Home   2026-10-22 19:56:51

←

‘Wie iets vreselijks heeft meegemaakt, wordt niet automatisch moreel hoogstaand’

Original article

Ze bellen elke week met elkaar, Marja Vuijsje (71) vanuit Amsterdam en haar broer Wim (83) vanuit Jeruzalem. En vaak zingen ze dan samen. Liedjes die ze allebei kennen uit hun jeugd, van Love Me Do tot Mrs. Robinson. Dat is wat hen vooral bindt. Over politiek hebben ze het niet, laat staan over Gaza. Daarvoor lopen hun opvattingen te sterk uiteen. Wim is in haar ogen nationalistisch rechts en Marja is volgens haar broer ‘een linkse luchtfietser’, met haar voortdurende kritiek op de Israëlische politiek.

In Een broer in Jeruzalem beschrijft Vuijsje hun relatie, een verhaal over de band tussen een broer en een zus, waar de grimmige buitenwereld tussenin staat.

Wim is twaalf jaar ouder dan zij. Toen ze opgroeide, was hij haar grote broer, haar onwrikbare steunpilaar. Maar op een dag in 1962 – zij was toen 7 – ging Wim op ‘alia’: hij emigreerde naar Israël, tot groot verdriet van zijn zusje. De jaren daarna zagen ze elkaar weinig. Maar tegenwoordig is er dus weer geregeld contact.

Wat ze wilde vastleggen met dit boek? Vuijsje lacht ongemakkelijk. ‘Weet je dat ik dat eigenlijk helemaal niet goed weet? Na 7 oktober 2023 zat ik in zak en as. Ik dacht: nu komt het echt nooit meer goed. Uiteindelijk ben ik een paar dingen gaan opschrijven. Dat is uitgegroeid tot een boek.’

Eén ding wist ze wel: het zou over haar broer in Israël moeten gaan, en over de tegenstellingen en overeenkomsten tussen hen. ‘Als het over Israël en Palestina gaat, kom je heel gauw in een ideologische discussie terecht. Daar wilde ik buiten blijven. Ik wilde een groot onderwerp terugbrengen tot menselijke proporties.’

Ze schreef al eerder een boek over haar familie: Ons kamp. Haar vader Nathan Vuijsje overleefde Auschwitz, doordat hij als trombonist in het kamporkest werd opgenomen. Wim wilde eerst helemaal niet meewerken aan dat boek. ‘Hij is van een generatie die niet praat. Hij kijkt niet om. Wij komen ook niet uit een intellectueel milieu waar veel gepraat werd. Ik ben gaan studeren en ik heb daardoor léren praten. Ik ben intellectueel gewórden. Wim zet zich af tegen de grachtengordel, via mij. Dat hoort bij onze familie. We hebben een beetje een pesterige manier van met elkaar omgaan.’

Toen ze hem vertelde dat ze deze keer een boek wilde maken over hun geschiedenis, reageerde hij stoïcijns. Ze moest maar doen wat ze niet laten kon. ‘Hij leest zelf amper meer. Ook omdat hij een hersenbloeding heeft gehad.’

Marja Vuijsje: ‘Tegenwoordig heb je contact via internet. Maar als iemand in 1962 vertrok, dan verdween diegene echt uit je leven.’Bron Jurre Rompa

Waar staat Wim in uw ogen voor?

‘Hij staat voor verschillende dingen. Er zijn voor mij eigenlijk twee broers. Er is één broer die mij verlaten heeft toen ik 7 was. Dat was mijn grote broer. Ik was dol op hem. Hij stond voor een fijne, veilige tijd. Ineens was hij weg. Tegenwoordig heb je contact via internet. Maar als iemand in 1962 vertrok, dan verdween diegene echt uit je leven. Daarna is hij voor mij steeds een beetje van kleur veranderd. Hij trouwde, kreeg kinderen. Ik ging studeren, belandde in een kring van studenten die alles truttig en burgerlijk vonden. In mijn ogen was hij een burgerlijke lul geworden. Bovendien stond hij voor alles wat ik fout begon te vinden aan Israël. Nu we oud zijn, is het contact weer hersteld. Het rare is dat we politiek gezien verder uit elkaar staan dan ooit, terwijl we elkaar juist meer opzoeken dan vroeger.’

Vuijsje kwam er pas rond haar 12de achter dat Wim eigenlijk haar halfbroer is. Een kind van haar vader, maar van een andere moeder, van wie hij later scheidde. Kort na zijn geboorte, in 1943, werd Wim ondergebracht bij onderduikpleegouders. Zijn vader liet nog wel een kleine tatoeage aanbrengen op zijn rechterbilletje, zodat hij zijn kind zou herkennen. Na de oorlog woonde Wim geruime tijd in een instelling voor Joodse weeskinderen. ‘Toen ik geboren werd, was hij inmiddels bij mijn ouders komen wonen. Maar dat verhaal hoorde ik pas jaren later van mijn moeder.’

