Interieurstylist en tv-talent Daan Alferink trekt ten strijde tegen volledig beige interieurs: ‘Mensen zijn bang geworden voor kleur’
Daan Alferink had voor zijn nieuwe huis één grote wens: een oprit. Zodat hij na lange opnamedagen in de uithoeken van Vlaanderen of in het hoge Nederlandse noorden niet meer hoefde te zoeken naar een parkeerplekje in de Antwerpse binnenstad, waar hij tot voor kort woonde. Gelukt, bewijst de zwarte BMW voor de garagedeur van zijn drie verdiepingen hoge jarenvijftigwoning net buiten de ring van Antwerpen. Vanaf de overkant van de straat zie je de verwezenlijking van de grote woondroom van zijn partner Stijn: een dakterras met buitendouche.
Inderdaad, Daan Alferink is verhuisd. En bij ieder ander zou je misschien denken: oké, verhuisd, prima. Maar wanneer een geliefde interieurstylist als Alferink zijn stekkie inruilt voor een nieuwe, gaat dat niet onopgemerkt voorbij. Lifestylebladen als Linda en Flair brachten zijn verhuisplannen vorig jaar als nieuws, en op Instagram smulden zijn 543 duizend volgers de afgelopen maanden van de korte verhuis- en verbouwvlogs, waarin de 31-jarige Alferink onder andere scheldend een houten wandkast ophing.
Hij wordt bedolven onder interviewaanvragen, vertelt een relaxte Alferink – petje achterstevoren – als we voor het interview nog een sigaretje roken in zijn knusse tuin. ‘Ik zeg eigenlijk tegen alles nee, maar ik spaarde vroeger zelf de designnummers van Volkskrant Magazine, dus dit voelt dan toch speciaal.’ Enige complicatie: Alferink had al een commerciële deal (‘collab’) met vtwonen, waardoor het interieurmagazine komend voorjaar als eerste medium het volledig ingerichte huis van Alferink mag afdrukken.
Al deze aandacht sluit naadloos aan bij de nieuwe status van de geboren Rotterdammer. Het afgelopen jaar brak hij door bij het grote publiek met zijn optredens in Huizenruilers (RTL) en het Vlaamse woonprogramma Blind Gekocht, dat in Nederland populair is onder de naam Kopen Zonder Kijken (RTL). In beide programma’s helpt hij kersverse huiseigenaren aan een nieuwe inrichting.
De televisiekijker raakte gecharmeerd van zijn vette Rotterdamse accent, zijn ongezouten meningen en spraakmakende uitspraken. ‘Zij gaat een nieuwe hartklep moeten laten zetten zodra ze gaat kakken’, zei hij over een vrouw die een volledig beige inrichting wilde en alleen in het toilet wat kleur tolereerde. Deze uitgesprokenheid, in combinatie met een goed gevoel voor timing, leverde hem een juryrol op in De Slimste Mens Vlaanderen.
Als kers op de taart won hij begin dit jaar een Kastaar (Vlaamse Televizier-Ring) én vorige week de Televizier-Ring Talent voor zijn doorbraakjaar. In zijn speech sprak hij steun uit aan alle kinderen die op school worstelen met hun geaardheid, nu de homoacceptatie daalt volgens onderzoek.
‘Het is nog niet helemaal af, maar beneden begint het ergens op te lijken’, zegt Alferink terwijl hij een kopje koffie zet in zijn gloednieuwe, retestrakke (en gesponsorde) keuken. Hij werd tijdens de bezichtiging ‘verliefd op de potentie’ van het huis. ‘Het eerste wat ik deed na de aankoop was een bevriende aannemer bellen. Ik zei tegen haar: je moet me niet tegenspreken. We gaan samen door het huis lopen, en ik ga alles zeggen wat ik wil, en dan moet jij daarna zeggen of het kan, en wat het gaat kosten.’ Gelukkig voor Alferink kon alles. Hoeveel het kostte, wil hij niet zeggen – ‘Genoeg’.
