Het bos van de toekomst krijgt vorm op de Veluwe. Er is ruimte voor allerlei nieuwe boomsoorten
Een wandeling bij Epe, Noord-Veluwe. Op Landgoed Welna zijn stukken bos afgezet met hoge hekken. Die moeten de jonge aanplant beschermen tegen de edelherten en reeën die er rondlopen en dol zijn op jonge bomen en struiken. Binnen de hekken zijn oude vertrouwde boomsoorten als grove den, douglas, lariks en fijnspar vervangen door jonge loofbomen als boswilg, haagbeuk, winterlinde, zoete kers, fladderiep, veldesdoorn en rode cornoelje. ‘Om het bos weerbaar te maken tegen droogte en klimaatverandering’, legt een bordje bij de omheining de wandelaar uit. De soorten hebben blad dat zorgt voor een goede vertering, waardoor het bijdraagt aan een gezondere bodem en een robuuster bos.
Verderop, in Eperholt, dient het bos van de toekomst zich ook al aan. Eeuwenlang lagen daar heidevelden. Tussen 1914 en 1934 werden die volgeplant met grove dennen, onder meer voor de houtproductie ten behoeve van de Limburgse mijnbouw. De dennen deden het goed op de arme en droge heidegrond. Nu wordt het monotone dennenbos omgevormd tot ‘klimaatbestendig bos’, wat zoveel betekent dat het gemengder wordt, met meer gelaagdheid, meer dood hout en veel natuurlijke verjonging.
Stapsgewijs worden douglas, Noorse esdoorn, Limburgse boskriek en winterlinde aangeplant, soorten die de bodem verbeteren en de biodiversiteit bevorderen. Soorten als peerbes en elsbes dienen als voedselbron voor insecten, vlinders en vogels, terwijl de witte hickory, valse acacia en winterlinde van belang zijn voor bijen. De zwijnen doen zich tegoed aan tamme kastanjes, terwijl vooral de douglas en Noorse esdoorn CO2 opslaan. ‘Uiteindelijk wordt ’t Eperholt een gezond, weerbaar en veelzijdig bos met verschillende planten en dieren’, spreekt een informatiepaneel de bezoeker toe. ‘Een echt klimaatbos. Klaar voor de toekomst.’
Op meer plekken op de Veluwe worden naaldbomen geleidelijk aan vervangen door loofbomen van een aantal soorten. Door monocultuur bleken bossen al decennia kwetsbaar voor storm, ziekten en plagen. Nu zijn daar klimaatverandering en natuurbrandrisico bij gekomen, zoals afgelopen zomer bleek op het militair oefenterrein bij ’t Harde, waar tijdens de droogte brand ontstond na een oefening met springstof.
Over het wapen tegen het (door droogte en hittegolven) stijgende risico van bosbranden is iedereen het eens: de monocultuur van voornamelijk dennenbossen (aangeplant voor de houtproductie uit het begin van de vorige eeuw) moet doorbroken. Dun dennenhout is brandbaar, de hars die de bomen produceren werkt als olie op het vuur en de lagen dode naalden en takken vormen extra brandstof. Afwisselen met loofbomen geldt als het recept: de bladeren houden vocht vast, evenals de stammen.
Op de proef gesteld
De nieuwe aanpak is niet afgelopen zomer uit de lucht komen vallen. Klimaatverandering en weersextremen werden al langer voorspeld en doen zich de laatste tien jaar steeds duidelijker voor in de werkelijkheid. In een tempo dat menig wetenschapper verrast.
Afgelopen voorjaar en zomer hebben de Nederlandse natuur voor het zoveelste jaar op proef gesteld. Droogte, hittegolven, natuurbranden en perioden van tamelijk extreme regenval eisen hun tol. Maar welke precies? En wat betekent dat voor de toekomst van de bomen en de bossen? Kunnen die overal tegen, of is het tijd voor een nieuw beheer?
‘Het is een heel ingewikkelde puzzel’, zegt Casper de Groot, bosadviseur bij Staatsbosbeheer.
