Hoe de stille revolutie van de ‘genderidentiteit’ op een giftige backlash stuitte
Zelden zal een sociaal begrip zo snel ingeburgerd zijn geraakt. Vijftig jaar geleden had nog bijna niemand een ‘genderidentiteit’. Nu kom je de term die uitdrukt met welk geslacht je je identificeert (of met beide, of met geen enkel) tegen in media, cultuur, onderwijs en regelgeving.
Tegelijk is het begrip middelpunt geworden van een bittere sociale en politieke controverse en een giftige backlash, wereldwijd opgezet door extreemrechts van het Witte Huis tot het Kremlin. Een eerder in de Tweede Kamer breed omarmd D66-voorstel om het administratief simpeler te maken officieel van geslacht te veranderen, werd na veel opinie-tumult heroverwogen en verdween alsnog in de parlementaire prullenbak.
Het zou de artsen en psychiaters die ‘genderidentiteit’ halverwege de twintigste eeuw in een klinische setting introduceerden, allemaal zeer hebben verbaasd. Het begrip werd in de jaren zestig gebruikt door de Amerikaanse psycholoog John Money voor patiënten met wat toen heette een seksuele stoornis. Vaak waren dat intersekse personen, bij wie door artsen werd bepaald tot welke sekse ze – ook operatief – zouden gaan behoren. Volgens Money kon hun psychologisch een genderidentiteit worden aangeleerd om beter door het leven te komen – een praktijk die nu zou worden gehekeld als conversietherapie.
Een halve eeuw later heeft het begrip een verbijsterende ‘carrière’ gemaakt, ver buiten de poorten van de klinieken waar psychologen zoals Money werkten. Van medisch begrip voor een kleine minderheid is het een wijdverbreide term geworden waarmee mensen zichzelf aanduiden, zeker onder jongere generaties.
Dat sociale succes én het rijzende verzet ertegen staan centraal in Gender Identity. The Career of a Category van de Amerikaanse socioloog Rogers Brubaker, verbonden aan de Universiteit van Californië in Los Angeles. Eerder schreef hij Trans (2016) over het begrip transgender, de transitie van man naar vrouw of omgekeerd, en de ‘vloeibaarheid’ van moderne persoonlijke identiteiten. In dit helder geschreven vervolg daarop biedt hij een beknopte geschiedenis van ‘genderidentiteit’ en een overzicht van de huidige controverses rond het begrip.
Maar wat is het eigenlijk? Het kortere ‘gender’ slaat van oudsher op de sociale invulling van sekseverschillen: rolpatronen en eigenschappen die historisch en cultureel worden gezien als ‘mannelijk’ of ‘vrouwelijk’. Genderidentiteit is iets intiemers: iets dat een individu ‘heeft’ of ‘is’, dat aangeeft tot welk gender die, los van het geboortegeslacht, gerekend wil worden.
Aan controverse erover geen gebrek, aan literatuur ook niet. Van heetgebakerde polemieken in de media tot persoonlijke getuigenissen en abstracte academische werken. In dat laatste genre valt onder veel meer The Metaphysics of Gender (2011) van filosoof Charlotte Witt, die genderidentiteit met een beroep op Aristoteles verdedigt als de ‘vorm’ van een individu, iets dat de persoonlijkheid integraal maakt. Onder de bekendste getuigenissen is Whipping Girl (2007) van Julia Serano, een strijdkreet voor de transbeweging. Sindsdien is er een stroom verontruste tot hatelijke boeken op gang gekomen van auteurs die zich afzetten tégen ‘genderideologie’. Ook uit conservatief-feministische hoek, zoals Material Girls (2021) van de Britse filosoof Kathleen Stock, die biologische sekse verdedigt als onmisbaar criterium voor wie zich kan laten gelden als man of vrouw.
