Al 100 jaar smullen kinderen van Winnie de Poeh. Voor de echte Christopher Robin was dat geen feest
Het is een mistige dag in East Sussex, als ik mijn auto parkeer bij Gills Lap Car Park. Er staan nog een stuk of tien auto’s. Dit deel van Ashdown Forest is populair bij hondenbezitters.
De wandelaars hier zijn niet op zoek naar ‘Roo’s Sandy Pit’, ‘Eeyore’s Gloomy Place’ of de door Poeh ontdekte ‘North Pole (site of)’. Zij hopen gewoon dat Wodan en Hector zich het komende halfuur even stevig uitleven, zodat ze straks thuis vermoeid maar voldaan hun mand opzoeken.
In dit gebied bracht de jonge Christopher Robin Milne vele uren door, in gezelschap van zijn nanny Olive Rand en, uiteraard, zijn teddybeer. Het werd zijn ‘betoverde plek’. Zijn fantasieën en belevenissen inspireerden zijn vader tot charmante verhalen over een jongen en zijn beer.
Of was het andersom? Waren de verhalen die Milne senior opschreef en voorlas een inspiratiebron voor zijn zoon en volgde de werkelijkheid de verbeelding?
Christopher Milne zou het zich later niet meer precies herinneren. In zijn memoires The Enchanted Places (1974) blikte hij uitvoerig terug op zijn jaren met zijn knuffel Poeh. Maar wat er eerst was – zijn belevenissen, of zijn vaders verhalen daarover – wist hij niet meer. ‘Hij zocht ideeën voor zijn verhalen, ik voor mijn spelletjes, en we keken naar elkaar voor inspiratie. Maar uiteindelijk kwam het op hetzelfde neer: de verhalen werden een deel van ons leven; ons leven, onze gedachten, onze gesprekken, ze maakten deel uit van de verhalen.’
Jarenlang heeft het knipsel zich in mijn exemplaar van Winnie-the-Pooh bevonden, maar op een dag was ik het kwijt. Het moet er tijdens het bladeren een keer ongemerkt uit zijn gegleden. Een berichtje uit de Volkskrant van dinsdag 23 april 1996. Het ging over de dood van Christopher Robin Milne.
Dat de dood van Christopher Milne niet alleen de Engelse, maar ook de internationale pers haalde, had niets te maken met wat hij tijdens zijn leven had gepresteerd. De krantenberichten meldden slechts dat hij bekend was geworden als het jongetje Christopher Robin uit de Winnie de Poeh-boeken. Die boeken waren geschreven door zijn vader A.A. (Alan Alexander) Milne. Het eerste deel verscheen deze week honderd jaar geleden.
De jonge Christopher was al een literaire held toen hij nog niet eens kon lezen en schrijven.
A.A. Milne had een merkwaardige relatie met zijn zoon. Hij gebruikte hem als inspiratiebron, als hoofdpersoon en bij gelegenheid als showpiece. Eigenlijk kenden vader en zoon elkaar nauwelijks. De jonge Christopher woonde samen met Nanny (haar beroep was tevens haar roepnaam) in de kinderkamer, wandelde samen met Nanny door het bos, ging samen met Nanny naar het dorp.
Af en toe ving hij een glimp op van zijn ouders, die deel uitmaakten van de upper middle class en wel andere dingen aan hun hoofd hadden dan het opvoeden van een kind.
Nu en dan werd Christopher – gewassen, gekamd en netjes aangekleed – tevoorschijn gehaald om keurig representatief het lieve jongetje uit te hangen. Als zijn ouders gasten hadden voor de thee bijvoorbeeld. Dan zong Christopher een liedje of reciteerde hij een gedicht, uiteraard liefst geschreven door zijn vader, en mochten de gasten zich vergapen aan ‘het jongetje uit de boeken’.
‘Ik betwijfel of Christophers ouders hem ooit tijdens een driftbui hebben gezien, of met een vieze luier’, zou zijn echtgenote later zeggen.
Hechte band met knuffels
Ik gun iedereen een kindertijd waarin hij Winnie-the-Pooh krijgt voorgelezen. Zelf heb ik de ‘Bear of Very Little Brain’ pas ontdekt toen ik al kon lezen. Het leverde me mijn eerste grote moment van herkenning op in de literatuur. Dit boek ging over iemand die begreep hoe je met je knuffeldieren moest omgaan. Wat Poehs eigenaar Christopher Robin had met Poeh, Knorretje en Iejoor, had ik met mijn knuffels.
