Home   2026-10-22 19:56:51

←

Waarom grijpt Nederland op de eilanden wel in bij geld, maar kijkt het weg bij onderwijs en zorg?

Original article

Vandaag, zaterdag 10 oktober, is het zestien jaar geleden dat Curaçao en Sint Maarten autonome landen in het Koninkrijk der Nederlanden werden, naast Aruba, dat die status al sinds 1986 heeft. Zestien jaar ervaring laat zien dat de autonomie teveel vraagt van de kleine Caribische landen. Omdat vitale overheidstaken vastlopen en ontoelaatbare toestanden dreigen, moet het Koninkrijk steeds opnieuw bijspringen. Maar de steun van het Koninkrijk komt vaak onder uitsluitend Nederlandse voorwaarden tot stand.

Daarmee ontstaat een onhoudbare situatie: de landen blijven op papier autonoom, maar in de praktijk wordt hun autonomie steeds vaker genegeerd. Omdat de Caribische landen in het Koninkrijk weinig te zeggen hebben, wordt er regelmatig ad hoc en selectief ingegrepen, op basis van Haagse logica. Het zou voor iedereen beter zijn als het Koninkrijk structureel taken overneemt die de landen aantoonbaar niet zelfstandig kunnen dragen. Maar dan moeten de Caribische landen en hun inwoners wel veel meer te zeggen krijgen binnen het Koninkrijk, waarin Nederland nu eenzijdig de lakens uitdeelt.

Grote uitdagingen

Dat de autonomie steeds vaker genegeerd wordt, is niet zonder reden. Aruba, Curaçao en Sint Maarten staan voor grote uitdagingen: denk aan ernstige milieuproblemen, forse migratiestromen en grote sociaaleconomische problemen. Hoewel op onderdelen soms verbetering wordt geboekt, blijken de problemen hardnekkig. Het onderwijs raakt steeds verder achter bij Europese normen, de gezondheidszorg kampt met financiële en organisatorische tekorten en de uitvoering van overheidstaken blijft kwetsbaar door een gebrek aan capaciteit. Ook de overheidsfinanciën blijven een zorgenkind.

Oorzaak van dit alles is dat de eilanden qua schaal vergelijkbaar zijn met middelgrote Nederlandse gemeenten, maar alle taken van een autonoom land moeten uitvoeren. Hun onvermogen om de forse uitdagingen het hoofd te bieden resulteert in een fundamenteel probleem binnen ons Koninkrijk: Nederlanders in de Caribische landen verkeren in vergelijking met Europese Nederlanders steeds meer in een tweederangspositie.

Verschillen in kwaliteit van leven

Binnen één Koninkrijk zien we dus onaanvaardbare verschillen in de kwaliteit van leven ontstaan. De belangrijkste verklaring daarvoor ligt besloten in de autonomie van de Caribische landen, waar zowel hun regeringen als Nederland zich achter verschuilen. Enerzijds stelt de autonomie de landen in staat om Nederland op afstand te houden, zelfs waar zij hun uitdagingen overduidelijk niet aankunnen. Anderzijds gebruikt Nederland de autonomie als rechtvaardiging om niet te handelen, zelfs niet in het geval van ernstige milieuproblemen of mensenrechtenschendingen. ‘Autonome landsaangelegenheden’, luidt dan het mantra in Den Haag.

Sinds 2010 zien we dat Nederland de teugels binnen het Koninkrijk aanhaalt, maar vooral op het gebied van goed bestuur en financiën. Zo kwam er financieel toezicht op de overheidsuitgaven, werd er op Sint Maarten een integriteitskamer afgedwongen en kreeg Nederland een belangrijke stem in economische hervormingen. Maar op andere gebieden, zoals het onderwijs, de gezondheidszorg, de sociale zekerheid en klimaatadaptatie, is Nederland reactief of wordt er weggekeken.

Voorkomen dat Nederland alles bepaalt

Het Statuut voor het Koninkrijk stelt dat het Koninkrijk de plicht heeft om fundamentele menselijke rechten in het hele Koninkrijk te waarborgen. Daar horen ook het recht op onderwijs, het recht op een schone leefomgeving en het recht op een behoorlijke levensstandaard bij. Als we die mensenrechten daadwerkelijk voor alle Nederlanders willen realiseren, aan welke kant van de oceaan zij ook wonen, is een grotere bestuurlijke rol voor het Koninkrijk onvermijdelijk. Maar om te voorkomen dat Nederland alles bepaalt, moet dan ook een cruciale tweede stap worden gezet. De Caribische landen moeten een sterkere invloed krijgen in het Koninkrijk, terwijl Nederland juist een stapje terug moet doen.

De instituties van het Koninkrijk overlappen nu bijna volledig met die van Nederland. Op regeringsniveau (in de rijksministerraad) zijn de Caribische landen maar zwak vertegenwoordigd, en op parlementair niveau zelfs helemaal niet. Alleen het Nederlandse parlement kan de Koninkrijksregering controleren, maar voor dit parlement hebben inwoners van de Caribische landen geen stemrecht. Het Koninkrijk en Nederland overlappen zo sterk, dat ze in de praktijk bijna als synoniem worden gezien. Het Koninkrijk heeft nauwelijks een eigen identiteit, laat staan een eigen betekenis.

Als de Caribische landen autonomie inleveren, wordt het vanuit democratisch oogpunt cruciaal dat zij meer inspraak krijgen in de bestuurslaag die deze leemte vult, namelijk het Koninkrijk. Concreet betekent dit dat het gebrek aan parlementaire vertegenwoordiging (het democratisch tekort) moet worden opgelost en dat de Caribische inspraak in de Koninkrijksregering versterkt moet worden. Zo kunnen de eilanden meer eigenaarschap over het Koninkrijk krijgen, terwijl Nederland onder ogen moet zien dat het Koninkrijk groter is dan het Europese deel alleen.

Zo hebben Åland (Finland), de Faeröer en Groenland (Denemarken) en de Azoren en Madeira (Portugal) allen wel vertegenwoordigers in hun nationale parlementen. Op basis van deze voorbeelden zou gezocht moeten worden naar een Koninkrijk dat zijn inwoners wel gelijke leefomstandigheden kan bieden, aan welke kant van de oceaan zij ook wonen.