Online schaken is een les in nederigheid: je kunt zomaar verliezen van een roze eenhoorn of een 9-jarige
Schaken moet je willen, en niet zo’n beetje ook. Als je het niet meent, maak je geen kans. Die loper die mijn koningin net pakte, die lag niet verstopt in de bosjes. Die stond al die tijd gewoon in het zicht, midden op het bord. Ik ben niet debiel, ik heb twee werkende ogen, ik ken de regels volgens welke de diverse stukken bewegen en de mogelijke gevolgen daarvan, en toch ben ik elke keer weer compleet verrast. Gewoonweg omdat ik te beroerd ben om een paar seconden langer naar het bord te kijken. De officiële schaakterm hiervoor luidt – geloof het of niet – ‘blunderen’. Volgens de regels blundert men ‘wanneer de speler niet de dreiging waarneemt die opzichtig onder zijn domme kutneus te zien is’. Ik parafraseer.
Omdat ik online speel, zijn mijn tegenstanders automatisch van mijn eigen niveau. De meeste daarvan hebben avatars van Mbappé of Harry Potter-figuren. Daaruit kan ik opmaken in welke leeftijdsgroep ik thuis hoor. Nu worden zelfs grootmeesters weleens van het bord geveegd door kinderen, maar ik ben geen grootmeester.
Aan de vlaggetjes naast hun naam kan ik zien dat mijn tegenstandertjes overal vandaan komen. Het herinnert mij aan hoe verbindend het internet ooit was. Ik speel tegen jonge Vietnamezen, Oegandezen, Oezbekistanen en vooral veel, heel veel Indiërs. Dat land is blijkbaar de sweetspot in het diagram bevolkingsgrootte, schaakpopulariteit, werkend internet en flexibele kinderbedtijd. En ze hebben rolmodellen: India heeft veel toppers voortgebracht, enkele waarvan soms zelfs winnen van de Magnus Carlsen.
Je zou haast vergeten dat Nederland ooit ook kampioenen voortbracht. Momenteel is de hoogstgeplaatste Nederlander op de wereldranglijst Anish Giri, op nummer 10. Waarmee hij naar schatting 600 miljoen spelers (min negen) achter zich laat, toch aardig. En op een verdienstelijke nummer 30 hebben we Jorden van Foreest, die jonkheer is, en dat vind ik cool voor een schaker. Ik vind dat alle schakers van adel moeten zijn, of professor, of communist.
Net is een 11-jarig Engels meisje grootmeester geworden. Slechts 1 op de 43 grootmeesters is vrouw. Raar, want het lijkt me een sport waarbij spiermassa geen evident voordeel oplevert. Maar wat weet ik ervan, ik speel online. Misschien zijn wedstrijdstukken loodzwaar.
Vroeger was het gebrek aan wilskracht en intelligentie dat de vrouwen plaagde, daarover waren alle pijprokende, bebaarde kampioenen het eens. Nu mannen wat vaker verliezen van vrouwen (waaronder 11-jarige), moet er een andere reden worden gezocht. Ik denk de bereidheid om je sociale leven op te geven, alsmede de kans op ontmaagding.
Het beeld van de introverte zonderling die op zijn morsige kamertje schaakverslagen leest dringt zich op, en in mijn geestesoog is dat een jongen. Een jongen die bovendien andere zonderlingen wereldkampioen ziet worden, met alle populariteit van dien. Rolmodellen zijn belangrijk. Ik heb net verloren van iemand met een avatar van een roze eenhoorn. Die vrouwelijke wereldkampioen is een kwestie van tijd.
In de ijdele hoop een beetje beter te worden, kijk ik Youtube-filmpjes. Mijn lievelings schaakfluencer is een dertiger die al heel lang probeert grootmeester te worden, maar stilaan te oud begint te worden. Zelfs in schaken zijn de jonkies beter dan de oudjes. Mijn lievelingsuitspraak: ‘I was less than a hundred points away from becoming a grandmaster, but then I lost to a bunch of 9 year olds.’
Wat je ook meemaakt in het leven, je bent nooit de enige.
Lees ook
Geselecteerd door de redactie
- v-plusCOLUMNThomas van Luyn
Mijn laatste kans om van enig nut te wezen in het leven van mijn zoon
- v-plusCOLUMNThomas van Luyn
Gisteravond schoot een jongeman mij aan, hij verklaarde dat hij de broer van Thomas van Luyn was
- v-plusCOLUMNThomas van Luyn
Gezien het getoeter, de verwarrende wegmarkering en de plotsheid van het incident is het een wonder dat ik hier nog zit te tikken