Home   2026-10-22 19:56:51

←

Mogelijke bezuinigingen van het kabinet op onderwijs zijn een uitstekend idee

Original article

Nederlandse jongeren verlaten school – met diploma – zonder dat ze fatsoenlijk kunnen lezen en schrijven. Ze hebben er zelfs een nog grotere hekel aan dan leeftijdsgenoten elders. Logisch: hun docenten houden zelf niet van lezen. De overheid scheidt op gezette tijden nieuwe ‘kerndoelen’ af: een ellenlange lijst stroef geformuleerde open deuren die ook niets zal veranderen.

Zo gaat dat in het land dat criminele jongeren laat kickboksen omdat ze ‘kwetsbaar’ zijn, in plaats van ze op te sluiten in een bibliotheek en pas vrij te laten nadat ze Vondel kunnen declameren.

Terwijl we weten wat wél werkt: degelijke docenten, een minimum aan bureaucratie en enige tucht. Zorg dáárvoor, zou je zeggen. Maar dat gebeurt niet, want al generaties lang doen belanghebbenden hun best om een structurele oplossing te dwarsbomen.

Onderwijsmantra

Ten eerste heerst het idee dat de overheid verantwoordelijk is voor ‘kansengelijkheid’: dé modieuze onderwijsmantra. Zodra ongelijkheid dreigt, verheft zich een machtige lobby die dissidenten dwingt zich te conformeren aan een egalitaire denkwereld van ‘kloven dichten’ en ‘gelijke kansen creëren’.

En terwijl de nivelleringssubsidies naar talloze zzp'ers, stichtingen en bedrijven stromen, worden hoogopgeleide, verantwoordelijke ouders aangepakt: die dragen immers schuld. Een beetje je kinderen achter de broek zitten, helpen met huiswerk en intellectuele bagage bieden zeg! Als die rijke rotkinderen dan ook nog hun best doen en hun leraren zorgen voor realistisch verwachtingsmanagement, krijgen ze straks een hoger schooladvies – kansenongelijkheid!

Dit muffe maakbaarheidsideaal miskent de verschillende capaciteiten van kinderen, de eigen verantwoordelijkheid en de invloed van factoren als inkomen, opleidingsniveau van ouders, achtergrond en omgeving – en enig geluk. Illustratief voor de giftigheid van de gelijkheidsfictie is een term als ‘schaduwonderwijs’: gewoon bijles, maar de connotatie van ‘schaduwboekhouding’ suggereert iets wat het daglicht slecht verdraagt, en framet de ouders als frauderende saboteurs van het collectieve doel: iedereen hoogopgeleid.

Maar in een samenleving waarin iedereen zo heet, is uiteindelijk niemand dat meer.

Soms moeite

De tweede misvatting: onderwijs moet ‘leuk’ zijn. Maar iets leren kost – heel gek – soms moeite. En af en toe lukt ‘t niet. De een kan sommige dingen nu eenmaal beter dan de ander – maar dat zegt niemand hardop. Je inspannen, nadenken, iets leren? Welnee. Inhoud? Kennis? Verdacht! Als je meer weet dan een ander dreigt er een ‘kloof’, en dán klinkt de machtige stem van de lolligheidslobby: het moet wel ‘studeerbaar’ blijven – dé onderwijsterm voor ‘makkelijk genoeg’. En dus: ‘innovatieve methodieken’, creatieve ‘werkvormen’, woordwolken, rollenspellen.

Deze fröbelschool wordt met een vanzelfsprekendheid die van grote minachting getuigt ook opgedrongen aan volwassenen. Geen docent die niet onder leiding van ingehuurde lolligheidstypes heeft geknipt, geplakt, getekend – of erger. ‘Energizers’, dansen, hinkelen, ‘serious games’: weldenkende ‘professionals’ worden gereduceerd tot willoze marionetten in de handen van ludieke ‘moderatoren’ tijdens ‘inspirerende’ bijeenkomsten waarvan de ‘opbrengsten’ op gekleurde velletjes tegen een systeemwandje worden geplakt, om onmiddellijk in de vergetelheid te raken.

Infantilisering van de beroepsgroep, die zich, tegen een riant salaris, schaamteloos lauw opgepiepte pedagogische prak laat serveren, in plaats van duidelijk te maken waar men die spiegeltjes en kralen beter kan laten.

Naast de oorzaak van problemen wordt ook de oplossing ervan gezocht in terminologie. Niveau is een kwestie van woordkeus geworden: mogen leerlingen geen ‘studenten’ worden genoemd, dan blijken termen als ‘hoog’ en ‘laag’ wel ‘kwetsend’ of ‘uitsluitend’. Tegelijk heet een onrealistisch aandeel ‘excellent’.

Wishful naming

Daarnaast viert een soort wishful naming hoogtij: je struikelt over de ‘betrokkenheid’, de ‘passie’ en het ‘enthousiasme’ van ‘nieuwsgierige’ (studenten) en ‘toekomstbestendige’ (medewerkers) ‘professionals’ die ‘bruisen van het talent’. Een enkele instelling kietelt ze door ze ook ‘lekker eigenwijs’ of ‘kritisch’ te noemen, of, in het ergste geval, ‘tegenspraak te organiseren’, maar het zijn toch vooral ‘hardwerkende, betrokken kanjers’.

Tja. Hoe lang en luid die kunstmatige bezweringsformules ook klinken, het blijft ongeloofwaardig, vrijblijvend juichproza. Zelfs het domste jongetje van de klas weet dat, net als de kromgetrokken stumperds die uitgeblust naar hun beeldschermen staren. En in plaats van na die lovend bedoelde gemeenplaatsen als passiebloemen te ontluiken, leest iedereen erover heen, zoals je pop-ups wegklikt. Woorden veranderen de soms harde werkelijkheid niet op bevel naar jouw wens.

Ten slotte lijken voorwaarden en bijzaken belangrijker dan de corebusiness. Naar termen als ‘kennis’ of ‘leren’ is het lang zoeken. Wel staat de communicatie stijf van de populaire abstracta en betuttelclichés als ‘diversiteit’ en ‘inclusie’, jarenzestigbegrippen als ‘persoonlijke groei’ en ‘kritische mondigheid’ en ideologische doelen als ‘bijdragen aan een andere wereld’ en ‘verschillende perspectieven en ervaringen niet zien als obstakel, maar als vertrekpunt’.

Onbenulligheid vermomd als een vanzelfsprekend soort activisme. Een semantische dwaalweg. Basisvaardigheden? ‘Nee, lezen en schrijven kunnen ze niet, maar ze hebben een veilige leeromgeving en ze zijn heerlijk kritisch!’

Iets wéten. Iets kúnnen. En onderwijs dat je dat léért. En de overige pretenties even laat varen. Dat zou al heel wat zijn. Daarom: minder geld naar het onderwijs. Misschien kan zo de wal het schip nog keren, dwingt zuinigheid tot focus op het belangrijkste, en gaat het geld naar boeken, lokalen, docenten – en misschien ook maar naar uniformen. Want over de gezagscrisis hebben we het nog niet eens gehad.