Hittedoden? Kijk eens naar de sterfte in de koude wintermaanden
In 1988 ontstond voor het eerst ook onder het publiek verontrusting over het broeikaseffect. De Amerikaanse zomer was zó heet dat de maisoogst mislukte doordat de maiskorrels van de hitte openbarstten en beschimmelden. „Klimaatverandering is niet langer een theorie”, getuigde klimatoloog James Hansen in de Senaat. „It is already happening now.” Nog in hetzelfde jaar werd het Intergovernmental Panel on Climate Change opgericht. Het IPCC.
Het IPCC zou voortaan in klimaatkwesties het kaf van het koren scheiden. Wetenschap en milieubeweging verwachtten er veel van maar het eerste IPCC-rapport, dat van 1990, bracht een geserreerd verslag. Veel was nog onzeker en een menselijke beïnvloeding van het klimaat was nog lang niet bewezen. Het was eigenlijk een raadsel waar alle CO2 bleef die bij verbranding van kolen, olie en gas de lucht in ging. Er was een missing sink.
Dit was niet de manier om brede volksmassa’s in beweging te krijgen. De dreigende klimaatverandering bleef te abstract. Het moest anders, dat had klimatoloog Stephen Schneider al in 1989 uitgelegd. Om de publieke aandacht te vangen „we have to offer up some scary scenarios, make simplified dramatic statements and little mention of any doubts one might have”. Een wetenschapper is niet alleen wetenschapper maar ook mens.
Kortom: voor het goede doel mocht je de medemens best de stuipen op het lijf jagen. Zo gezegd, zo gedaan. Al gauw begonnen wetenschappers en milieuactivisten de mogelijke gevolgen van klimaatverandering in steeds schrillere termen te beschrijven. Angst en ontzetting leken nuttige instrumenten in de awareness raising. Inmiddels is het vaste prik om het publiek met een combinatie van overdrijving en bangmakerij de goede kant op te masseren.
Een griezelig persbericht
Zo arriveerde er een week of twee geleden een griezelig persbericht van het Climate Impact Lab, een jonge onderzoeksgroep gelieerd aan de universiteit van Chicago. Die liet weten dat het zich ontwikkelende Niño-verschijnsel tot aan maart 451.000 mensenlevens méér zou kosten dan warm weer sowieso aan levens eist. ’t Was heel secuur uitgerekend.
Mind you: het ging hier alleen om de gevolgen van de te verwachten warmte. De mogelijke effecten van overstromingen, droogte en mislukte oogsten waren nog niet meegeteld. Bovendien kon de Niño na maart nog best een tijdje doorduren.
Het werd niet meteen duidelijk wat het CIL met het bericht wilde, misschien was het gewoon een stukje ‘awareness raising’, maar waarschijnlijk hoopt het CIL dat de doden-in-spe de boodschap nog op tijd onder ogen krijgen zodat ze zich tegen de hitte kunnen beschermen. Hoe het getal 451.000 was gevonden moet nog even in het midden blijven, dat wordt binnenkort uitgelegd in een peerreviewed tijdschrift. Maar daar kon de mensheid natuurlijk niet op wachten: vóór juli is de Niño weer voorbij.
Uit een eerdere CIL-studie valt wel af te leiden hoe het ongeveer ging. Het CIL heeft het bewoonde deel van het aardoppervlak opgedeeld in 24.378 hokjes van, zeg, 80 bij 80 km. Van elk hokje is het aantal inwoners en misschien ook hun leeftijdsopbouw bekend of bepaald. Gezondheid, voedselvoorziening en huisvesting zijn ook meegenomen. Per hokje is door een kundig klimaatmodel de aannemelijke temperatuurontwikkeling onder Niño-regime berekend. Veel meer is dan verder niet nodig want per regio bestaat er een wonderlijk vaste relatie tussen de omgevingstemperatuur en de optredende mortaliteit (alle doodsoorzaken bijeengenomen). Hoogstens is de leeftijdsopbouw van de lokale bevolking van invloed. Het is een merkwaardig hardnekkig fenomeen.
In Nederland is de wekelijkse sterfte (die gemiddeld rond de 3.300 ligt) het laagst bij een daggemiddelde temperatuur van zo’n 18 graden. Wordt het warmer of kouder dan loopt de sterfte op. Die 18 graden heet de minimum mortality temperature (MMT). In de tropen ligt die veel hoger, daar kan-ie wel 25 zijn. Van belang is dat de MMT van een regio zonder kennis van lokale sterftestatistiek ‘op afstand’ aardig is te schatten omdat hij, zoals een Chinese studie (2019) aannemelijk maakte, ruwweg overeenkomt met de daar meest voorkomende temperatuur (most frequent temperature, MFT).
Er wordt deze jaren, zie Google Scholar, een druk gebruik gemaakt van de temperatuur-mortaliteitsrelatie want het is een probaat middel om te laten zien dat klimaatverandering nu al veel dodelijke slachtoffers maakt. En daaraan is een grote behoefte. Je laat een model uitrekenen hoe warm het in een bepaald gebied zou zijn geweest zonder historische uitstoot van CO2, methaan en lachgas en doet daarna hetzelfde mét uitstoot. Et voilà: de extra doden rollen eruit. Niet altijd wordt in rekening gebracht dat er dankzij de gemiddeld stijgende temperaturen beduidend minder doden vallen in koude perioden.
Kan de amateuronderzoeker ook zelf een temperatuur-mortaliteitscurve bepalen? Dat bleek niet zo moeilijk. De StatLine-databank van het CBS biedt het aantal sterfgevallen per week en uit de weerstatistieken van het KNMI is makkelijk het weekgemiddelde van de daggemiddelde temperaturen af te leiden. Excel maakt er een grafiek van.
De bijgaande plaatjes tonen de ontwikkelingen sinds 1 januari 2025. Met enige inspanning is de ‘oversterfte’ van de hitteperiode rond 24-27 juni terug te vinden. Duidelijk is te zien dat de MMT voor Nederland inderdaad rond de 18 graden ligt. Maar nog veel duidelijker is dat temperaturen beneden de MMT veel meer slachtoffers maken dan de temperaturen erboven. Er zijn veel méér dagen met suboptimale temperaturen en ook komen de bij ons voorkomende lage temperaturen veel ‘harder’ aan dan de veel zeldzamere hoge waarden (al zit daar misschien een griepeffect in?).
Het koude-effect wordt, zoals ook een komende Stanford-studie benadrukt, zwaar onderschat. Er is helemaal niet zo’n grote behoefte aan een Nationaal Hitteplan. Er moet een Nationaal Koudeplan komen.
Maak NRC jouw voorkeursbron op Google
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten. Meer informatie
Mail de redactie
Ziet u een taalfout of een feitelijke onjuistheid?
U kunt ons met dit formulier daarover informeren, dat stellen wij zeer op prijs. Berichten over andere zaken dan taalfouten of feitelijke onjuistheden worden niet gelezen.