlog. Mijn conclusie was dat die oorlog één grote nutteloze rotzooi was, zoals alle oorlogen. Conflicten kun je alleen oplossen met praten.’
Wie is uw grote liefde?
‘Mijn vrouw natuurlijk. Rietje was het jongere zusje van een vriend uit Delft, een clevere tante. We gingen samen naar concerten en zo is het langzaam gegroeid. Ze was kunstzinnig en muzikaal, ze kon goed pianospelen. Haar twee zussen werden verpleegkundige, maar zij moest haar moeder helpen in het huishouden en haar vader op zijn accountantskantoor. Dat huishouden vond ze verschrikkelijk. Toen we in 1955 trouwden, werd ze huismoeder, daar heeft ze haar hele leven over gemopperd. Ze is met klei gaan werken en maakte prachtige kunstwerken, een aantal staat hier in mijn woonkamer, kijk maar.’
Wat was de mooiste periode van uw leven?
‘De jaren 1986 tot 2006, toen mijn vrouw en ik vrijwel elk weekend gingen zeilen over het IJsselmeer en de Waddenzee. Ik genoot van de vrijheid op het water en het samenzijn en samenwerken op onze boot – Rietje was een erg goede zeilster.’
Hoe bent u met tegenslagen omgegaan?
‘Niet bij de pakken neerzitten en blijven denken dat het beter wordt. In de tijd van mijn ingenieursbureau heb ik een periode meegemaakt dat het heel slecht ging in de bouw, veel bureaus, ook van architecten, vielen om. Mijn bedrijf was bijna failliet. Personeel ontslaan mocht niet, een deel was al uit zichzelf vertrokken. Met mijn secretaresse ben ik naar het arbeidsbureau gegaan. We lieten alle papieren zien en ik zei: ‘Of we gaan failliet en al mijn dertien werknemers zijn hun baan kwijt, of u geeft mij toestemming ze te ontslaan, met de belofte dat ik ze weer aanneem zodra het economisch beter gaat in de bouw.’ Ik kreeg toestemming, en zo is het gegaan. Een stuk of tien werknemers moest ik ontslaan, drie konden blijven en na een tijdje konden we weer uitbreiden.’
En de tegenslag van het overlijden van uw vrouw, na 70 jaar huwelijk?
‘Een jaar na haar overlijden heb ik in de NRC een fotootje van haar laten plaatsen, met de tekst: ‘Ik mis je’.
‘Weet je wat het ergste is van alleen leven? Dat je je verhaal niet kwijt kunt. Dan kom ik thuis van de golfclub en wil ik vertellen wat ik daar heb gehoord, maar dan is er niemand. Voor de rest kan ik goed alleen zijn. Ik kan mij goed vermaken. Dat was al zo toen we nog samen waren – we klitten niet aan elkaar. We maakten samen veel cruisevakanties, dat doe ik nu alleen of met een familielid. In juni heb ik een cruise gemaakt langs de kust van Noorwegen, een schitterende reis. Voor eind dit jaar heb ik een riviercruise geboekt naar Straatsburg. Daar kijk ik erg naar uit.’
Lees ook
Geselecteerd door de redactie
- v-plusInterview100 jaar
‘Ik doe de was, de boodschappen en kook elke dag. Ook doe ik klusjes voor ouderen in de buurt’
- 100 jaar
‘Een balletdanseres die verliefd wordt, is verloren’
- v-plus100 jaar
‘Ik kreeg een oproep voor Nederlands-Indië. Ik dacht: oorlog voeren moeten we niet meer doen, en weigerde dienst’