Home   2026-10-22 19:56:51

←

Deze moeder begon aarzelend aan een opvoedcursus, en volgde er uit enthousiasme nóg twee

Original article

Op een donderdagochtend in mei stond ik met een alleenstaande vader met Japanse tekens op zijn shirt in een cirkel in een oude gymzaal. We hadden onze schoenen uitgetrokken, hielden dezelfde stok vast en moesten elkaar uit de cirkel krijgen. Eerst als rots, met kracht, daarna als water, door mee te bewegen. Ik probeerde met een glimlach rots te zijn, maar hij wilde winnen. Ik rook zijn zweet. In tien seconden stond ik buiten de cirkel en voelde me verslagen. Als moeder.

Het was de derde opvoedcursus met andere ouders die ik in één jaar tijd volgde. Waarom voelde de drempel voor de eerste cursus zo hoog? En waarom schreef ik me desondanks in hetzelfde jaar voor nog twee cursussen in?

Het was het voorjaar van 2025. Het waren de weken waarin mijn vriend en ik onze oudste zoon van net 4 jaar elke dag vóór de lunch van school moesten halen. De weken waarin de intern begeleider van school zei dat hij de klas onveilig maakte. Toen ik haar vroeg wat zij hem dan zag doen, zei ze: ‘Laten we zeggen dat ik genoeg heb gezien.’ De weken waarin het ons thuis, tussen zijn woedeaanvallen door, niet lukte om contact met hem te krijgen en ik in de buurt kinderen met pleisters bij hun ouders achterop de fiets zag zitten. Me steeds afvroeg of mijn zoon hen gekrabd had en natuurlijk: wat wij als ouders fout deden.

Wenkbrauwen

Er moest iets gebeuren, maar wat? De intern begeleider kon niets bieden vanuit school en had geen tijd, zij had ons haar digitale agenda vol gekleurde blokken laten zien en haar wenkbrauwen opgetrokken. De juf van ons kind stond net twee jaar voor de klas. Vrienden konden ons ook niet helpen, veel van hen wonen buiten Amsterdam, waren druk en hadden hier bovendien geen ervaring mee. Bij de meeste kinderen bleef de overgang naar de basisschool bij slecht slapen en wat woedeaanvallen over de havermout die te dun was. Bij ons dus niet.

Ik had nooit eerder aan een opvoedcursus gedacht, maar herinnerde me opeens dat de intern begeleider ons hier in haar eerste mail op had gewezen. Opvoedcursussen leken me voor mensen met zware levens, mensen die zelf geen fijne opvoeding hadden gehad, mensen die geen boeken over opvoeden met hun eigen ouders bespraken (‘The book you wish your parents had read’). Ik dacht dat ik hier geen recht op had en dat vond ik een prettig idee. Bijna al mijn vrienden zijn net als ik in therapie of zijn dat ooit geweest, maar ik kende niemand die een opvoedcursus volgde en ik stond niet te trappelen om de eerste te zijn. Maar ik wist dat ik íéts moest doen en daarom schreef ik me in.

Voor de eerste bijeenkomst van de cursus Positief Opvoeden, ook bekend als Triple P: Positive Parenting Program, had ik een outfit klaargelegd die zelfverzekerdheid moest uitstralen. Een halflange jeansrok, zwart shirt en gouden ketting. Hetzelfde wat ik een vrouw op een bewolkte dag op het strand in Spanje zag dragen. Haar twee mooie kinderen legden hun handdoeken neer en renden naar de zee en zij ging een boek liggen lezen. Van een afstandje heb ik lang naar haar gekeken. Voordat ik om half 10 op het consultatiebureau bij ons om de hoek moest zijn, wilde ik nog sporten en ik had mijn koffiebeker op het aanrecht klaargezet om eigen koffie mee te nemen. Ik wilde vooral niet de indruk wekken dat opvoeden mijn levensdoel is. Ik vertrok te laat en kwam te laat aan bij de ouders bij wie ik niet wilde horen. De koffie had door mijn tas, op mijn rok gelekt. De vrouw naast me gaf me een zakdoekje. ‘Schatje toch’, zei ze.