Een van de puzzelstukjes vormen de grillige contrasten van het weer. Zo is het volgens De Groot verstandig om meer water vast te houden in bossen door greppels en sloten te ‘verontdiepen’ voor drogere perioden. Maar bij perioden van veel neerslag moet dat water ook weer kunnen worden afgevoerd. Dat levert problemen op: ‘Er zijn maar weinig boomsoorten die met beide extremen kunnen omgaan. Als water hoog staat, sterft een deel van de wortels door het zuurstofgebrek onder water. Het volgende jaar moeten de bomen weer tegen droogte kunnen, maar daarvoor hebben ze die wortels juist hard nodig.’
Er zijn soorten die hier flexibeler in zijn, zegt De Groot. ‘De zomereik kan veel aan, daarmee hebben we de meeste kans van slagen. Wilgen en elzen kunnen ook tegen veel water, maar die verdragen de droogte weer slechter en zijn ongeschikt voor de hoge zandgronden.’
De beuk in de problemen
Door de afgelopen droge zomer ziet hij in zijn eigen werkgebied – voornamelijk Midden-Nederland – diverse boomsoorten in de problemen komen. ‘Dat hadden we ook al wel verwacht, maar dit jaar kwam vooral de beuk in moeilijkheden. Op de Utrechtse Heuvelrug zie je boven in de kronen veel sterfte. Rond De Vuursche, Baarn en Hilversum zijn hele groepen echt afgestorven. Op de hogere zandgronden is dat nog niet gebeurd, maar op de lagere delen aan de flanken van de stuwwal wel.’
Ook vielen volgens De Groot de bladeren eerder en braken takken af, waardoor meer licht binnenkwam en andere bomen als het ware last kregen van zonnebrand op de bast.
Moet, met de klimaatscenario’s in de hand, daarom de beuk worden afgeschreven als soort voor het bos van de toekomst? Zeker niet, zegt De Groot. ‘Zowel voor de beuk als de berk, die het ook zwaar heeft, geldt dat de omstandigheden erg afhangen van onder meer de locatie en de bodemsoort. De niet-inheemse fijnspar heeft ook problemen met de klimaatverandering, maar in gemengd bos waar het donker en vochtig genoeg is, doet die het nog goed.’
Welke soorten bomen waar gedijen, daar komen bosbeheerders – zeker op langere termijn – wel uit. In werkelijkheid steekt de puzzel van een bos complexer in elkaar dan simpelweg wat bomen bij elkaar zetten. De vraag is ook hoe ze zich tot elkaar verhouden en wat het aanplanten of verwijderen van bomen betekent voor de bodem en de samenhang van een bos. Die elementen zijn minstens even belangrijk om een bos in de toekomst overeind te houden.
Dat blijkt ook uit de brochure Bos in 2120 – Op weg naar een toekomstbestendig bos, die wetenschappers van onderzoeksinstituut Wageningen Environmental Research opstelden over de Veluwe: ‘Donkere naaldbossen verdampen twee keer zoveel water als heide. Hierdoor infiltreert minder neerslag in de bodem en daalt het grondwaterpeil. Loofbomen en licht naaldhout, zoals grove dennen, verdampen veel minder.’
Het veranderende klimaat versterkt de effecten van landgebruik. ‘Warmer weer en langere droge perioden verhogen de verdamping van vegetatie. Terwijl intensievere regenbuien sneller afstromen naar beken en rivieren, in plaats van in de bodem te zakken.’
Op de Veluwe zullen in droge zomers kleine beken en poelen vaker droogvallen, waarschuwen de auteurs. Dat treft bomen, amfibieën, insecten en andere soorten die afhankelijk zijn van natte habitats.
En: ‘Veel planten en bomen kunnen niet meebewegen met de veranderende omstandigheden. Sommige soorten hebben koude winters nodig. Andere hebben voorspelbare warme lentes nodig.’ Zo verspreidt de lijsterbes zich noordwaarts. Bomen als fijnspar en lariks worden kwetsbaarder voor ziekten en plagen. ‘Andere boomsoorten verdwijnen misschien helemaal, zoals de grove den. Lokale iconen op de Veluwe, zoals de Wodanseiken, lopen ook het risico om helemaal te verdwijnen.’
