Ook jeugdbeschermers zelf zijn gefrustreerd: ‘Iedereen in het veld weet dat het huidige stelsel op de schop moet’
Namens de overheid grijpt een jeugdbeschermer in als hij denkt dat het in een gezin voor de kinderen onveilig is. Dat is nogal een verantwoordelijkheid. Ziet een jeugdbeschermer het niet goed, dan kunnen de gevolgen verschrikkelijk zijn, zoals bijvoorbeeld voor het Vlaardingse pleegmeisje. Nooit meer kan zij zelfstandig leven na langdurig ernstig te zijn mishandeld door haar pleegouders, zonder dat de jeugdbeschermer ingreep. En dit jaar kwam weer een stelselmatige kindermishandeling aan het licht van een meisje in Stadskanaal – ook dit meisje was onder toezicht geplaatst van een jeugdbeschermer.
Maar de jeugdbescherming krijgt ook de kritiek dat zij vaak onnodig ingrijpt, bijvoorbeeld bij de vele uithuisplaatsingen van kinderen van door de toeslagenaffaire gedupeerde ouders. Als jeugdbeschermers de gezinssituaties beter hadden onderzocht, hadden veel van deze kinderen bij hun ouders kunnen blijven wonen, oordeelde een commissie onder voorzitterschap van Mariëtte Hamer. Dat is des te schrijnender, omdat een uithuisplaatsing een kind vaak voor het leven tekent.
Ligt de jeugdbescherming in zijn geheel al onder een vergrootglas, dit geldt nog sterker voor de William Schrikker Stichting. Zowel het Vlaardingse pleegmeisje als het mishandelde meisje in Stadskanaal had een jeugdbeschermer van deze grootste jeugdbeschermingsorganisatie van Nederland – speciaal voor gezinnen waarin de ouders of kinderen een licht verstandelijke beperking hebben.
Deze maand vertrekt hun bestuurder Pim van Uchelen (61). Hij neemt afscheid als bestuursvoorzitter van Partners voor Jeugd, de koepelorganisatie waaronder behalve de jeugdbescherming van de William Schrikker Stichting ook onder meer een jeugdreclasseringstak valt.
Heftige incidenten
Het vetrekt niet om de heftige incidenten, beklemtoont Van Uchelen. Hij wordt bestuurder van de Nederlandse Stichting voor het Dove en Slechthorende Kind. ‘Ik was toe aan iets nieuws’, zegt hij daarover.
Maar sommigen die hem beter kennen, denken dat frustratie over het uitblijven van verbeteringen heeft meegespeeld in zijn beslissing om te vertrekken. In de zeven jaar dat hij bestuurder was, bleef de kritiek van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd hetzelfde: dat kwetsbare kinderen in Nederland onvoldoende worden beschermd. Er zijn te weinig jeugdbeschermers en zij krijgen nog steeds het verwijt dat zij onvoldoende luisteren naar ouders en kinderen.
Ook werd er al die jaren gepraat over een nieuw jeugdbeschermingsstelsel, dat het huidige van die reeks organisaties die zich met mogelijk onveilige gezinnen bezighouden moet vervangen: Veilig Thuis, de Raad voor de Kinderbescherming, de jeugdbescherming en de gemeentelijke wijkteams. In de toekomst moet elk gezin in problemen één aanspreekpunt krijgen. Maar die realiteit is nog geen stap dichterbij gekomen.
Toch zeggen ook sommige actieve jeugdzorgcritici dat zij Van Uchelen gaan missen. Alleen al omdat hij een van de weinigen in de sector was die überhaupt met hen in gesprek wilde. ‘Jammer dat dat blijkbaar uitzonderlijk is’, reageert Van Uchelen in het hoofdkantoorgebouw van Partners voor Jeugd in Amsterdam-Zuidoost. ‘Toen ik hier begon, heb ik een aantal van die kritische stemmen op sociale media op de koffie gevraagd. Sommigen van hen hebben verschrikkelijke dingen meegemaakt in de jeugdzorg. Daar kun je van leren.’
Nederland telt dertien jeugdbeschermingsorganisaties die gezamenlijk de verantwoordelijkheid dragen over zo’n 32 duizend kinderen. De meeste werken in een specifieke regio. Alleen de William Schrikker Stichting en de jeugdbescherming van het Leger des Heils zijn landelijk actief.
De stichting heeft de verantwoordelijkheid over zo’n achtduizend kinderen, een kwart van alle minderjarigen in de jeugdbescherming. ‘Dan is het logisch dat onze naam kan vallen bij een incident, wat zeker geen excuus is. Hoewel onhaalbaar, streven we naar een foutmarge van nul.’