De oude deuren en de houten visgraatvloer mochten blijven, maar het overdekte terras aan de achterkant moest eruit voor meer daglicht. De inrichting is ‘eclectisch’, zoals Alferink zijn eigen interieurstijl omschrijft. ‘Veel spullen zijn meeverhuisd. Alleen de oude bank heb ik weggegeven en het tapijt weggegooid. Dat was heel goor. Tip: koop nooit een wit tapijt.’
‘In mijn vorige appartement miste ik wat warmte en diepte, dus nu wilde ik met een wat donkerder kleurenpalet werken: bruin, oranje, dieprood. We hebben een nieuwe oranje bank gekocht en het plafond is in een bruine tint geschilderd. Veel mensen vinden een donker plafond een huis klein maken, maar ik vind dat juist gezellig. Vooral ’s avonds, als het buiten donker is, vind ik dit zo’n leuk huis. Ik kan ook niet wachten tot de winter hier.’
Eigenlijk zijn foto’s niet nodig voor een goede indruk van zijn woning. Alferink wandelt door de woonkamer en vertelt enthousiast over zijn veelal vintage spulletjes: de kobaltblauwe pilaar – zijn lievelingskleur – in de hoek van de kamer met daarop een flinke plant, een witte sculptuur van twee meter twintig, de Wassily-stoel ontworpen door Marcel Breuer in 1925. Kunst aan de muur: een abstract, Kandinsky-achtig schilderij, herkomst onbekend, en een blauw mozaïek van vriend Joost. Op het groene tapijt staat een Roche Bobois-salontafel uit 1980, ‘zo mooi met dat gelakte wortelhout’, en natuurlijk de met pijn en moeite opgehangen wandkast van de Deense ontwerper Poul Cadovius uit 1960.
‘Alles heeft een plekje’, zegt Alferink tevreden als hij de ruimte rondkijkt. Dan valt zijn blik op de verpieterde zonnebloemen op het glazen bijzettafeltje. ‘Die moet ik weggooien, heel triest dit.’
Waar begin je bij het vormgeven van een interieur?
‘Ik vertrek altijd vanuit materiaal. Het is belangrijk dat een huis een mix heeft van warme en koude materialen. De vloer is parket, dat is mat en warm. Dat combineer ik dan met stoffen stoelen met zebraprint en een koude bordeauxrode laktafel. Ik hou van bordeauxrood.’
Je trekt op televisie vaak ten strijde tegen de kleur beige. Wat is er zo verschrikkelijk aan beige?
‘Er waait een beige wind door Nederland en België, misschien wel door de wereld. Ik heb op zich geen hekel aan beige, de muren hier zijn ook een lichte beigetint. Ik heb er wel een hekel aan als het hele interieur in dezelfde kleur moet – en dat is tegenwoordig dan vaak beige. Mensen denken dat beige rust uitstraalt, maar dat is volgens mij een misvatting. Ik kom tot rust in een kleurrijk huis.
‘Mensen zijn bang geworden voor kleur. Ze zijn bang dat ze zo’n oranje bank over vijf jaar zat zijn, terwijl ik denk dat je juist meer van meubels gaat houden als ze kleur en karakter hebben. Na drie jaar beige zijn ze erop uitgekeken, en dan denk ik: ja, Sonja, had je toch voor dat kleurtje moeten gaan.’
Zes jaar geleden, tijdens corona, begon Alferinks opmars, toen hij online filmpjes begon te delen over welke spullen en interieurkeuzes hij leuk vond – en vooral ook welke niet. ‘Het succes overvalt me soms nog steeds. Onbekende mensen spreken me aan met: zo gaaf, die kast in je woonkamer. Ik denk dan echt even: hoe weet jij dat? Maar dan realiseer ik me dat diegene dat gezien heeft op mijn Instagram, net als bijna een miljoen anderen. Ze denken echt dat ze je kennen. Vreemden vragen aan me hoe mijn vakantie was.’
En wat antwoord je dan?
‘Goed. Die van jou?’
Heb je er last van?