Wat voor uitwerking had die ontboezeming op u?

‘Ik vond het intrigerend. Opeens bleek mijn grote broer een halfbroer. En Sinterklaas bleek ook al niet te bestaan. Kennelijk zat een kinderleven vol met geheimen.’

Marja Vuijsje werd tien jaar na de oorlog geboren en groeide op in de Indische buurt in Amsterdam. Ze had een prettige jeugd in een gezellig gezin, zegt ze, hoewel er ook altijd irritaties waren. ‘Dat kwam vooral door mijn vader. Hij vertelde eindeloos dezelfde verhalen over het kamp.’

Groeide u op in de schaduw van zijn oorlog?

‘Ja, dat denk ik wel. Het kamp speelde door zijn verhalen elke dag een rol in ons leven. Dat was een schaduw over veel dingen. Ik denk dat dit meegespeeld heeft bij de keuze van mijn broer om weg te gaan uit Nederland. Hier kon Wim niet loskomen van de oorlog.’

Wat voor effect had die oorlog op u?

‘Het was inderdaad een schaduw, maar ook een schaduw waar wel streepjes licht doorheen kwamen. Want mijn vader maakte er een heldenverhaal van: ‘Ik heb Auschwitz overleefd omdat ik zo’n goede muzikant was.’ Bij zijn auditie had hij het Ave Maria moeten spelen en Het afscheid der gladiatoren. Als hij erover vertelde, begon hij altijd dat Ave Maria te zingen. Dan hoorde je bij wijze van spreken de violen al aanzwellen. Hij maakte er echt een Hollywoodverhaal van.’

Vertelde hij ook over de gruwelen?

‘Dat deed hij ook. Hij heeft de dodenmarsen overleefd. Hij kon de geur van de ovens ruiken. Vlak bij de barak waar het orkest repeteerde was een executieplaats. Hij heeft daar meerdere keren moeten toekijken hoe mensen werden vermoord.’

Verbond hij daar een levensles aan voor u?

‘Ik besefte als kind dat maar weinig mensen te vertrouwen zijn. Die les kreeg ik zeker mee. Toch verzet ik me tegen de gedachte dat ik een tweedegeneratieslachtoffer zou zijn. Dat ben ik niet. Al heb ik wel een klap van de molen gehad. Ik voel me altijd een toeschouwer, een buitenstaander. Dat kwam ook doordat ik thuis de enige was van na de oorlog. Ik stond in de coulissen, keek naar wat er op het toneel had plaatsgevonden.’

Marja Vuijsje: ‘Ik wilde mijn ouders niet tot last zijn, want mijn vader had al genoeg meegemaakt.’Bron Jurre Rompa

U schrijft over uw broer: ‘Vanwege ons leeftijdsverschil van ruim twaalf jaar horen we Joods gezien bij totaal verschillende generaties. Wim was een van de oorlogskinderen die dankzij zijn onderduikpleegouders aan de vernietigingskampen ontkwamen. Ik was een van de babyboomers die al vroeg aanvoelden dat ze iets groots en ongrijpbaars goed moesten maken.’ Had je dat gevoel?

‘Jazeker. Ik wilde een modelkind zijn. Ik wilde mijn ouders niet tot last zijn, want mijn vader had al genoeg meegemaakt. Wat overheerste, was schuldgevoel: ik voelde me schuldig ten opzichte van mijn vader en mijn broer. Ik heb zoveel meer mazzel in mijn leven gehad dan zij.’

Uw moeder was niet Joods. Speelde dat Joodse aandeel een grotere rol dan dat niet-Joodse aandeel?

‘Ja, veel groter. Al was mijn moeder wel de baas in huis. Zij deed de opvoeding. Terwijl mijn vader ook heel aanwezig was. Als bakker werkte hij ’s nachts, dus tussen de middag was hij alweer thuis. Hij deed heel veel met mij. Je had zo’n kinderbioscoop in de Amstelstraat. Daar gingen we samen heen.’

Maar op haar 17de wilde ze het huis uit. ‘Ik was die mensen zat. Nadat mijn vader in de WAO was beland, was hij er echt altijd. Hij wilde voortdurend weten wat mijn moeder deed en waar ze was. Mijn moeder werd daar gek van. Die ging vervolgens de hele dag ruzie met hem maken.’

Totdat ze plotseling overleed, midden in een ruzie. ‘Mijn moeder was naaister en maakte jurkjes voor mij. Ze had een jurkje voor mij in elkaar geregen dat ik moest passen. Mijn vader vond het jurkje veel te kort. Vervolgens kregen ze daar ruzie over. Daarna werd ze niet lekker en ging ze even op bed liggen. Diezelfde avond is ze overleden. Echt een verschrikkelijke schok.’