Zonder professionele zorgachtergrond – hij volgde een marineopleiding en werkte behalve bij de krijgsmacht ook bij het Openbaar Ministerie – solliciteerde Van Uchelen destijds bij de grote jeugdbeschermingsorganisatie. In zijn privéleven was hij erachter gekomen dat zijn hart lag bij kinderen die iets extra’s nodig hebben. Zijn partner en hij hadden zeven pleegkinderen in hun gezin gehad: ‘Inmiddels zijn zij twintigers en dertigers met wie we nog steeds goed contact hebben, alsook met hun moeders.’
Wat viel u op toen u begon bij de jeugdbescherming?
‘Dat het een onnodig ingewikkelde keten is, met al die betrokken instanties met verschillende bevoegdheden. Er komt een melding van huiselijk geweld bij Veilig Thuis, daarna doet de Raad voor de Kinderbescherming onderzoek en vervolgens plaatst de rechter een kind onder toezicht. En dan pas gaan jeugdbeschermers aan de slag. Daarom ben ik zo enthousiast over de hervormingsplannen met het doel dat gezinnen één vast gezicht voor zich krijgen. Met al die organisaties die nu betrokken zijn, kan cruciale informatie verloren gaan.’
En als het misgaat, heeft dat veel impact, merkte hij. De William Schrikker Stichting was de verantwoordelijke jeugdbeschermingsorganisatie bij de extreemste calamiteit, die van het Vlaardingse pleegmeisje. De Inspectie beschreef vorig jaar de lange reeks fouten van de pleegzorg en de jeugdbescherming. Niemand had naar het meisje geluisterd; zelfs toen ze tegen de politie zei dat ze werd mishandeld, werd ze niet geloofd.
Hoe ziet u dit?
‘We hebben verschrikkelijk gefaald. De jeugdbeschermers voelden aan dat het niet goed ging met het meisje en wilden haar weghalen uit dat pleeggezin, maar ze hebben niet doorgepakt omdat pleegzorg en de Raad voor de Kinderbescherming dat niet wilden. Toen de zaak overging naar een nieuwe jeugdbeschermer ging er informatie verloren in de overdracht. Vervolgens heeft die te lang gewacht met het kind zien.’
Na het onderzoek plaatste de Inspectie uw organisatie onder intensief toezicht, en er loopt nog een civiele aansprakelijkheidszaak van de biologische moeder. Is er iets structureel mis met jullie werkwijze?
‘Allereerst: dit had nooit mogen gebeuren. Inmiddels hebben we zo veel verbeteringen doorgevoerd dat het extra toezicht alweer is opgeheven.’
Wat is er concreet verbeterd?
‘Jeugdbeschermers bespraken hun zaken al met collega’s, voor een tegengeluid. Maar nu letten vaste voorzitters er scherper op of die tegenspraak voldoende kritisch is. Daarbij letten we er beter op dat informatie goed wordt overgedragen bij een wisseling van jeugdbeschermers. Ook moet de jeugdbeschermer het kind altijd een-op-een zien. Als er omstandigheden zijn waardoor dat lastig is, moet de jeugdbeschermer daar doorheen breken.’
Dat wordt toch ook verwacht van de jeugdbescherming? Als een pleegmoeder zegt dat de jeugdbeschermer het kind niet alleen mag zien, zoals in Vlaardingen gebeurde, moeten toch juist de alarmbellen gaan rinkelen?
‘Maar hoe doe je dat dan in de praktijk, moet je dat contact met het kind dan bijvoorbeeld met de politie gaan afdwingen? Het zijn lastige keuzes. We doen nu intern een cultuuronderzoek met de vraag: wat maakt dat je niet stevig staat op het moment dat het belangrijk is? Wanneer moet je meebewegen en wanneer moet je je rug recht houden?
‘Het gaat nooit honderd procent goed. Die pleegouders deden zulke verschrikkelijke dingen, dat had niemand vermoed. Door dit verhaal is het imago van pleegouders geschaad, terwijl er nauwelijks calamiteiten zijn met pleegzorg.
‘De crux is dat de jeugdbescherming niet alles kan zien. Een jeugdbeschermer zit niet 24 uur per dag in zo’n gezin en ziet niet alle gekke dingen die mensen soms doen. Kinderen vertellen ook niet altijd wat hun overkomt.