‘Nee, het is een onderdeel van dit leven. Mensen zijn ook eigenlijk altijd lief. Soms verrast het me gewoon, omdat ik er niet zo mee bezig ben als ik over straat loop. Vorig jaar waren Stijn en ik in Vaticaanstad. We hadden zo’n tour geboekt door de Sixtijnse kapel. Stonden we bij dat altaar en wilde iemand een selfie met mij. Toen dacht ik wel: schat, moet je zien waar je bent, en dan wil je met mij op de foto. Dan ben je niet goed. Maar ik zal nooit nee zeggen. Dan ben je ook veel langer bezig. Altijd ja. Dan is het gewoon ‘klik’ en door.’
Ben je al gewend aan je nieuwe status?
‘Ik vind het leuk om mensen met mijn programma’s en video’s te vermaken, maar we moeten het ook niet groter maken dan het is. Ik ben geen wereldverbeteraar. Mensen vinden het nu leuk om bordeauxrood in hun huis te knallen. Daar heb ik misschien een steentje aan bijgedragen.’
Zie je jezelf nu als interieurstylist, tv-persoonlijkheid of influencer?
‘Dat laatste niet. Althans, dat ben ik óók, dat weet ik, maar in de eerste plaats ben ik interieurstylist. Zo kwam ik op tv, en omdat ik vrij uitgesproken ben, werd ik voor andere programma’s gevraagd en ben ik inderdaad ook een tv-persoonlijkheid geworden.’
Waarom zeg je meteen: dat laatste niet?
‘Een influencer is iemand zonder vak. Het enige wat hij of zij heeft, is content maken, dat is dan zijn of haar vak. Ik heb een opleiding gedaan en gewerkt voor een baas, dus ben ik interieurstylist. Dat is mijn vak. Daarna pas ben ik video’s gaan maken.’
Waarom denk je dat je zo goed bent in video’s maken?
‘Ik neem mezelf niet zo serieus en ik ben natuurlijk best grofgebekt; ik zeg dat ik schurft krijg als ik bij iemand een ‘live laugh love’-bordje zie hangen. Vroeger was ik bang dat ik mensen zou beledigen, maar niemand zag mijn opmerkingen als een belediging jegens de persoon zelf. Ze gingen elkaar juist taggen onder de video. ‘Hahaha @petra jij hebt dat’, en dan reageerde Petra met ‘haha ja, al jaren last van schurft’. Ik kom met veel dingen weg. Ik weet niet wat dat is. Charisma?
‘Ik zeg alles net wat directer dan anderen en ik spreek vaak mijn gedachtekronkels hardop uit. Toen ik als kandidaat bij De Slimste Mens zat, zei ik als ik een antwoord niet wist gewoon: ik snap er geen kloot van, wat is dit voor quiz? Ik ben niet bang om dom over te komen. Dat vinden mensen blijkbaar herkenbaar en leuk.’
Alferink is geboren in Rotterdam-Zuid. Zijn vader was beeldend kunstenaar, zijn moeder architect. Op zijn 4de vertrok het gezin naar Rosmalen. ‘Mijn ouders vonden Rotterdam-Zuid niet helemaal een geschikte plek om een kind groot te brengen. Vaak cirkelden er helikopters boven ons huis, en er lag een keer een groot mes in de voortuin.’
In het Brabantse dorp troffen de Alferinks een ander sfeertje aan. ‘Iedereen liep altijd achterom, maar wij deden als enige in de straat de achterdeur op slot. Toch iets wat we van de stad hadden geërfd.’ Al snel bleek Rosmalen, en later Den Bosch, te klein voor de ambitieuze Alferink. ‘Ik wilde naar de toneelschool. Ik wilde beroemd worden.’
Alferink onderbreekt zijn verhaal en wijst op de kattenbak in de hoek van de kamer. ‘O god, Willemijn gaat kakken. Daar komt een lucht uit jongen, dat wil je niet weten.’ Een paar seconden later: ‘Gelukkig, het is maar een plasje.’
Waarom wilde je zo graag beroemd worden?