Ondersteunen

Wat me direct opviel bij de cursus Positief Opvoeden was dat de andere acht ouders levens hadden die veel leken op het mijne. Iedereen werkte, niemand lag in een scheiding of was ziek. School had geen tijd om te ondersteunen en de kinderen van deze ouders hadden geen indicatie voor specialistische zorg.

Het was deze in Australië ontwikkelde Triple P-cursus die de toenmalige Amsterdamse burgemeester Eberhard van der Laan in 2016 verplicht wilde maken, toen hij als voorzitter van een taskforce zocht naar manieren om kindermishandeling tegen te gaan. In een interview met de NOS wees hij erop dat veel mensen het normaal vinden om voorafgaand aan de bevalling een cursus te volgen. ‘Waarom vinden wij het niet ook normaal dat ouders leren hoe je kinderen opvoedt?’

Een rondje van het NOS Journaal langs ouders op het schoolplein laat zien dat de meeste ouders deze opvatting destijds niet deelden. Van ‘niet voor mij, ik acht mezelf wel een goede ouder’ tot ‘ik ken genoeg ouders van wie ik denk: doe die maar een cursusje’. De verplichte cursus kwam er niet, maar inmiddels bieden ruim tweehonderd gemeenten een vertaling van Triple P aan. In de meeste gevallen, net als in Amsterdam, gratis. Het delen en normaliseren van opvoedvragen is een van de doelen.

In acht weken leerde ik meer over het voorbereiden van momenten die stress kunnen veroorzaken (en wanneer woedeaanvallen vaak voorkomen), het de-escaleren van boosheid, het belang van duidelijke instructies en het gebruiken van beloningskaarten. Het waardevolst vond ik de kern: veel aandacht geven aan wat je kind goed doet, en dat gedrag te prijzen, en onschuldig negatief gedrag te negeren. Het blijkt kinderen namelijk niet uit te maken of ze aandacht krijgen voor positief of negatief gedrag. Aandacht is aandacht. Het was in het begin zoeken naar oprechte complimenten (‘Wat goed dat je al aan tafel zit’, terwijl mijn zoon met zijn vork gaatjes in het tafelblad prikte), maar toch hadden de aardige woorden best snel effect. Van kleine glimlachjes bij mijn zoon tot een meer optimistische instelling bij mezelf.

Open deze afbeelding in volledig scherm
Open deze afbeelding in volledig scherm
Bron Helmut Smits
Bron Helmut Smits

Onderburen

Hoewel we een zomervakantie en een nieuwe meester verder waren en die meester zei dat hij een lieve, vrolijke en slimme jongen zag, meldde ik me aan voor een tweede cursus. Omdat het thuis nog steeds vaak niet ging zoals ik wilde, ik niet op steun van school durfde te vertrouwen en omdat ik merkte dat het me houvast gaf. Het gaf me het gevoel dat ik, ook in weken waarin de onderburen meerdere keren kwamen klagen over geren en gestamp, mijn best deed een goede opvoeder te zijn.

Ik weet wel dat goed opvoeden subjectief is. Mijn moeder zegt bijvoorbeeld dat ze trots is op hoe ik het doe. Zij heeft altijd lesgegeven en heeft veel kinderen en ouders voorbij zien komen. Eerst op een basisschool in een Amsterdamse volksbuurt, waar op ouderfeesten de politie aan het eind vaak moest komen, een keer omdat de ene ouder een sigaret in het gezicht van de andere had uitgedrukt. Eén keer heeft mijn moeder zelf een kind een tik gegeven. De 7-jarige Debby die nooit stil was, midden in een klas met nog 38 andere kinderen. De volgende dag stonden de ouders van Debby bij mijn toen nog 22-jarige moeder aan haar bureau en zei ze: ‘Sorry, sorry, sorry.’ De vader van Debby zei: ‘Als iemand haar slaat, ben ik het.’ En toen was het weer goed.