(Uil en Konijn waren verzinsels van A.A. Milne en hebben nooit als knuffel bestaan. Kanga, Roe en Teigetje kreeg Christopher Milne pas later, omdat zijn vader extra ‘personages’ nodig had.)
Ik was ervan overtuigd dat ik, net als Christopher Robin, een veel hechtere band had met mijn knuffeldieren dan andere kinderen. Die gooiden ze gewoon in een hoek. Dat was voor mij ondenkbaar: ik nam afscheid van hen en zorgde dat ze, terwijl ik weg was of iets anders deed, iets leuks omhanden hadden.
Bovendien hadden knuffels het grote voordeel dat je nooit bang hoefde te zijn dat ze je belachelijk maakten of gemeen tegen je deden. Van knuffels kon je op aan.
Later begreep ik dat Christopher Robin en Poeh twee afsplitsingen van dezelfde persoon moesten zijn. Christopher Robin is het opgroeiende kind dat onvermijdelijk ouder en wijzer wordt, en even onvermijdelijk sadder and wiser. Poeh is het jonge kind dat iedereen in zich mee blijft dragen, bij sommigen wat dieper weggestopt dan bij anderen. Het is de ontvankelijkheid, de onschuld, de oprechte nieuwsgierigheid, de totale afwezigheid van eelt op de ziel. Naast de grappige anekdotiek van de Poeh-boeken moet in dat inzicht de verklaring liggen waarom we ze al honderd jaar blijven lezen.
De belevenissen van Christopher Robin en Poeh zijn die van elk kind vóór zijn schooltijd: de tijd die we later als de gelukkigste van ons leven gaan beschouwen, omdat hij vrij zou zijn geweest van zorgen, verantwoordelijkheid, verplichtingen. Als kind weet je wel beter. De dreiging van het onbekende loert overal. In of achter elke boom en onder elk bed kan zich iets engs bevinden. Als je in het water valt, kun je verdrinken. Als je je kleren vies of kapot maakt, krijg je op je kop. Als je gaat slapen, krijg je misschien nachtmerries.
Natuurlijk had ook een onzeker, bangelijk aangelegd kind als Christopher Milne enge dromen. Zijn vader had zo zijn eigen methoden om die angsten te bestrijden. Op een avond vroeg hij aan zijn zoon op welke zij hij doorgaans ging slapen. Na enige tijd nadenken, antwoordde deze: ‘rechts’.
Ja, zei zijn vader, dat is de goede kant. Als je op je linkerzij slaapt, krijg je nachtmerries. Dan lig je namelijk op je hart.
Op de gevolgen kon je wachten. Vastbesloten ging de jonge Christopher elke avond op zijn rechterzij op de slaap liggen wachten. Maar natuurlijk kwam die niet meteen. Na een tijdje werd hij onrustig en besloot hij zich om te draaien, voor heel even maar. Vlak voordat hij in slaap viel, zou hij zich weer op zijn rechterzij draaien. Uiteraard lag het niet lekker, zo op je linkerzij, als je wist dat je dan nachtmerries uitlokte, dus draaide hij zich snel maar weer om.
Er ontstond, kortom, een tafereel dat vergelijkbaar is met een scène in het Kuifje-album Cokes in voorraad, als kapitein Haddock wordt gevraagd of hij met zijn baard boven of onder de dekens slaapt. Onder natuurlijk, weet Haddock. Of toch boven? Op het moment dat de arme zeeman over deze vanzelfsprekendheid moet gaan nadenken, is het met de slaap gedaan.
Christopher Robin had jarenlang problemen met inslapen.
Gek op honing
Ik ben inmiddels het Gills Lap Car Park af gelopen. Het informatiebord vertelt de wandelaar dat hij thans het gebied betreedt waar Christopher Robin en Poeh hun avonturen beleefden. De plattegrond uit de Poeh-boeken plus een tekening waarop je Poeh, Knorretje en Teigetje over een zandpad ziet lopen, completeren het geheel.
Ik wandel in noordelijke richting, ongeveer parallel met de B2026. Hier ergens moet zich de Heffalump Trap hebben bevonden, het gat dat Poeh Knorretje liet graven om een olifant-achtige Heffalump te vangen (vertaler Mies Bouhuys houdt het op een Klontemiggel, terwijl de Disneyfilm van een Huffel spreekt).