Op de middelbare school ontdekte ik het schooltoneel en dat je na afloop van een voorstelling applaus krijgt. Dat voelde zo lekker dat ik wist: ik moet iets gaan doen waarbij ik applaus krijg. Ik werd aangenomen op de toneelschool in Rotterdam, maar de artistiek leider zei na anderhalf jaar: leuk hoor, maar een groot acteur ga je niet worden, want je kent je tekst nooit en je bent alleen maar bezig met decors bouwen. Tja, ik was denk ik gewoon niet zo goed.’
Waar komt die drang naar applaus vandaan?
‘Geen idee. Ik moest mensen vermaken, leuk gevonden worden, gezien worden. Dat begon al heel vroeg. Mijn zusje en ik deden vroeger alsof we een radiostation hadden, en wij de radiopresentatoren waren. Ik wist van de radio in de auto dat er ook mensen konden inbellen en die belgesprekken verzon ik allemaal ter plekke en speelde ik helemaal in mijn eentje uit. Mijn zusje moest daar heel hard om lachen en ik vond dat zo leuk, dat ik elke dag weer verlangde naar het moment dat ik haar aan het lachen zou maken.
‘Dat was later ook zo in de klas. Ik maakte liever de leraar aan het lachen dan dat ik het goede antwoord wist. Ik wilde altijd de grappigste zijn. Iedereen moest mijn naam kennen.’
Had je dan ook veel vrienden?
‘De eerste twee jaar niet echt. Ik werd gepest omdat ze allemaal dachten dat ik op mannen viel, wat natuurlijk ook zo was. Maar in het derde jaar ging ik dus bij het schooltoneel en daardoor leerden mensen me op een andere manier kennen. Ik ging de culturele avonden presenteren in drag. Ik had echt volledig schijt en ineens wilde iedereen met me afspreken en in mijn buurt zijn.’
Dat lijkt me heerlijk om zo’n ommezwaai mee te maken.
‘Misschien is dat ook wel de reden dat ik nog steeds dat podium en die aandacht nodig heb. Het heeft me uit de ellende getrokken. Ik was een gepest jongetje, maar door middel van humor en mensen entertainen werd het gepeste jongetje niet meer interessant om te pesten, en juist geprezen om wat hij deed en wie hij was. Misschien ben ik het entertainen nu gewoon krampachtig aan het volhouden terwijl niemand me meer pest.’
Dan, met dat vette Rotterdamse accent: ‘Zo, lijkt wel therapie dit joh, moet ik straks ook 220 euro aftikken?’
Na zijn korte verblijf op de toneelschool trok ‘de grote Daan show’, zoals hij het zelf omschrijft, naar een Rotterdamse brasserie waar hij zich met zijn vermaakdrift opwerkte van barmedewerker tot tafelheer. Na een succesvolle open dag op een Brusselse designopleiding schreef Alferink zich in en vertrok hij naar de Belgische hoofdstad.
‘Twee dagen voor de opleiding begon, vond ik een studio en stapte ik in de trein met mijn fiets en kamerplant. Ik was vastberaden. Ik dacht: het is niet zo ver en ze praten er ook Nederlands – dat viel overigens flink tegen. Ik wist dat ik mijn weg wel zou vinden. Je hebt er een metro en Google Maps, hoe moeilijk kan het zijn. Nou, elf jaar later ben ik er nog.’
Vond je meteen aansluiting?
‘Absoluut niet. In Rotterdam had ik vaak vrienden voor een avond, maar Belgen zijn heel gesloten. Ze hebben hun eigen clubje, en daar mag je niet zomaar bij. Een vriendin van de opleiding vond mij in het begin ook bloedirritant, want ik was luid en mengde me in gesprekken waar ik niks mee te maken had. Dan hadden ze het over fietspaden en ging ik zeiken over de Belgische wegen. Maar als je eenmaal een clubje hebt, zijn ze heel trouw.’
Hoe is het samenleven met Stijn, je vriend?
‘Ik ben gek op hem. Vroeger was ik bang dat ons samenzijn ten koste zou gaan van mijn me-time. Nu is mijn me-time samen met hem: hij laadt mij op. Soms ben ik zo kapot van mijn werk omdat ik tegenwoordig van callsheet naar callsheet leef. Dan wil ik in de avond in bad en niemand meer zien, alleen hem en mijn katten. Stijn staat nu fulltime in de koffiebar die we drie maanden geleden hebben geopend hier aan het einde van de straat, dus hij is in de avond ook vaak bekaf. Sinds de verhuizing hebben we een tv in de slaapkamer en vaak zetten we ’s avonds een domme serie op en wachten we tot we in slaap vallen. Super burgerlijk. We zijn twee grote huismussen. Of samen een hele dikke huismeeuw.’