U schrijft: ‘Aan elkaar troosten deden we niet. We hadden geen idee hoe dat moest.’

‘Dat was inderdaad heel ongemakkelijk en verdrietig. Mijn vader en ik schaamden ons voor elkaar, omdat dit gebeurd was. We voelden ons schuldig: als ik dat korte rokje niet had gewild… En als hij daar geen ruzie over had gemaakt… We dachten min of meer dat we haar vermoord hadden met die ruzie.’

U was toen 17. Heeft dat u lang achtervolgd?

‘O, zeker. Rond mijn 30ste ben ik in psychoanalyse gegaan, omdat ik steeds vaker last kreeg van angstaanvallen. Dan zag ik iemand op straat die ik eng vond, of iemand in een uniform. Ik bracht dat altijd in verband met de geschiedenis van mijn vader, maar mijn analyticus zei: ‘Toch moeten we het ook over je moeder hebben.’

‘Ik heb jarenlang steeds dezelfde dromen over mijn moeder gehad: dat ik het goed wilde maken en dat zij dan wegliep. Van die Bergman-achtige scènes, die zich afspeelden in nissen van donkere kastelen. En elke keer weer gooide ze een zware deur voor mijn neus dicht. Totdat ik een droom had waarin mijn moeder en ik het goedmaakten. Die keer mocht ik met haar meelopen. Sindsdien is het goed.’

Bron Jurre Rompa

Het vertrek van Wim naar Israël was een waterscheiding in uw leven. Heeft u dat later met hem besproken?

‘Ja, maar daar stond hij niet echt voor open. Toen hij een keer in Nederland was, ben ik toch nog eens over dat afscheid begonnen. Ik vertelde dat hij mij veel verdriet had gedaan door weg te gaan. Daar moest hij vooral om lachen. Hij voelde dat zelf helemaal niet zo. Hij is in alles gesloten. Ook hierin. Zijn vrouw is wel iemand die praat. Zij vertelde me later dat Wim altijd erg dol op mij was. Toen hun dochter geboren was, heeft hij haar jarenlang per ongeluk met ‘Marja’ aangesproken. Daaruit bleek volgens haar duidelijk hoe diep ik in zijn hart zat. Dat vond ik toch heel fijn om te horen.’

Uw moeder zei na Wims afscheid als troost tegen u: ‘Kijk naar de maan, die kunnen jullie allebei zien.’

‘Ik doe dat nog steeds. Als ik naar de maan kijk, denk ik ook aan Wim. Het heeft ook iets te maken met de verdeelde wereld waarin we nu leven. De maan is geruststellend grensoverstijgend. Iedereen kan naar de maan kijken. Dat doet me denken aan de sfeer waarin ik groot ben geworden, waarin alle mensen gelijk waren. Mijn vader citeerde graag de Amsterdamse wethouder Floor Wibaut: ‘Er is maar één land: de aarde, er is maar één volk: de mensheid, er is maar één geloof: de liefde.’’

Uw broer ging naar Israël, op zoek naar het geluk. Heeft hij dat geluk gevonden?

‘Ik heb hem dat ooit gevraagd. Hij keek even weg, en zei toen: ‘Ach ja, geluk, geluk… Wat is nou geluk? Ben jij dan zo gelukkig?’ Daar had ik ook geen antwoord op.’

Als u over wezenlijke dingen zo totaal anders denkt, hoe ingewikkeld is dat in het contact?

‘Ik vind het vaak pijnlijk dat dat zo is. Ik kan Wim eigenlijk niet peilen. Toen Smotrich en Ben-Gvir in de regering kwamen, zei hij wel: ‘Nou, het wordt hier net een soort Iran.’ Dan ben ik opgelucht. Eindelijk zijn we het ergens over eens.’

Want er stroomt wel een diepe rivier tussen u beiden, een Styx die u niet kunt oversteken.

‘Maar dat samen zingen is toch een heel dun bruggetje. Een bruggetje dat gestut wordt door ons samen. Want ja, we worden allebei natuurlijk ouder. Ik wil in deze fase van ons leven koesteren wat er nog wel tussen ons is.’

De hoofdstukken hebben de namen van songs. Zijn die in feite de soundtrack van uw band als broer en zus?

‘Eigenlijk wel. Aan liedjes zitten zo veel herinneringen en gevoelens vast. Het is heel mooi om die samen te zingen. Helemaal nu er zoveel onzeker is.’

Hoe is het om in deze barre tijden Joods te zijn?

‘Daar word je heel erg Joods van. Omdat ik daar de hele tijd op wordt aangesproken. Mensen doen iets te vaak alsof ik een slachtoffer ben. ‘Ach god, dat arme kind heeft het vast moeilijk.’ Het zijn inderdaad nare tijden. Je hebt net de verkiezingen in Duitsland gehad, met de winst van de AfD. En dan die hysterie tegen de komst van azc’s. Terwijl het Nederlandse vreemdelingenbeleid veel stringenter is dan van Europa moet.