En jawel, een stukje verderop bevindt zich een flinke kuil, waarin je best een Heffalump zou kunnen vangen. Omdat Heffalumps volgens Poeh erg gek waren op honing, net als iedereen eigenlijk, had hij voor alle zekerheid een pot met die heerlijkheid op de bodem van de kuil gezet. Het leverde de arme beer ’s nachts een gruwelijke nachtmerrie op van een Heffalump die er met een pot honing vandoor ging.
Niet ver van de kuil bevindt zich Gills Lap Clump, in de boeken beter bekend als Galleon’s Lap, oftewel de Schoot der Galjoenen, het hoogste punt van Ashdown Forest. Christopher kon deze plek zien vanuit de kinderkamer aan de achterkant van zijn huis. De heuvel is begroeid met een groepje naaldbomen die min of meer in een cirkel staan.
Christopher Robin en Poeh noemden dit de Betoverde Plek, en niet eens zozeer omdat ze het er zo mooi vonden. Nee, er gebeurden hier echt magische dingen. Want hoe vaak je de bomen van Galleon’s Lap ook telde, je kon nooit uitmaken of het er nu 63 of 64 waren. Zelfs niet als je om iedere boom die je had geteld een touwtje bond.
Ik begin er dus maar niet aan ze te tellen. Ik heb trouwens niet eens touw bij me.
Ter nagedachtenis aan Milne en illustrator E.H. Shepard is er in 1979 een steen met een koperen plaquette geplaatst op de Betoverde Plek. Natuurlijk was Christopher Milne bij de onthulling aanwezig. Hij had zich er toen allang bij neergelegd dat zijn pogingen te ontsnappen aan zijn status als kinderboekenpersonage vergeefs waren.
Een paar jaar daarvoor had hij zelfs zijn eigen ‘Poeh-memoires’ geschreven, het eerdergenoemde The Enchanted Places. Hij zal de titel onvermijdelijk hebben gevonden.
Nadat ik rechtsaf een pad ben ingeslagen, kom ik na een paar honderd meter langs een zandkuil met water erin. Hier speelde Roe altijd onder het wakend oog van zijn moeder Kanga.
Ik ben inmiddels weer bij de B2026 aangeland, die ik nu oversteek om de Noordpool te ontdekken. Nou ja, te herontdekken natuurlijk, want Poeh vond hem als eerste. Het was een idee geweest van Christopher Robin, die weliswaar niet precies wist wat de Noordpool inhield, maar wel dat het iets was dat je nu eenmaal ontdekken moest. Helaas was Roe tijdens de expeditie zo onverstandig in het water te vallen, zodat Poeh en Knorretje hem moesten redden met behulp van een houten paal.
Niemand anders dan Christopher Robin was zo snugger te beseffen dat deze pole natuurlijk de North Pole moest zijn. De vertaler zal niet blij zijn geweest met deze taalgrap.
In The Enchanted Places geeft Christopher Milne een hartverscheurend eerlijk beeld van zichzelf. Wie Shepards tekeningen uit de Poeh-boeken kent, die nogal afwijken van het gelikte animatiewerk van de Disneyfilms, weet dat Christopher Robin een meisjesachtige uitstraling heeft, door zowel zijn lange haar als zijn kleding. Hij droeg een soort kieltjes die op schortjes of zelfs jurkjes leken.
Shepard verzon niets; zo zag de jonge Milne er echt uit. Hij werd dan ook regelmatig voor een meisje aangezien en droomde soms dat hij een meisje was.
Daarbij was Christopher Milne naar eigen zeggen niet erg slim en buitengewoon verlegen. Toen hem eens werd gevraagd of hij nog een stukje cake wilde, antwoordde hij, met een schuine blik op zijn nanny: ‘Do I, Nanny?’
Jaren later, toen hij in Cambridge studeerde (zo dom was hij dus ook weer niet), dronk hij uitsluitend cider. Hij nam als vanzelfsprekend aan dat hij geen bier lustte, omdat zijn vader daar ook nooit van had gehouden.
Hij was van nature een volgzaam mens, die zijn leiderschapskwaliteiten uitsluitend liet blijken in het gezelschap van zijn dieren. Toch meende Christopher Milne in zijn memoires een paar dingen recht te moeten zetten. Vooral het gedicht Vespers uit de bundel When We Were Very Young moest het ontgelden.
Het begin- en slotcouplet luidt:
Little Boy kneels at the foot of the bed,
Droops on the little hands little gold head.
Hush! Hush! Whisper who dares!
Christopher Robin is saying his prayers.