‘We moeten ook kunnen verdragen dat we af en toe verkeerde keuzes maken. Dan wordt ons soms verweten: waarom heb je de kinderen niet onmiddellijk uit huis gehaald? En bij andere zaken: waarom hebben jullie niet eerst heel gedegen onderzoek gedaan voordat jullie besloten om de kinderen uit huis te plaatsen? In dat spanningsveld werkt de jeugdbescherming.’
Ook het meisje dat in Stadskanaal structureel zou zijn mishandeld door haar moeder, was onder toezicht van de William Schrikker Stichting gesteld.
‘Wij raakten pas in een laat stadium bij deze zaak betrokken en hebben toen ingegrepen, verder kan ik er niet zo veel over zeggen. Het Inspectie-onderzoek naar de rol van de verschillende betrokken instanties is nog niet af en de strafzaak loopt nog. Het is verschrikkelijk als een kind structureel mishandeld is.’
De Inspectie hamert erop dat alle onder toezicht geplaatste kinderen meteen een vaste jeugdbeschermer krijgen, ondanks personeelskrapte.
‘De jeugdbescherming moet binnen vijf dagen na de ondertoezichtstelling het kind zien en binnen zes weken een verbeterplan hebben. Dat lukt in de meeste gevallen. Bij de William Schrikker Stichting hebben 180 kinderen geen vaste jeugdbeschermer. Wij doen ons uiterste best om dat naar nul te krijgen.’
Waarom concentreert de jeugdbescherming zich niet op kinderen die worden mishandeld en waar de veiligheid acuut in het geding is, en laat zij minder urgente zaken schieten, zoals die van de vele kinderen in de jeugdbescherming vanwege ouders die het niet eens worden over een omgangsregeling na een complexe scheiding?
‘Bij de wachtlijsten kijken we wel degelijk welke zaken het urgentst zijn. Het beste zou zijn als de rechter minder kinderen onder toezicht zou stellen. Dat kan als bijvoorbeeld gemeentelijke wijkteams meer kinderen die klem zitten in echtscheidingen afdoende helpen. Maar bedenk wel dat niet wij, maar de rechter besluit tot een ondertoezichtstelling van een kind, en daar zit de jeugdbescherming dan aan vast. Wij kunnen die maatregel hoogstens zo snel mogelijk beëindigen.’
Veel ouders klagen over de vele wisselingen van jeugdbeschermers en dat ze vaak onervaren zijn. Zijn jullie medewerkers wel toegerust op de moeilijke beslissingen die ze moeten nemen?
‘Bij sollicitaties kijken we of iemand stevig genoeg in zijn schoenen staat. Personeel behouden is moeilijk, ook omdat het een zwaar beroep is. Ik ben al blij dat het ons lukt ons personeelsbestand redelijk op sterkte te houden in de moeilijke omstandigheden.’
Wat bedoelt u daarmee?
‘Het totale gebrek aan passende jeugdhulp. Als een jeugdbeschermer ziet dat een kind bijvoorbeeld traumatherapie of bepaalde ggz-hulp nodig heeft, zijn gemeenten verplicht om die gevraagde hulp beschikbaar te stellen. Maar gemeenten doen dat vaak niet. Dat frustreert jeugdbeschermers.
‘Dit is dus de praktijk voor een kind dat mogelijk onveilig is. Eerst gaat zo’n gezin door een hele lange keten van instanties voordat het überhaupt hulp kan krijgen, en dan blijkt de benodigde hulp er niet te zijn. Het betreft gezinnen waar de situatie zo alarmerend is dat de rechter de opdracht geeft aan de jeugdbescherming om de zeggenschap over te nemen. Dan kan natuurlijk niet. Maar het speelt elke dag en het wordt alleen maar erger.’
Doet de politiek genoeg aan de voortdurende knelpunten in de zorg voor de meest kwetsbare kinderen?
‘Ik heb de afgelopen zeven jaar kennisgemaakt met vijf voor de jeugdbescherming verantwoordelijke bewindspersonen bij het ministerie van Justitie. Telkens beginnen ze bij nul. Het is frustrerend dat jeugdzorg niet hoog op de politieke agenda staat. Op een calamiteit kunnen politici scoren met stoere taal. Maar vervolgens blijven de essentiële structurele verbeteringen uit.
‘Iedereen in het veld weet dat het huidige stelsel met al die instanties op de schop moet. Voor zo’n hervorming moeten organisaties worden samengevoegd. Maar hiervoor is nog helemaal geen geld gereserveerd. Dan ligt er straks een briljant plan van hoe het beter kan, dat niet kan doorgaan omdat het geld er niet is.