Tientallen jonge dennen
Hoe complex dit soort mechanismen werken, demonstreert Frank Sterck, hoogleraar bosecologie en bosbeheer aan de Wageningen Universiteit, op een klein perceel in het Zwolse bos, aan de noordoostkant van de Veluwe. Het is een van de vijftien ‘plots’ waar sinds de winter van 2018/2019 steeds een boomsoort wordt gemonitord: het gaat om beuken, grove dennen en douglassparren. Op de plots zijn bomen verwijderd en is goed te zien hoe snel daar jonge verschijnen. Snel, blijkt: om Sterck heen staan vele tientallen jonge dennen, ze zijn sinds 2018 zo’n anderhalve meter opgeschoten.
Op deze plekken, elk zo’n hectare groot, onderzoekt Sterck onder meer hoe het verwijderen van bomen de balans van voedingsstoffen in de bodem beïnvloedt. Ook meten hij en zijn collega’s er nauwgezet de groei en krimp van de bomen onder invloed van droogte en temperatuur. Dat gebeurt onder meer met dendrometers rond de stammen die elke tien minuten een signaaltje afgeven.
‘Veel bossen staan op arme zandgrond’, doceert Sterck bij een grove den, waar op de achtergrond een zwarte specht roept. ‘Wanneer je bomen weghaalt, haal je ook de nutriënten weg die in die boom zitten. Dan is de vraag of de nutriëntenvoorraad van het bos snel genoeg kon aangroeien om dat bos weer helemaal te laten herstellen.’
Dat hangt dan weer nauw samen met de lokale depositie van stikstof en zwavel, maar ook met hoe bomen belangrijke voedingsstoffen invangen. ‘Stikstof en zwavel veroorzaken verzuring en die verzuring leidt ertoe dat belangrijke grondstoffen als calcium, magnesium en kalium uitspoelen, waardoor die voorraden sterk afnemen.’ Bij een bos met voldoende bomen worden deze grondstoffen efficiënt opgenomen en is de uitspoeling minder.
Krimp door droogte
Stercks conclusie: ‘Als je te veel bomen weghaalt, verstoor je de nutriëntenbalans van de bodem en raak je meer kwijt dan je wilt en vang je minder in.’ Met andere woorden: je kunt wel bomen verwijderen, maar bij te veel kap neemt de bodemvoorraad af en kunnen nieuwe bomen in de problemen komen.
De dendrometingen van ‘zijn’ bomen tonen wat droogte en neerslag met bomen doen. Opmerkelijk voor de leek: door extreme droogte stoppen bomen niet alleen met groeien, ze krimpen zelfs. Kortweg is dat het gevolg van hoe een boom functioneert in het groeiseizoen: bij zonsopgang opent hij huidmondjes waardoor de boom water kan verdampen. Met de wortels haalt hij water uit de bodem. Door droogte verdampt hij meer dan hij met de wortels kan opnemen. Het resultaat is krimp.
Sterck haalt twee boormonsters, met een soort appelboor uit de stammen van bomen gehaald. Duidelijk zijn de jaarringen te zien. Tussen de jaarringen van meer dan tien jaar geleden zit aanzienlijk meer ruimte dan tussen de jongste tien jaren met droge, warme zomers in 2018-2020, 2022 en 2026. Daar is de groei vaak minder dan een millimeter. ‘De effecten van droogte zijn cumulatief’, zegt Sterck. De vraag is of bomen dit eindeloos kunnen opvangen, of dat ze op zeker moment het loodje leggen.
Nog wat bevindingen die de puzzel ingewikkelder maken: waar door kap open plekken ontstaan, is meer water beschikbaar voor een boom. Sterck: ‘Bomen die vrij staan, vangen meer zonlicht en fotosynthetiseren sneller, maar verdampen dus ook meer water. We zien echter dat bij gelijke droogte de bomen die in open plekken staan uiteindelijk harder groeien dan de andere.’