Om het allemaal nog erger te maken werd de tekst op muziek gezet en gezongen door niemand minder dan Vera Lynn. Er was geen Brit die het lied niet kende. Tot een jaar of wat geleden kon je elke Engelse opa of oma tot tranen toe bewegen door het te citeren.
Voor Christopher Milne betekende het gedicht meer ‘gekromde tenen, gebalde vuisten en stukgebeten lippen’ dan welke andere tekst van zijn vader ook. Talloze malen moest hij de grap aanhoren: eerst op de Boxgrove-kostschool nabij Guildford, vervolgens op de universiteit in Cambridge, daarna in het leger, en zelfs toen hij al hoog en breed volwassen was, en zijn vader overleden: ‘Hello Christopher, still saying your prayers?’
Poehstokjes
Nadat ik het licht moerassige, sombere gebied heb doorkruist waar de melancholieke ezel Iejoor placht rond te hangen, kom ik terug bij de parkeerplaats van Gills Lap. Voor het tweede en belangrijkste deel van mijn bedevaart moet ik een stukje verder rijden op de B2026, richting Hartfield.
Hier ligt Poohsticks Bridge: de meest concrete plek uit de boeken, waar Poeh en Knorretje samen ‘Poeh-stokjes’ spelen.
Het blijkt even een gedoe om de brug te vinden, want het Poohsticks Bridge Car Park is duidelijker aangegeven dan de brug zelf. Maar gelukkig ontmoet ik twee jonge moeders, Eve en Trisha, die minstens tweemaal per week met hun kinderen naar de brug gaan om daar het spel te spelen.
‘Verzamelt u hier maar vast wat takjes, want dichter bij de brug liggen er geen meer. Die zijn allemaal door andere Poeh-enthousiastelingen gebruikt’, zegt Eve.
We wandelen langs een schitterende beuk met een dikke, afhangende zijtak, die sterk doet denken aan de boom waarin Uil woonde. Hij kan illustrator Shepard best hebben geïnspireerd, al schijnt de ‘echte’ locatie van Uils huis zich ergens anders te bevinden.
Ik volg de moeders en hun kinderen langs hazelaars, wilgen en kastanjebomen, deels waarschijnlijk dezelfde als de jonge Christopher passeerde wanneer hij met zijn beer en zijn nanny op weg was naar de brug, die in zijn tijd nog gewoon Posingford Bridge heette.
De brug die A.A. Milne inspireerde stamt uit 1907, maar is zo populair geworden dat hij in zowel 1979 als 1999 moest worden herbouwd.
Er kabbelt een vriendelijk, roestbruin beekje onderdoor, dat officieel de imposante naam Steel Forge River heeft. Christopher Milne schreef al: ‘Wij noemden het een rivier, maar eigenlijk was het niet meer dan een stroompje.’
Als je de Pooh Bridge oversteekt en het bospad blijft volgen, kom je vanzelf langs Cotchford Farm. Deze boerderij uit de 16de eeuw kocht A.A. Milne in 1925 als buitenverblijf. Het gezin bleef gewoon in Londen wonen, maar bracht de weekends, paas- en zomervakanties voortaan door op het platteland. Tegenwoordig kun je het afhuren voor je literaire pelgrimage. Er is plek voor twaalf gasten.
Tussen de regels door
In The Enchanted Places vertelt Christopher Milne een heleboel dingen niet. Slechts tussen de regels door kunnen we lezen over wat een zeer afstandelijke relatie tot zijn ouders moet zijn geweest. Ergens merkt hij terloops op dat er volgens hem twee soorten schrijvers zijn: de ene soort laat zich inspireren door zijn ervaringen, de andere door zijn dromen: ‘Mijn vader was een creatieve schrijver, en het was precies omdat hij niet in staat was met zijn zoontje te spelen, dat zijn verlangens bevrediging zochten en vonden in een andere richting. Hij schreef over zichzelf.’
Het moet een pijnlijke ontdekking zijn geweest voor Milne junior. Zijn vader had weliswaar zijn naam gebruikt en de illustrator zijn verschijning, maar in werkelijkheid was hij alleen maar een voorwendsel geweest, een projectie.
Christophers moeder, deftig Dorothy de Sélincourt Milne geheten en afkomstig uit een gefortuneerd geslacht, krijgt niet veel woorden in de memoires. Christophers ‘echte’ moeder was nanny Olive, zoveel is duidelijk. Tussen neus en lippen door laat Milne in een ander boek, The Path through the Trees (1979), weten dat hij zijn moeder na de dood van zijn vader in 1956 nog eenmaal heeft gezien en zelden schreef.