Hoe rijmt dat met dat constant willen vermaken?
‘Het vermaken is dan al de hele dag bezig. Thuis ga ik de coulissen in. Ik kan niet altijd die extravert zijn. Dat ben ik ook eigenlijk niet. Ik ben introvert. Ik dóé extravert.’
Is dat extraverte dan een masker?
‘Masker klinkt zo negatief. Het hoort gewoon bij mijn baan. Maar na de hele dag mensen vermaken gaat de extraverte pet af. Laten we het een pet noemen.’
In het programma Huizenruilers kom je best vaak chagrijnig over. Ik vroeg me af of dat een eerlijke weergave is, of een rol?
‘Haha, klopt. Dat is doodeerlijk. Ik ben dan echt chagrijnig. Ik vind het een heel leuk programma om te maken hoor, maar soms heb je drie uur in de auto gezeten, kom je aan bij een huis dat je moet verbouwen, verven, alles erop en eraan. Je hebt er al twaalf uur op een dag opzitten, en dan vraagt presentator John Williams aan het einde van de dag: hoe gaat het met je, Daan? Ja, dan ben ik er wel echt helemaal klaar mee. De eerste keer fluisterde John tegen me dat de camera’s al draaiden. Ja, weet ik, zei ik, maar het gaat kut en ik heb er geen zin in.
‘De enige plek waar ik altijd mijn vrolijke zelf moet zijn, in ieder geval in het gezicht van de klanten, is de koffiebar. Een dag in de week werk ik daar, samen met Stijn. Mensen komen van heinde en verre voor een kopje koffie bij ons, terwijl het drie keer zo duur is als thuis. Ik heb van mijn 14de tot 25ste horeca gedaan, en dat is er flink ingehamerd bij mij: klanten komen voor een leuk uitstapje, een goed gevoel, en jij moet ze dat geven.’
Je draagt dus verschillende petjes. Is er een pet waar je nog naar verlangt?
‘De pensioenpet, haha. Nee, even denken, de privépet mag wat vaker op. Ik heb die pet wel, maar die ligt in de kast. Mijn goede voornemen voor het komende jaar – mijn nieuwe jaar begint altijd in september – is om 30 procent meer tijd te besteden aan vrienden en familie.’
Wat als dat applaus, waar je zoveel waarde aan hecht, in de toekomst weg zou vallen?
‘Euthanasie, hè? Nee, ja, dat zou wel even wennen zijn. Ik hoop dat ik nog even mee mag want ik zie het niet zitten dat de aandacht nu al zou stoppen. Ik ben pas drie jaar bezig met programma’s maken. Leuke vraag, zeg. Als jij strakjes weg bent, ga ik depressief in een hoekje zitten.’
Haha, sorry. Maak je je weleens zorgen over of het stopt?
‘Ik vind me zorgen maken zó zonde van mijn tijd. Het heeft geen zin om angstig te zijn over dingen die nu nog niet aan de hand zijn.’
Ja, als het zo makkelijk zou zijn. Zorgen maken is ook heel menselijk, toch?
‘Natuurlijk, maar je hebt er zo weinig aan. Wat heeft het voor zin om me zorgen te maken over of het applaus ooit stopt? Ik probeer juist vaker stil te staan bij dat het goed gaat, en dankbaar te zijn voor de kansen die ik heb gekregen. Als ik op de klok van de magnetron 11.11 zie staan, doe ik tegenwoordig een gebedje naar boven met: ‘joh, ik weet niet wie luistert, maar bedankt’. Ik heb geen zin om bij 11.12 weer na te gaan zitten denken over dat het binnenkort misschien allemaal weer afgelopen is.