Stelling betrekken
Prettig van Brubaker Gender Identity is dat het door zijn sociologische blik in geen van die drie genres valt. Zijn boek is historisch, analytisch, geschreven met een koele betrokkenheid, empathie en oog voor nuances. Dat maakt het geschikt voor wie in alle hitte ook wat licht zoekt.
Als socioloog is hij minder geïnteresseerd in wat genderidentiteit psychologisch of filosofisch nu precies is of zou moeten zijn, maar meer in wat het begrip maatschappelijk te zeggen heeft, wat het verondersteld wordt te doen of teweeg te brengen. Hij ziet er een herschikking in van de manier waarop individuen zichzelf willen definiëren, één waarbij, omdat het gaat om algemene sociale indelingen, ook altijd anderen in samenleving en politiek betrokken zullen zijn. ‘Geen debat’ is geen houdbare leus als het gaat om zulke identiteitskwesties. Een voorbeeld is de wens of eis om met zelfgekozen voornaamwoorden (m/v/x) te worden aangeduid of vermeld. Dat is niet louter zelfexpressie zoals haarkleur of kleding, maar een vraag om publieke „erkenning door anderen” – en dus onderwerp van sociale afstemming, confrontatie of conflict.
Uitblijven daarvan was de makke van wat Brubaker noemt de „stille revolutie” die, met name in de Verenigde Staten waar hij zich op concentreert, sinds de jaren negentig heeft plaatsgevonden. Genderidentiteit vond daar breed ingang bij de overheid en in het onderwijs, min of meer onder de publieke radar. Lobbygroepen voor transrechten bij wie het begrip al ingeburgerd was, konden rekenen op vanzelfsprekende politieke steun voor deze nieuwe stap in de emancipatie van een onderdrukte en gemarginaliseerde groep.
Het uitblijven van een publiek debat over genderidentiteit maakte volgens Brubaker de ‘revolutie’ over dat onderwerp kwetsbaar
Het maakte de „revolutie” kwetsbaar, meent hij. Toen het politieke en maatschappelijke klimaat in de VS na de Obama-jaren omsloeg en er alsnog een verhit debat loskwam, werd het direct een verzengende steekvlam. De strategie van stille diplomatie ontplofte in het gezicht van de transbeweging. Dat werd aangejaagd door rechts-radicale groepen en politici die in gender een dankbaar nieuw thema aanboorden om de ‘postmoderne aanval’ op de traditionele positie van mannen, vrouwen en het kerngezin aan te klagen.
Een katalysator was ook het succes van het fameuze Dutch protocol, ontwikkeld in de Amsterdamse VU-kliniek voor de behandeling van jongeren met genderdysforie, een nieuwe groep. Brubaker prijst dat protocol als zorgvuldig en behoedzaam, maar stelt vast dat de strikte criteria ervan in de VS al snel werden versoepeld, zo niet losgelaten. Dat viel samen met een snel stijgende vraag naar gendertransitie onder jongeren, en een backlash tegen „genderideologie” onder Amerikaanse ouders. Aangevuld met breed uitgemeten incidenten over transvrouwen (‘geboren mannen’) die, ook zonder nog door een medische transitie te zijn gegaan, toegang hadden gekregen tot sauna’s of vrouwensporten. De stille revolutie stuitte op een contrarevolutie, die nog steeds voortduurt.
Hyperindividualisme
Een zwakte in dit deel van zijn boek is wel dat Brubaker niet laat zien hóé de sprong vanuit de medische niche naar de mainstream in de VS precies ging. Bij welke psychologische of sociale behoefte sloot het begrip aan dat het ook buiten de lhbtiq+-gemeenschap zo snel een snaar raakte? Brubaker spreekt van hyperindividualisme en het verlangen je niet te laten definiëren door anderen in traditionele ‘hokjes’ of door de samenleving als geheel. In een zelfbepaalde genderidentiteit zou de ‘bevrijding’ van het individu dan zijn hoogtepunt vinden.