Christopher Milne begon op latere leeftijd samen met zijn vrouw een boekwinkel in Dartmouth, in het zuidwesten van Engeland: de Harbour Bookshop. Hoewel hij nog net niet zover ging de boeken van zijn vader uit de winkel te weren, werd elke verwijzing naar de namen Poeh of Milne vermeden. Pas na Christophers dood veranderde dat. De winkel heeft nog tot 2011 bestaan.
Toen Cotchford Farm, waaraan hij zulke gelukkige herinneringen had, in 1968 werd verkocht, vernam Christopher dat via een van de schaarse brieven die moeder en zoon in twee decennia met elkaar wisselden.
Het is opvallend, maar misschien typerend, dat hij in zijn memoires verzuimt te melden aan wie het huis werd verkocht: Rolling Stones-gitarist Brian Jones. Een jaar later, op 3 juli 1969, werd het lichaam van Jones gevonden in het zwembad, achter het huis. Het zou aanleiding zijn voor een reeks speculaties en complottheorieën en in 2000 zouden de nieuwe eigenaars veel hoon over zich heen krijgen toen ze, naar een suggestie van de Brian Jones Fanclub, het plan lanceerden om de tegels van het zwembad als souvenirs te verkopen.
Ook Jones was gek op Cotchford Farm, maar de foto waarop de gitarist, gehuld in een T-shirt met het patroon van de Amerikaanse vlag, zijn laars plant tegen het beeldje van Christopher Robin, achter in de tuin, zal Milne junior niet leuk hebben gevonden.
Rite de passage
Ik loop terug van de oprijlaan naar de weg en blader al wandelend door mijn exemplaar van The House at Pooh Corner (1928). Het is een van de vier werken waarin Christopher Robin en Winnie de Poeh figureren. De andere zijn Winnie-The-Pooh (1926) en de gedichtenbundels When We Were Very Young (1924) en Now We Are Six (1925).
(In de eerste bundel komt de naam Winnie de Poeh niet voor. Hierin treedt de beer op als voorstudie van zichzelf onder de naam Edward in het gedicht Teddy Bear. Lezers van het eerste ‘echte’ Poeh-boek uit 1926 weten dat Winnie eigenlijk Edward heet.)
Ondanks hun grote succes besloot Milne het bij deze vier te laten, om zijn zoon tegen verdere publiciteit te beschermen. Aan het slot van The House at Pooh Corner nemen Christopher Robin en Poeh afscheid van elkaar. Ze bevinden zich op de Betoverde Plek, die Christopher Milne vanuit zijn kamer kon zien liggen.
Op onnadrukkelijke wijze beschrijft deze scène de eerste rite de passage die een mens in zijn leven moet maken: de stap naar de boze buitenwereld waar je ouders – of je nanny – niet langer bescherming kunnen bieden en waarin het gedaan is met de ongebreidelde vrijheid.
Het is de schooltas uit het lied 1948 van Kees van Kooten en Wim de Bie, die de noodzaak van plichtsbesef aankondigt: ‘Die schooltas bleek het eerste teken/ Dat de zaak al was bekeken/ Voor zover/ Je zonder plichtsbesef/ Je leven leed.’
‘Poeh… als ik er… nou ja, je weet wel hè… als ik nooit-meer-aan-het-Nietsdoen ben, zou jij dan af en toe hiernaartoe willen gaan?’, vraagt Christopher Robin aan zijn knuffel.
In feite doet hij daarmee niets anders dan zichzelf vragen wat Herman Melville zich de eeuw daarvoor als opdracht had gesteld, via een zelfgeschreven tekst die hij in zijn bureau bewaarde: ‘Keep true to the dreams of thy youth.’
De Winnie de Poeh-boeken zijn pogingen om jeugddromen levend te houden. A.A. Milne geloofde dat dit mogelijk was. Uit de memoires van zijn zoon spreken twijfels.
Lees ook
Geselecteerd door de redactie
- reportage
Zelfs het bos van Winnie de Poeh is niet veilig voor de miljoenen kilo’s aan Brits zwerfafval
- Musical
In de lieve musical ‘Winnie de Poeh’ is het poppenspel de attractie ★★★☆☆
- v-plusColumnAaf Brandt Corstius
Ik ging ervan uit dat ik Knorretje was, want die heeft een gegeneraliseerde angststoornis
- boekenzomerbibliotheek
Guus Kuijer over zijn favoriete klassiekers: ‘Die droevige ezel van Winnie the Pooh: wat een schitterend beest!’