‘Ik heb hiervoor wel in therapie moeten gaan hoor. Er was juist een grote angst voor dat dingen zouden eindigen. Ik kon jankend langs de snelweg staan, dat ik echt moest stoppen met rijden bij de gedachte dat mijn ouders er niet meer zouden zijn. Terwijl: ik kan ze gewoon bellen! Ze leven! Ze zijn er nog. Er is niks aan de hand. En ze nemen echt wel op.
‘Die angst om mensen die ik liefheb kwijt te raken, was in het begin ook een moeilijkheid tussen Stijn en mij. Ik ben er trots op dat ik die verlatingsangst heb overwonnen, en dat ik het nu aandurf om zoveel van iemand te houden. Als je bang bent om elkaar kwijt te raken, en er daarom niet aan begint, heb je niks. Alleen angst en eenzaamheid. Dan kun je beter zeggen: oké, ik ga het volledig aan, ik ga me aan jou overgeven, jou toelaten en van jou houden. Nou, negen maanden therapie in een notendop.’
Waar kwam die verlatingsangst vandaan?
‘Dat heeft zijn redenen, maar dat vind ik te privé. Jeetje, dit lijkt wel Psychologie Magazine. Sorry hoor mensen, jullie kwamen voor design, en krijgen verlatingsangst.’
Tijd voor een rondje door het huis. De kobaltblauwe trap op, langs de nog ongeverfde slaapkamer en de nog ontbrekende keuken op de bovenverdieping. Elk vrij uurtje spenderen Stijn en hij vervend in een van de vele kamers. ‘Ik zit al maanden te dubben over de kleur in de hal boven. Ik vind het bloedirritant dat ik er niet uitkom welke kleur het moet worden. Gisteravond ook weer uren over nagedacht. Ik ben bang dat het te druk wordt. Misschien moet ik toch maar voor beige gaan.’
In tegenstelling tot veel anderen is verhuizen en verbouwen voor jou geen straf. Denk je dat je ooit terugverhuist naar Nederland?
‘Nee, ik ben verknocht aan België. Het is een fijn land, en Antwerpen is een onwijs leuke stad die voelt als een dorpje. Ik hoef echt niet terug. Ik heb wel altijd gezegd: ik ben geboren in Rotterdam en ik ga er dood. Dus sleep me vlak voor mijn sterven die grens over. Lijkt me prachtig op mijn grafsteen: Daan, Rotterdam 1994 - Daan, Rotterdam 2100, of zoiets.’
Dan toch nog even over design: heb je al een idee van hoe je grafsteen eruit moet komen te zien?
‘Hier rust Daan, eindelijk’, haha. Nee, geen idee, dat is aan mijn nabestaanden. En of ze me begraven of cremeren, maakt mij ook niet uit. Al zetten ze me op.’
Het is dus niet zo dat die houten wandkast uiteindelijk je doodskist moet worden.
‘Nee, dat is echt zonde van die kast.’
Ben je ergens echt aan gehecht? Is er iets in dit huis waarvan je zegt: dat meubel of object doe ik nooit meer weg?
‘Mijn katten. De brieven van mijn oma. Meubels zijn uiteindelijk maar spullen. Mijn vak is zo plastisch als wat. Het is allemaal vervangbaar. Als hier de vlammen omhoogschieten, denk ik geen twee keer na en neem ik de katten mee. En Stijn, als hij er is. Dan beginnen we daarna gewoon opnieuw.’
Lees ook
Geselecteerd door de redactie
- Nieuws
Realityprogramma De Bondgenoten wint Gouden Televizier-Ring 2026
- v-plusVastgoedstyling
De Aesop-zeepflacon, vazen met citroenen, beige prints: wie door Funda scrolt, ziet alsmaar dezelfde interieurs
- InterviewBob Sikkes
Bob Sikkes van Kopen zonder Kijken: ‘Ik gebruik graag het woord ‘lekker’: een huis moet wel lekker zijn’
- Essay
Waarom kiezen we massaal voor een interieur dat niets zegt over onszelf?
- v-plustv-recensie
In woonprogramma’s zie je vooral hoe zot het is om van een primaire levensbehoefte een beleggingsobject te maken