Tegelijk signaleert Brubaker een diepe ambivalentie in deze vorm van denken over persoonlijke identiteit. Enerzijds is genderidentiteit iets eigens ‘van binnen’, waar alleen het individu zelf toegang toe heeft en dat niet door anderen kan worden bepaald. Zozeer zelfs dat het soms een erfenis lijkt van het Romantische ‘genie’ in ieder creatief mens, of zelfs van de christelijke ziel. In dat perspectief geldt de maatschappij ‘daarbuiten’ al snel als onderdrukkend en een belemmering voor de expressie van het eigen innerlijk – een echo van Rousseau.
Anderzijds interpreteren postmoderne en feministische filosofen als Sally Haslanger en Judith Butler (van wie de klassieker Gender Trouble uit 1990 net in een nieuwe vertaling is verschenen bij Ten Have) gender juist als een ‘lichte’ identiteit, een vorm van zelfcreatie die zich ook altijd in een sociale ruimte bevindt. Geen innerlijke essentie tegenover een stugge buitenwereld, maar iets dat sociaal en fluïde is.
Die ambivalentie compliceert het politieke en maatschappelijke discours over genderidentiteit. Daarin overheerst volgens Brubaker de ‘sterke’ opvatting van genderidentiteit als een innerlijke essentie. Maar lang niet iedereen zal geloven ‘van binnen’ een identiteit te hebben die afwijkt van het geboortegeslacht, meent hij (je kunt jezelf heel goed tot je geboortesekse rekenen zonder je er sociaal in alle opzichten mee te identificeren). Een ‘zwakke’ definitie van genderidentiteit, als sociaal en altijd veranderlijk, is op haar beurt weer zo zwak dat je er geen wet- en regelgeving op kunt baseren. „De crux is dat sterke definities te sterk zijn om algemeen toepasbaar te zijn, maar zwakke definities weer te zwak zijn om het werk te doen dat van ze verwacht wordt.”
Aparte kleedkamers
Verhelderend is in dat opzicht zijn gedetailleerde behandeling van het juridische tumult in het Verenigd Koninkrijk, waar een versoepeling van de Gender Recognition Act (vergelijkbaar met het gesneefde D66-voorstel voor ‘zelfidentificatie’ als afdoende criterium voor officiële verandering van gender) botste op de Equality Act, die het recht garandeerde van (biologische) vrouwen op eigen ruimtes zoals aparte kleedkamers.
Brubaker benadrukt dat het te simpel is alle ophef over genderkwesties op maat te snijden van rechts en links of af te doen als „morele paniek”. Ingrijpende veranderingen van de manier waarop mensen de sociale werkelijkheid indelen brengen onvermijdelijk fricties met zich mee, van vele kanten. Dat is waar, toch is zijn sociologenblik hier te koel over de campagne tegen ‘genderideologie’, die hysterische trekken heeft gekregen (het ‘afschaffen’ van vrouw en man). Die is inmiddels vele malen sterker geworden. En met effect: tolerantie voor lhbtiq+-personen is volgens recent onderzoek ook op Nederlandse scholen schrikbarend gedaald.
Hoe gaat dit verder? De transbeweging is nu in tal van landen in het defensief. Tegelijk lijkt het erop dat genderidentiteit, in sterke of zwakkere versies, zeker onder nieuwe generaties here to stay is. Ook dat onderstreept het centrale punt van Brubakers boek: het gaat om de manier waarop mensen zich individueel en als deel van een collectief willen zien en gezien willen worden – maar daar horen altijd anderen bij en een publiek debat, dat nu door rechts de kop wordt ingedrukt.
Maak NRC jouw voorkeursbron op Google
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten. Meer informatie
Mail de redactie
Ziet u een taalfout of een feitelijke onjuistheid?
U kunt ons met dit formulier daarover informeren, dat stellen wij zeer op prijs. Berichten over andere zaken dan taalfouten of feitelijke onjuistheden worden niet gelezen.