Onze Nobelprijsblaas staat te veel op spanning
Halverwege dit breiwerkje zal bekend zijn wie dit jaar de Nobelprijs krijgt.
‘Jij niet.’
‘Weet je niet. Wat Nederlanders niet opvalt is dat ik in mijn boeken om de zoveel pagina’s een compliment aan Zweden uitdeel.’ Ik tik op een mijner werken. ‘De eerste zin van deze vriend bevat bijvoorbeeld de observatie dat de gewoonweg schitterende kaart van Zweden smaakvolle contouren heeft van een onderbeen en voet van een jongedame wier kous zeer elegant is afgezakt, terwijl Nederland, waar onze held zojuist een Ikea is binnen gelopen, werkelijk nergens op lijkt. Verder zeggen personages lukraak dingen als: ‘Was ik maar in Zweden.’ En: ‘Dat is in Zweden wel even anders.’
Het zou wel iets voor Nederland zijn, eindelijk eens de Nobelprijs, precies als de literatuur vrijwel met wortel en tak is uitgeroeid. Dat de roman stervende is, of zelfs al dood, horen we al honderd jaar, Ortega Y Gasset schijnt ermee begonnen, wie anders, die man voorspelde overal de wisse ondergang van, dus ook van de roman, maar de enige die voorlopig in een graf ligt, is Ortega Y Gasset zelf.
Erna hebben allerlei valse profeten (Walter Benjamin, Norman Mailer, Roland Barthes, Tom Wolfe) de roman terminaal verklaard. Eerst was de roman zelf ziek, zwak en misselijk, toen zou de videorecorder het overnemen.
Inmiddels komt het gevaar van buiten én van twee kanten, van links de ontlezing, het apenjong wil helemaal niet meer lezen, kan het niet eens meer, zelfs niet op vakantie, en op rechts staat een machine klaar die straks in een oogwenk nieuwe Prousten tevoorschijn zal hoesten (voor de jonge aap: dit rijmt) – maar voor wie, eigenlijk?
Voor Pangram.
Over twee minuten de Nobelprijs... Ik zet de livestream aan, de beroemde deuren zijn nog dicht. Ah, daar komt een mevrouw naar buiten... ze heeft een enorme map vast, een soort dranken- en spijzenkaart, Harry Mulisch’ minst favoriete boek ooit.
Anne Carson. Natuurlijk. Eindelijk. Beetje voorspelbaar misschien, maar zeer, zéér terecht.
Tot laten we zeggen de jaren negentig van de vorige eeuw vond ik het altijd jammer dat Harry niet won, maar tegenwoordig haal ik opgelucht adem als we misgrijpen. Het zou te veel zijn. Te veel voor ons land, maar ook voor de winnaar. En voor alle collega’s van de winnaar.
Hoewel we dus altijd naast pot pissen, als land, staat de literaire blaas heel erg gespannen – een gevaarlijk paradox. De Duitsers, de Fransen, de Amerikanen, die zijn eraan gewend, iedere behoorlijke schrijver heeft daar een Nobelprijs. Bij ons wordt het hysterie. Je kunt een Nederlander niet in één adem noemen met Faulkner en Gabriel García Márquez.
Stel je voor dat Pfeijffer ’m zou krijgen, kan zomaar gebeuren. Wat er nu al op Facebook plaatsvindt, op Ilja’s eigen accountje, zou zich als ebola naar de echte media verspreiden, dagenlang overal Ilja’s triomfen, maar nu wereldwijd verspreid – door anderen dan Ilja zelf. Kunnen Nederlanders niet bolwerken.
Óf Pfeijffer is binnen de kortste keren premier van Nederland (het George Weah-Ballon d’Or-effect), denk daarbij aan euromunten met zijn profiel plus een jaarlijkse feestdag waarop Ilja een Nederlandse gemeente bezoekt, óf de natie keert zich tegen hem, omdat het niet goed voelt, juist hij als een Shakespeare boven het maaiveld. Ilja zal ongedaan moeten worden gemaakt. Niet vermoord, alsjeblieft niet zeg, dat maakt alles alleen maar erger, nee: bestreden, ontkend, geridiculiseerd, er moeten Ilja-grappen komen, en pakken en pruiken in stadions, lullige filmpjes. Het wordt een van beide.
Als ik Ilja was, zou ik hem weigeren. Als ik Nederland was, zou ik niet meer meedoen.
Lees ook
Geselecteerd door de redactie
- v-plusCOLUMN Peter Buwalda
We hebben ons als twee pinguïns naast een gletsjer van boeken geschaard. Dat is prima, ik zou het meteen weer doen
- v-plusCOLUMN Peter Buwalda
De cipier had mij op montere toon gevraagd of ik wilde afstappen zodra ik de bunker binnenkwam
- v-plusCOLUMN Peter Buwalda
Ik zal open kaart spelen. John Taverner, met r, kon er niet zoveel aan doen, feitelijk