De commercie en AI rukken op bij P.F. Thomése: wat is daarop het antwoord van de schrijver?
Wie zich over een jaar of wat afvraagt wat anno 2026 de algemene stemming was in de Nederlandse literatuur ten aanzien van AI, doet er goed aan om dan terug te grijpen naar de roman Mijn zwager in Dubai.
Ja, de taalbot hijgt de schrijver in de nek. Maar goh: de literatuur, immer tegendraads en verrassend, zou toch niet te vrezen moeten hebben van de kant-en-klare confectieteksten die de zogenaamd intelligente taalmodellen zo achteloos uitbraken?! Nou, tja, aan de andere kant: dat gemak, die snelheid, en die toenemende slimheid en verfijning en dus kwaliteit van de teksten… En de commerciële kansen die het biedt! Kan de ploeterende, marginaliserende literatuur daar wel weerstand aan blijven bieden?
Deze lijn van vertwijfeling volgt ook de nieuwe roman van P.F. Thomése (1958), maar dan wat leuker. Wat niet wil zeggen: monterder. O nee!
De verteller van Mijn zwager in Dubai, die schrijver is, begint met de vaststelling dat zijn business op sterven na dood is, financieel gezien. „Mijn situatie was de laatste jaren doorgeschoten in het geestelijke. De inkomsten konden de ambities niet meer volgen. Uit angst om te vallen, zweefde ik in het vage, ergens tussen vrij en vrijblijvend in en ik deed m’n best de afgrond onder mij soeverein te ontkennen.” Deprimerend is het, maar wel scherp gezegd, en ook elegant, mooi, leuk. Je ziet deze Tom Franzese (haha) zo ongeveer boven die afgrond zweven, waarbij zijn „soevereine” ontkenningspoging ook nog een vleug slapstick brengt.
Boven aan de rand van dat ravijn staat zijn zwager Bobby Tadema, succesvol ondernemer in iets onduidelijks te Dubai, te zwaaien met een hulplijn, ter waarde van vijftigduizend euro. Waarbij de tegenprestatie een boek is dat de gevierde schrijver voor hem, over hem dient te schrijven: een biografie. „Gemakkelijk geld opstrijken betekende dat er iets anders moest worden prijsgegeven”, stelt Franzese nog snugger vast. Maar kan hij weigeren? En dan nog: schrijvend heeft hij toch de regie in handen? En: „Het duivelspact zou me dwingen om door te zetten, want er zat dan in elk geval één persoon heel erg te hopen dat zijn investering geen weggegooid geld ging worden.” Laat je toch meevoeren door het geld, vat de verteller Bobby’s mening samen, waarbij tegen het einde van die redenering niet meer geheel duidelijk is of Franzese die wellicht ook onderschrijft: „Medeplichtig worden aan de grote uitverkoop van alles. Op die manier belandde iedereen uiteindelijk in Dubai.” Als rechtgeaarde hedendaagse schrijver ontkom je er misschien al niet meer aan.
Spiegelingen en leegtes
Waar de grote antagonist van de serieuze schrijver eerder in Thoméses oeuvre een ongemanierde aso was (J. Kessels), is die rol nu weggelegd voor de rijke, ondernemende patser. Die beheerst immers de wereld van nu, met z’n hoppa, geen gemiezemuis, gewoon gáán, lekker alles eruit halen wat erin zit. Gladjes, op het unheimische af. Leeg, misschien.
Met die notie speelt Mijn zwager in Dubai op tamelijk verrukkelijke wijze, in een terugkerend motief van spiegelingen en leegtes. De roman opent al subtiel geestig, in een kantoortoren „met uitzicht op nog zo’n kapitaalkolos. In de spiegeling van de duizelingwekkende gevelwand herkenden we ons eigen gebouw. In feite zaten we dus naar onszelf te kijken. Toch was er niemand te zien.”
Later in Dubai vindt de hoofdpersoon alle nieuwbouw en zelfs de azuurblauwe lucht onecht lijken, „alsof we door een maquette reden”. En even later biedt de zonsondergang, „die met zijn vuurgloed het spiegelglas van de kantoorkolossen langs de snelweg virtueel in lichterlaaie zette”, zó’n „sensationele schijnvertoning” dat het bijna too much wordt.
Wat Bobby betreft verbeeldt dat juist de belofte van Dubai: „Er ging iets onder, maar er kwam iets anders op: een schitterende illusie van licht en kleur.” Maar: even daarvoor op het vliegveld werd Franzese zélf niet herkend door het paspoortpoortje. „Deze Smart Gates ‘lazen’ duizenden en duizenden paspoorten per dag en uitgerekend mijn identiteit zei hun niets.” Uit dit allerminst eenduidige motief blijkt wel: de grens tussen echt en nep, tussen authentiek en gemaakt, laat zich in deze roman niet strak trekken.
Dat wordt dan ook de worsteling van de hoofdpersoon. Dat boek, daar komt niets van. Hij kan clichés oplepelen over hoe nep alles toch is in Dubai, hoe leeg zijn zwager. „Maar wat was mijn visie dan, wat kwam ik hier doen? […] Ik kon wel schamper doen over zijn oppervlakkigheid, maar ik miste zelf óók alle bezieling.” Van de schrijver verwacht je toch „de Goddelijke Vonk of hoe het Goede alias het Juiste ook genoemd werd”. Maar: „Ik had geen idee.”
Whisky en jetski
Dat strookt misschien ook deerlijk met het personage, de aloude literaire schrijver die zich met de moderniteit geconfronteerd ziet, maar het is ook wel jammer. Als een oorzaak voor Franzeses stuurloosheid dan ook nog blijkt te liggen in een huwelijkscrisis, waarmee het zijn „probleem was dat het zonder liefde niet lukte”, wat hij zelf een waanzinnig diep inzicht vindt, dan hoop je toch dat dat ironisch is. Anders is het allemaal wel erg afgezaagd, nietwaar? Schrijver op leeftijd, ten prooi aan zijn eigen (mannelijke) falen én de oprukkende commercie – als die zo clichématig ten onder gaat, wat is dan het punt van dit verhaal? Tonen dat de literatuur inderdaad machteloos is?
En dan heb ik de rol van AI in het verhaal nog niet eens genoemd – die past er naadloos in, want terwijl Franzese eerst aan de whisky wordt gezet en dan een dagje op een jetski, laat Bobby’s knappe assistente alvast een „eerste versie” van de biografie uit Claude rollen. Prima tekst vindt de ondernemer dat, natuurlijk.
P.F. Thomése zet daar met zijn brille, zijn vernuftige stijl vol kwikzilverige spitsvondigheden wel iets tegenover: het zijn de subtiliteiten (en motieven!) die de kwaliteit van Mijn zwager in Dubai bepalen. Maar is subtiel spel genoeg, als het verhaal geen deuk in een pakje boter slaat? De satire is voorspelbaar en hoogstens in die zin confronterend, want getuigend van machteloosheid. Hier gaan we de oorlog niet mee winnen, als literatuur, tegen de commercie. Al kun je zeggen: die uitkomst is misschien wel hoogst ironisch, en daarmee recht in de roos van de tijdgeest.
Maak NRC jouw voorkeursbron op Google
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten. Meer informatie
Mail de redactie
Ziet u een taalfout of een feitelijke onjuistheid?
U kunt ons met dit formulier daarover informeren, dat stellen wij zeer op prijs. Berichten over andere zaken dan taalfouten of feitelijke onjuistheden worden niet gelezen.