‘Het is allemaal angst. Iedereen is bang. En er zijn helaas zo veel handelaren in angst. Ik zit zo te wachten op een politiek leider die zegt: ‘Yes, we can!’ Maar er gebeurt helemaal niks.’

U woont in Amsterdam, op een plek midden in de Joodse geschiedenis. Voelt u die geschiedenis ook?

‘Ik sluit me er vaak een beetje voor af. Er zijn genoeg dagen dat ik gewoon naar de supermarkt loop. Maar soms zie ik op mijn route al die stolpersteine liggen. Dat komt toch binnen. Al vind ik het heel moeilijk om me op die manier verbonden te voelen met die mensen die vermoord zijn. Ook al was het familie, ik heb ze niet gekend. Ik weet niet hoe ze hun boterkoek aten.

‘Ik voel de verbondenheid veel meer als ik zelf boterkoek bak. De laatste jaren word ik uitgenodigd om te seideren door Joodse kennissen die bij mij in de buurt wonen. De Seider is de eerste maaltijd van Pesach. Daar zitten we dan bijeen, als nazaten van een gemeenschap die verdwenen is. Dan voel ik die verbondenheid heel sterk.’

U heeft het soms over ‘min of meer Joods’. Wat betekent dat?

‘Ik denk dat vrijwel geen enkele Jood in Nederland, ook mensen die naar sjoel gaan, de oude Joodse cultuur die er voor de oorlog was heeft gekend. Die wereld wordt uit sentiment een beetje nagebootst, met de hang naar kippensoep en boterkoek.’

Ze is somber over de toekomst van Israël. ‘Ik ben bang dat er nooit meer een politicus komt die bereid is om een Rabin-achtige move te maken. Iedereen is bang, net als in Nederland.’

U ook?

‘Ja, ik ben wel een angstig iemand. Ik ben niet bang dat ik door een jihadist overhoop zal worden geschoten. Het is meer een vaag gevoel van angst dat altijd met me meeloopt.’

Merkt u dat de ontwikkelingen rond Israël en Gaza een splijtzwam zijn binnen de Joodse gemeenschap in Nederland?

‘Er zijn ongelooflijk grote meningsverschillen. Maar ik ben er gelukkig geen mensen door kwijtgeraakt.’

Chaja Polak betoogde in haar boekje Brief in de nacht dat juist Joden empathie zouden moeten voelen met het Palestijnse volk. Omdat zij weten wat lijden is.

‘Ik weet dat zij dat zegt. Ik waardeer Chaja zeer, beschouw haar als een vriendin. Maar dit vind ik wishful thinking. Mensen die vreselijke dingen hebben meegemaakt, worden niet automatisch moreel hoogstaand. Integendeel, wraakgevoelens en het idee dat je in de steek gelaten bent, kunnen juist het slechtste in de mens naar boven halen.

‘Wat Chaja zegt, gaat zo gauw in de richting van dat Auschwitz een heropvoedingskamp was. Ik denk altijd aan dat verhaal van Abel Herzberg. Die werd na een lezing aangesproken door een vrouw die vroeg: ‘Hoe kunnen wij voorkomen dat onze kinderen opnieuw slachtoffer worden?’ Waarop hij antwoordde: ‘Dat is geen goede vraag. De vraag moet zijn: hoe kunnen we voorkomen dat onze kinderen zelf beulen worden?’ Dat is precies wat er gebeurt in Israël. De nazaten van mensen die de Holocaust hebben overleefd zijn in Israël inmiddels een minderheid geworden. Desondanks is de Holocaust voor de Israëliërs inmiddels wat de Slag op het Merelveld voor de Serviërs is. Dat is verschrikkelijk pijnlijk.’

Heeft u het daarover met uw broer?

‘Nee, dat is een te gecompliceerd onderwerp.’

Bent u de band tussen Wim en u beter gaan begrijpen door erover te schrijven?

‘Ik denk eigenlijk dat ik het boek vooral voor mezelf heb geschreven, om mijn eigen hoofd te ordenen.’

Hoe zou uw vader uw boek hebben gevonden?

‘Ik denk dat hij het prachtig had gevonden. Zeker met al die liedjes erbij.’

En uw broer?

‘Hij zal niet zeggen dat hij het mooi vindt. Terwijl hij heimelijk toch trots zal zijn. We geven om elkaar. Aan de ene kant heb je natuurlijk die rivier die tussen ons in kolkt waaruit allemaal giftige dampen opstijgen. Aan de andere kant is hij me vertrouwd en dierbaar. Hij is voor mij toch het laatste intieme draadje met mijn vroege jeugd.’

Bron Atlas Contact