Mijn vriend komt uit Madrid en vindt dat wij de opvoeding van onze twee zoons al aardig goed doen. We spelen met onze kinderen, luisteren naar ze, knuffelen hen en poetsen hun tanden bijna twee minuten. Hij zat als kind op een privéschool waar de directeur hem aan zijn oor naar de grond trok en heeft een vader die hem als kind met 6-0, 6-0 van de tennisbaan mepte. In zijn familie aten de volwassenen en de kinderen vaak niet samen. Hij zegt dat ik best eens Buurman en Buurman op kan zetten als hij er niet is en ik niet meer weet hoe ik de kinderen rustig kan krijgen. Hij volgt geen cursus omdat die tijdens werktijd is en hij hier geen verlof voor durft op te nemen. Gelukkig ben ik freelancer en kon ik door met de volgende cursus zonder met iemand te overleggen.

Antrosopische vlecht

Tijdens mijn deelname aan Invest in Play, een opvoedmethode gebaseerd op vijftig jaar wetenschappelijk onderzoek, realiseerde ik me dat het verlangen naar de volgende cursus ook iets met overgave te maken had. Als kind ging ik met mijn ouders elke zondag naar een protestantse kerk. En, net zoals mijn ouders in de kerk niet zeker wisten of de preek van die dag een inspiratie of tijdverspilling zou zijn, weet je dat bij een opvoedcursus ook niet. Niet elke trainer en elke oefening vond ik even verheffend. Zoals de trainer met een lange antroposofische vlecht, die wat ik zei steeds heel langzaam nét verkeerd samenvatte – en die ik niet corrigeerde omdat ik bang was dat ze dan een nieuwe poging zou doen. Of de oefening waarbij ik samen met een andere vrouw voor de groep een toren met Lego bouwde en zij alles wat ik deed moest erkennen en aanmoedigen.

Een waardevol inzicht dat ik in deze tweede cursus wel opdeed, is hoe verbindend het is om elke dag even met je kind te spelen en je kind dan het spel te laten bepalen (vooral als je kind geregeld tijdens het aankleden of schoenen aantrekken ‘Ik móét de hele tijd dingen!’ roept). Maar wat ik misschien nog waardevoller vond om te ervaren, was dat ik elke woensdagochtend gewoon ging, ook al waren de adviezen niet altijd precies de adviezen die ik zocht. Ik gaf me over aan de groep.

Ik ging omdat ik daar met andere ouders met dezelfde soort vragen kon zijn. Van een vriendelijk, corporaal stel dat elke woensdagochtend met hun koffie to go binnenkwam tot een succesvolle ondernemer met wallen onder zijn ogen en een alleenstaande moeder die bij een uitkeringsinstantie werkte; wij maakten hier allemaal tijd voor. Als ik na twee uur training weer buiten stond, voelde ik hetzelfde als wat ik als ouder kind na een kerkdienst had gevoeld: het geruststellende gevoel deel uit te maken van een soort gemeenschap – en hoe fijn het is om daarna weer op mijn eigen fiets te stappen.

Voordat ik me inschreef voor de derde cursus twijfelde ik even. Ik was met een vriendin naar de voorstelling met Meral Polat over moederschap geweest. Na En ze maakte een kind dronken we een biertje in het café van het theater. Het was deze vriendin die zich het best in mijn gevoel kan verplaatsen. Die in een voicebericht hartstochtelijk riep ‘fuck de intern begeleider!’ Die ook de intense, luide, vasthoudende en explosieve momenten kent en weken waarin die momenten elkaar opvolgen. De enige vriendin die ook een opvoedcursus volgde, met haar vriend en online, en die trouw een werkboek invulde. ‘Ik wil ook op mijn eigen intuïtie blijven vertrouwen’, zei ze. ‘Niet steeds denken aan wat ik volgens het werkboek moet doen.’