‘Hoe moeizaam verbeteringen gaan, is te zien bij de jeugdreclassering. Met alle jeugdreclasseringsorganisaties willen we op dezelfde manier gaan werken, om meer jongeren na een delict op het rechte pad te houden. Daarvoor is een wetenschappelijk onderbouwde methode ontwikkeld, waarbij we extra tijd en aandacht besteden aan zo’n zesduizend jongeren tot hun 23ste levensjaar. Maar hiervoor is een structurele investering nodig van 30 miljoen euro, en dat geld komt er niet. De maatschappelijke schade van jeugdcriminaliteit is vele malen groter.
‘Het knelpunt is dat het gaat om 30 miljoen euro structureel extra. Jaarlijks is er 100 miljoen euro beschikbaar voor tijdelijke experimenten, maar er is geen structureel geld voor deze duidelijke verbetering van de effectiviteit. Onbegrijpelijk.’
In april van dit jaar is een staatscommissie overheidsingrijpen in gezinnen ingesteld, die de overheid moet gaan adviseren over een betere jeugdbescherming. Aanleiding was de kritiek op de vele uithuisplaatsingen van kinderen van toeslagengedupeerden. Wat vindt u daarvan?
‘Waarom gaan we onderzoeken wat we al weten? Het ambtelijk apparaat gaat nu wachten op wat die staatscommissie zegt. Het is een excuus voor de overheid om de broodnodige stelselhervorming uit te stellen. Dat gebrek aan beweging vind ik zorgelijk. Elke dag worden we geconfronteerd met het falen van het systeem, zonder dat er uitzicht is op verbetering.’
U lijkt in dit gesprek alle mankementen af te schuiven op anderen. Op de gemeenten die geen jeugdzorg leveren, de trage politiek, de rechter die te veel kinderen onder toezicht stelt. Staat de jeugdbescherming zelf wel open voor kritiek?
‘In mijn beleving staat Partners voor Jeugd zeker open voor kritiek, dat mis ik soms bij anderen in dit veld. Wij laten jeugdzorgcritici meepraten over ons beleid. Ook laten wij ervaringsdeskundigen aan toekomstige jeugdbeschermers vertellen hoe het voor een kind is om onder toezicht te staan, met soms als onzinnig ervaren protocollen.’
Wat vindt u van de kritiek dat de jeugdbescherming te weinig naar ouders en kinderen luistert en op basis van onjuiste aannamen in een tunnelvisie kan belanden?
‘Ik zou graag standaard twee jeugdbeschermers per zaak willen. Maar ook nu zijn er wat mij betreft voldoende checks-and-balances. Met het opleggen van een ondertoezichtstelling zet de rechter een jeugdbeschermer per definitie in een machtspositie. De jeugdbeschermer streeft naar een goede samenwerking met de ouders, dan bereikt hij meer. Hij wil niet als boeman worden gezien die komt binnenstampen van: ik ben vanaf nu de baas en ik ga uitleggen wat we nu gaan doen.’
Toch is dat wel hoe veel ouders het ervaren. Zelf heeft u vorig jaar, met twee andere jeugdbeschermingsbestuurders, excuses aangeboden aan een moeder en een zoon vanwege een onnodige uithuisplaatsing. Het kind bleek gewoon thuis te kunnen wonen, terwijl acht jaar lang een reeks jeugdbeschermers had geoordeeld dat het onmogelijk was.
‘De moeder stond onder jeugdbeschermers bekend als moeilijk, maar ze is getraumatiseerd omdat haar kind haar was afgenomen zonder dat ze begreep waarom. We hebben ook in ons vakblad aandacht gevraagd voor deze zaak, met de boodschap aan jeugdbeschermers: stel jezelf de vraag of het niet ook anders kan zitten in een gezin dan je denkt. Deze moeder zit nu in de cliëntenraad van onze organisatie. Ook ik moet verdragen dat er soms foute beslissingen worden genomen. Het blijft mensenwerk.’
Lees ook
Geselecteerd door de redactie
- v-plusHet Ideaal
‘Ik zou wel willen ontdekken waar de traumavrije Sara nog meer toe in staat is’
- v-plusreportage
Op welke gronden zijn wij destijds uit huis geplaatst? Dat willen veel kinderen van toeslagengedupeerden nog steeds weten
- Nieuws
Kabinet wil dure een-op-eenzorg aan jongeren terugdringen: gemeenten eisen meer regie uit Den Haag
- interviewervaringsdeskundige
Excuses voor gesloten jeugdzorg zijn niet goed genoeg, zegt Jason Bhugwandass: ‘Dit leidt alleen maar tot meer schade’