Ook opmerkelijk: de situatie verschilt per boom en per locatie. ‘Soms is er al verschil meetbaar tussen twee bomen die 20 meter uit elkaar staan’, zegt Sterck.
Hoe moet in dit licht het duurzame bos van de toekomst eruit komen te zien, volgens Sterck? Net als anderen gelooft hij in gevarieerde bossen, kleinschalig beheerd. ‘We moeten weg van de monocultuur.’ Hij gelooft niet in het massaal aanplanten van exotische boomsoorten die beter bestand zouden zijn tegen warmte en droogte, maar eerder in het lokaal aanvullen met jonge boompjes van variëteiten binnen dezelfde soort of andere soorten.
Wat hij bedoelt: ‘De beuk als soort is niet één ding, we zouden gebruik kunnen maken van de enorme genetische variatie binnen in die soort. Het bijplanten van bijvoorbeeld een andere, meer warmte- en droogteresistente, beukensoort is ook een optie.’ Toch is de toename in boomsterfte niet helemaal te voorkomen. ‘Op sommige plekken in Duitsland was het in 2020 zo’n 2 graden warmer dan hier. Daar stierven toen massaal beuken en grove dennen. Bij ons stonden die er nog redelijk bij. En die 2 graden extra komen onze kant op met de voortschrijdende opwarming.’
En dus doen bosbeheerders er volgens hem goed aan zaden van zuidelijker levende bomen naar Nederlandse bossen te brengen. Een boom verspreidt zich te traag om het tempo waarin de opwarming zich voltrekt te volgen. De mens zal een handje moeten helpen om het bos weerbaarder te maken.
En dat gebeurt ook al, zegt bosadviseur Casper de Groot. ‘Op proefvelden hebben we bijvoorbeeld Duitse, Franse en Belgische varianten van de elsbes geplant. Daarin zien we duidelijke verschillen: nadat we vorig jaar late nachtvorst hadden gehad, waren bij de Franse elsbessen alle scheuten doodgevroren, maar bij de Duitse bomen was niets aan de hand.’ Ook van inheemse soorten als wintereik en beuk bestaan dergelijke proefvelden.
Geleidelijke verjonging
Het aanpassen van bossen is geen kwestie van hele percelen kappen en nieuwe bomen planten. Het voltrekt zich door middel van geleidelijke bosverjonging. De Groot: ‘Zo hopen we dat soorten zich weten aan te passen. Bomen hebben soms decennia nodig om volwassen te worden. De vraag is of ze die tijd nog hebben.’
Zoals vaker bij ingewikkelde puzzels blijft aan het eind nog een stukje over. Dat ligt in het westen van het land: daar speelt verzilting bomen parten. Doordat zout zeewater of omhoogkomend zout grondwater via bijvoorbeeld sluizen of vispassages zich vermengen met gebieden waar normaal zoet water staat, worden bodem en oppervlaktewater geleidelijk zouter. Bosadviseur De Groot: ‘Voor veel boomsoorten is dat echt problematisch. Er zijn maar weinig soorten die ertegen kunnen dat brak of zout water in hun wortelzone terechtkomt. De zwarte els en sommige wilgensoorten zijn gunstige uitzonderingen, maar voor de rest geldt dat we het antwoord op dit vraagstuk nog moeten uitvinden.’
Het lichtpuntje in al deze duisternis: geen van de deskundigen gaat ervan uit dat het bos verloren is. Het zal alleen veranderen, en dat is helemaal niet erg: met grotere variëteit kunnen bossen ook aantrekkelijker worden voor meer diersoorten die er voedsel en schuilplaatsen vinden.
Lees ook
Geselecteerd door de redactie
- nieuws
Nieuw onderzoek: bomen kunnen minder goed tegen droogte dan gedacht
- v-plusReportage
Het water op de Veluwe staat laag, maar het staat tenminste. De vraag is: hoelang nog?
- reportage
En dan schieten de paddenstoelen alsnog uit de grond na de extreem droge zomer: ‘Blijkbaar was een paar centimeter vocht genoeg’