Hoe beter je iemand kent, hoe slechter je iemand ziet
Er was een nichtje geboren. Haar neus leek op die van mijn dochter, en die neus leek weer op die van ons, de broers.
Mijn vriendin vroeg: „Wat voor neus hebben jouw ouders ook alweer?”
Ik probeerde me de neus van mijn ouders voor de geest te halen. Dat lukte niet. Zelfs niet een beetje. Ik zag alleen wat ik altijd zie als ik mijn ouders zie: een vage schets, volledig overstemd door betekenis.
Hoe beter je iemand kent, hoe slechter je iemand ziet. In De correcties van de Amerikaanse schrijver Jonathan Franzen kijkt een zoon naar zijn moeder. „Ze was altijd een knappe vrouw geweest, maar voor Chip was ze zozeer een persoonlijkheid en zo weinig iets anders dat hij zelfs als hij haar recht in haar gezicht keek geen idee had hoe ze er echt uitzag.”
Verliefdheid is hiervan de overtreffende trap: je ziet alleen een paar ogen, de rest is een gloed, en je kunt je nauwelijks voorstellen dat iemand iets anders ziet.
Ouders zien hun baby, dat mormeltje, doorgaans het slechtst. Toen mijn dochter een jaar oud was en ik foto’s terugzag van de eerste dagen herkende ik haar nauwelijks. Hoewel ik bekend was met de roze wolk en stiekem hoopte erboven te hebben gestaan, verbaasde het me toch: ze had op andere baby’s geleken.
Gekokerde scherpte
Dit klinkt tegenstrijdig met een bekende romantische gedachte: wanneer je verliefd bent, wil je niets liever dan de ander leren kennen. Je kijkt niet slecht, je kijkt uitzonderlijk goed – beter dan alle andere mensen, die te weinig aandacht hebben voor dit individu, die zich niet realiseren hoe bijzonder dit wezen is.
Maar het kan allebei. Ja, je kijkt goed, je hebt alleen al besloten dat je alles fantastisch zult vinden, en daardoor zie je veel over het hoofd. Verliefdheid is een rare combinatie van nieuwsgierigheid en vooringenomenheid, van gekokerde scherpte.
Die roze bril gaat af. Je blijft niet je hele leven geobsedeerd door een nieuwe liefde. Ineens wordt het zicht veel beter. Je ziet je nieuwe vriend op de bank liggen en verbaast je over zijn buik die onder zijn shirt vandaan komt: had hij die eerst ook al? Zijn kritiek op de sportschoolcultuur, die in het begin zo verfrissend leek, blijkt vooral een beetje zielig. Je gaat uit beleefdheid nog een weekendje naar Gent en daarna maak je het uit: geen idee wat je ooit in die vent hebt gezien.
In andere gevallen verdiept de roes zich tot hechting. Ach ja, die buik, zo heeft iedereen wel wat. Hij is nu eenmaal een intellectueel. Ik richt me liever op de gretigheid waarmee hij op zaterdag de krant leest; zo zie je ze niet vaak. De roze bril wordt een betere bril, maar blijft een bril.
Je kunt dus spreken van een golfbeweging. Bij verliefdheid is er een gloed, dan wordt het zicht scherper, om al snel weer plaats te maken voor die andere vorm van blindheid: de persoonlijkheid dringt zich op.
Je ziet je nieuwe vriend op de bank liggen en verbaast je over zijn buik die onder zijn shirt vandaan komt: had hij die eerst ook al?
Na verloop van tijd is het beeld dat je van de ander hebt zo rijk, zo complex, zo overtuigend, dat de fysieke verschijning er nauwelijks toe doet. Dit is de uitruil die Franzen beschrijft: ik weet niet of mijn moeder knap is, ik zie alleen mijn moeder.
Dat is geen bewuste keuze. Je denkt niet: zo, nu ken ik mijn partner wel zo’n beetje. Het gaat geleidelijk, je neemt steeds iets minder op, je hebt andere dingen aan je hoofd. Tot de ander op een dag rimpels blijkt te hebben die jou zijn ontgaan: je zag haar nog altijd als het meisje van de middelbare school. Dat hoeft geen drama te zijn. Het kan zelfs op een fijne manier spannend zijn om daarachter te komen. Ineens zie je de ander weer even als een vreemde, die je steeds weer opnieuw kunt leren kennen.
Wie denk jij te zien?
Maar het kan ook griezelig zijn. Een ander nichtje van me, destijds twee jaar oud, was een tijdje bang voor mijn moeder. Dat kwam door mijn moeders haar. Ze had het jarenlang geverfd en wilde zich nu overgeven aan het grijs. Daarom knipte ze het eerst heel kort; ze zag er compleet anders uit. Mijn nichtje herkende haar nauwelijks. Of beter gezegd: ze herkende haar wel én niet. Ze wist dat dit oma was, en tegelijkertijd was dit een vreemde vrouw.
Dat ze in paniek raakte, hoorde bij haar leeftijd. Maar dat ze moest wennen, gold ook voor ons. We wisten heus wel dat dit dezelfde vrouw was, dat alleen haar kapsel was veranderd. Toch duurde het lang voordat we stopten met staren, en nog veel langer voordat dat hoofd weer bij onze moeder hoorde. Blijkbaar was haar kapsel onderdeel van de schets die wij van haar kenden. Had ze haar neus laten doen, dan hadden we waarschijnlijk niet eens iets gemerkt.
Een fysieke verschijning die buiten de schets treedt, is niets vergeleken met een persoonlijkheid die dat doet.