Intuïtie

Ze raakte een gevoelige snaar. Was een cursus volgen de makkelijke weg? Moest ik niet ook weer een tijdje zonder vast moment in de week, trainers en peers kijken of ik het zelf nog kon? Verpletterde ik het beetje intuïtie dat ik misschien nog in me had niet onder al die inzichten? Ergens in de verte klonk de stem van mijn oude huisarts die mij, na de geboorte van mijn eerste zoon en een geslaagde operatie aan zijn hart, belde en constateerde dat hij een heel onzekere moeder hoorde. Ik herinnerde me die dag dat ik in de rij stond om te stemmen, mijn oudste kind protesterend in de kinderwagen, en dat een oudere man met een linnen tasje van De Groene Amsterdammer in de rij minzaam stelde: ‘Een kind heb je voor je plezier’.

Ik ging het toch maar doen, die derde cursus, vooral omdat deze Semmi-training voor ouders (geïnspireerd op de methode ‘Verbindend gezag’) was gericht op ‘het samenspel tussen lichaam, geest en gedrag’. De flyer beloofde dat we weinig zouden praten, maar vooral zouden ervaren. Misschien was mijn intuïtie meer ruimte geven ook wel iets wat ik kon leren.

Zo belandde ik met die vader in die cirkel. Het gezelschap ouders en opvoeders was het meest diverse tot nu toe. Een paar mensen beheersten het Nederlands maar een beetje, één vader zat in een rolstoel en sprak langzaam Engels. Na afloop van de eerste bijeenkomst fietste ik door een park en stopte ik om op een bankje te huilen. Om mijn gebrek aan autoriteit dat ik zo duidelijk had gevoeld. Maar ook om hoe troostrijk het was om bijna zonder woorden, met hulp van anderen, mijn grootste angst in de bek te kijken: wat als ik mijn kind niet kan geven wat het nodig heeft?

De cursus was een wonderlijke combinatie van door de gymzaal lopen, tegen andere ouders aanleunen, voelen hoe je lichaam op stress reageert en op en neer springen, terwijl de trainers je aanmoedigen om niet op je kind, maar vooral op jezelf te reflecteren. Wat zijn je eigen waarden, wensen, triggers en onzekerheden en wat betekent dit voor de relatie met je kinderen? Een belangrijke toevoeging aan deze cursus van zes bijeenkomsten vond ik dat een hele sessie was gewijd aan de rol van je netwerk. Dat deze cursus erkende dat je het als ouders niet alleen doet, maar dat je buren, vrienden, familie, docenten en voetbaltrainers op allerlei manieren kunt betrekken. Voor praktische tot emotionele steun – en dat die verschillende vormen van steun niet in een iemand verenigd hoeven te zijn. Hoe je met al die mensen samen een gemeenschap voor je kind kunt vormen.

Met lichte weemoed rondde ik de cursus af. De appgroep die een van de deelnemers begon, verstomde, net als de eerdere ouder-appgroepen. Kinderen van verschillende leeftijden, drukke agenda’s en het ontbreken van trainers maken het moeilijk om af te spreken.

Wat beklijft, zijn de inzichten die de cursussen mij brachten, niet alleen als ouder, maar ook als mens. Dat het dieper ingaan op opvoeden, wat ik iets voor andere mensen vond, voor mij belangrijke vragen opriep: of ik op het positieve kan focussen, ook als mijn kind nog niet kan voldoen aan wat zijn school van hem verwacht. Of het me lukt om elke dag minimaal tien minuten met elk van mijn kinderen te spelen en wat dit zegt over mijn prioriteiten. Maar wat mij het meest heeft verrast, is dat het uitwisselen van deze vragen met onbekenden, dat waar ik het meest tegen opzag, me zo meeviel. Dat ik uitgerekend dat op een eigenaardige manier had gemist.