In de serie Breaking Bad duurt het meerdere seizoenen voordat Skyler, de vrouw van Walter White, zich realiseert dat haar lieve echtgenoot een gewelddadige drugscrimineel is geworden. Ze kan het zich niet voorstellen, dus ziet ze het niet. Hij liegt en liegt, en ze gaat erin mee, omdat niets in haar vermoedt dat die aandoenlijke scheikundeleraar iets anders dan de waarheid zou spreken. Zelfs wanneer ze er uiteindelijk achter komt, denkt ze dat het om een paar joints gaat. Vervolgens vertelt ze zichzelf dat hij, haast per ongeluk, ergens in verzeild is geraakt waar hij niet uit komt, wat hij ook probeert.
Dit brengt ze ter sprake wanneer ze op bed zit in hun slaapkamer, terwijl hij voor haar staat. Walter, je hebt hulp nodig, je bent in gevaar. En dan verschijnt die crimineel voor het eerst in hun huis. Heel even liegt hij niet. Hij liegt niet met zijn woorden, maar ook niet met zijn lichaamstaal, niet met zijn blik.
„Who are you talking to right now?” vraagt hij. „Who is it you think you see?” Hij is niet zomaar een crimineel, hij is de belangrijkste schakel in een gigantische onderneming. „I am not in danger, Skyler. I am the danger.” Hij hoeft niet bang te zijn dat er op een dag op de voordeur wordt geklopt. „I am the one who knocks.”
Tegen wie heb je het? Wie denk jij te zien? Het zijn vragen waarover de meesten van ons niet hoeven na te denken, en ook al zullen de antwoorden veel minder verontrustend zijn dan in Skylers geval, we kunnen ons zonder al te veel moeite een voorstelling maken van de angst die door haar lijf giert wanneer het beeld naar haar gezicht schakelt: ze kent haar eigen man niet, ze heeft geen idee met wie ze samenleeft.
Picasso zag maar één oog
Zoals liefde verblindt, kan afkeer het zicht aanscherpen. Ik heb weleens aan een lunchtafel gezeten met mensen die ik niet mocht, dan zag ik de haren die uit de neus kwamen, de asymmetrische ogen, de pratende mond, alsof ik een pissebed tussen mijn vingers had. Er was geen persoonlijkheid, geen beeld dat mijn fantasie ervan maakte, er zat niets tussen mij en de kale, onaangename werkelijkheid.
Een andere keer stond ik oververmoeid in de kroeg. Ik wilde naar huis, ik was de moed aan het verzamelen om dat kenbaar te maken, toen ik werd aangesproken door een vage kennis. Ik hoorde niet eens wat hij zei, ik keek alleen naar dat slome, bleke gezicht, en het leek me onwaarschijnlijk dat iemand hem ooit zo scherp had gezien; ik wist zeker dat zijn ouders zouden schrikken als ze zouden zien wat ik nu zag.
Als mijn fantasie op zo’n moment al aan het werk is, dan doet die zo min mogelijk: de ander wordt in een buitengewoon oppervlakkig mapje geplaatst, onder de noemer humorloos, onzeker of theatraal, of zelfs alleen een fysiek kenmerk: dwingend voorhoofd.
Volgens de Amerikaanse schrijver Gertrude Stein was Picasso een genie omdat hij mensen zag zoals ze eruitzagen, in plaats van wat onze fantasie ervan maakt. Als een vrouw op de bank ligt met haar hoofd van je weggedraaid, verdwenen in een kussen, bedenk je zelf hoe de vrouw er in haar geheel uitziet, dat doe je automatisch. Picasso, zegt Stein in het boek dat ze over hem schreef (simpelweg getiteld Picasso), registreerde alleen wat op dat moment zichtbaar was.
„Wanneer Picasso een oog zag,” schrijft Stein, „dan bestond het andere oog niet voor hem.” Dat waardeert ze juist in hem, want „je ziet wat je ziet, de rest is een reconstructie van het geheugen en schilders hebben niets te maken met reconstructie, niets te maken met geheugen, ze hebben alleen belangstelling voor zichtbare dingen.” Ze noemt het kubisme een poging om een schilderij te maken van deze zichtbare dingen. „Het resultaat was verontrustend, voor hem en voor anderen.”
Volgens Gertrude Stein was Picasso een genie omdat hij mensen zag zoals ze eruitzagen, in plaats van wat onze fantasie ervan maakt
Hij maakte ooit een portret van Stein. Ook dit schilderij bespreekt ze. Haar ogen lijken weinig met elkaar te maken te hebben, ze lijken van twee verschillende mensen. Picasso doet geen moeite ze met elkaar in overeenstemming te brengen, ze bij elkaar te brengen zoals wij denken dat de natuur het heeft bedoeld: als een paar. Maar is dat de natuur, of is dat onze interpretatie? Picasso had geen interesse in onze interpretatie.
In dat licht is het niet eens zo gek dat Picasso een eikel was. Je moet een beetje blind zijn om lief te zijn.
Eerder dit jaar onderging mijn moeder een laserbehandeling om pigmentvlekken in haar gezicht te laten verwijderen. Dat was niets voor haar, de schaamte was groot toen ze mij ontving met een opgezwollen gezicht. Ze hield haar handen voor haar wangen, ik bleef ernaar kijken.
Een week later zag ik haar opnieuw. De zwellingen waren weggetrokken, voor mij was ze weer de oude. Die avond vroeg mijn vriendin: „En, heeft het gewerkt?”
„Heeft wat gewerkt?” zei ik.
Maak NRC jouw voorkeursbron op Google
Bij Google kan je nu zelf aangeven welke nieuwsbronnen jij vaker wil zien in je zoekresultaten. Meer informatie
Mail de redactie
Ziet u een taalfout of een feitelijke onjuistheid?
U kunt ons met dit formulier daarover informeren, dat stellen wij zeer op prijs. Berichten over andere zaken dan taalfouten of feitelijke onjuistheden worden niet gelezen.