Home   2026-10-22 19:56:51

←

‘Ik zag hoeveel mensen er op mij joegen. Weer dachten ze: nu hebben we hem’

Original article

Als Ahmed Aboutaleb (65) op deze zonnige Prinsjesdag zijn elektrische fiets heeft geparkeerd en in zijn roze polo en op sportschoenen het terras van snackbar De Eekhoorn in het Kralingse Bos op loopt, draaien de blikken in de richting van de oud-burgemeester. Behalve de serveerster spreekt niemand hem aan. Hij bestelt een latte, extra sterk en met zoetjes.

Op 17 oktober is het precies vijftig jaar geleden dat Aboutaleb voor het eerst voet op Nederlandse bodem zette, een ‘bijzonder jubileum’ dat hij markeert met een lezingentour langs Nederlandse theaters en een nieuwe uitgave van Thuis, zijn memoires.

In het boek beschrijft Aboutaleb hoe hij in 1976 met zijn moeder en zusjes zijn vader achterna reist, van het gehucht Beni Sidel in het Marokkaanse Rifgebergte naar een huurwoning in het Haagse Laakkwartier. Vanaf dat moment wijdt Aboutaleb zich vol overgave aan zijn opleiding. Hij loopt buurthuizen af om Nederlandse lessen te volgen, maakt de lts af, dan de mts en vervolgens de hts, wordt journalist bij RTL, woordvoerder, ambtenaar, PvdA-wethouder in Amsterdam en staatssecretaris van Sociale Zaken. Uiteindelijk zal hij vijftien jaar burgemeester zijn van Rotterdam, tot oktober 2024.

Of dat een definitief afscheid is van de politiek, laat Aboutaleb in het midden. Vaak, en graag, heeft hij het in zijn media-optredens en lezingen over het gebrek aan verbindende leiders in de politiek, terwijl hij zichzelf bij uitstek een verbinder noemt. Zijn lezingen doet hij uit het hoofd, een uitgeschreven tekst is er niet, laat zijn uitgever weten. ‘Ik heb een bibliotheek in mijn hoofd, daar zit alles in’, zegt hij. ‘Elke keer begin ik anders. Vandaag zou ik beginnen met Prinsjesdag. We zijn in de afgelopen vijftig jaar ontzettend veel rijker geworden. En toch zie je, op een dag als vandaag, zó veel ontevredenheid.’

Waarom zijn Nederlanders zo ontevreden?

‘Als ik het wist, had ik het toverstokje van Mozes. Ik breek er mijn hoofd over. Mensen herkennen hun straat niet meer, zeggen ze, omdat er vijftig jaar geleden mensen zoals ik zijn komen wonen. Het is zo kortzichtig. We willen de bananen, koffie, de cacao, de grondstoffen voor het maken van onze telefoon, maar de dragers van de culturen waar die dingen vandaan komen, willen we niet. Demografisch is het ook ingewikkeld, zonder migratie, want we krijgen hier weinig kinderen. Duitsland heeft honderden miljarden op de plank liggen voor nieuwe infrastructuur, maar geen mensen om het werk uit te voeren. Stel je voor dat alle schoonmakers, en alle mensen die van onze ouderen de billen wassen, morgen het werk neerleggen. Zeg het maar.’

Op de presentatie van het regeerakkoord werd aan VVD-leider Dilan Yesilgöz gevraagd wat ze de vervelendste maatregel vond uit het coalitieakkoord. Ze had graag meer willen bezuinigen op ontwikkelingssamenwerking, zei ze.

‘Ja. En dat uit háár mond. Als kind van een vluchteling! Ik kijk daar met zeer gemengde gevoelens naar. Hoe rijm je dat met je persoonlijke achtergrond? Geert Wilders, die tijdens een debat zegt dat hij het niet erg vindt als mensen in Afrika wat meer honger hebben, als de boodschappen hier maar goedkoper worden. We zijn diep gezakt. Ik heb heimwee naar een andere tijd, met andere leiders, zoals Ruud Lubbers en Wim Kok, die voor mij monumenten waren. We voeren hier een debat over het toelaten van een paar Palestijnse kinderen die geopereerd moeten worden. Kamerleden vragen zich openlijk af: maar stel dat ze hier blijven? Stel dat ze hier blijven! Van verdriet moet ik erom lachen.’

Bron Ivo van der Bent

De huidige politiek leiders zijn geen monumenten, vindt u.

‘Nee. Ik mis een leider die niet regeert met een excelsheet in de hand. Een visionair. Den Haag kent alleen maar partijpolitieke leiders. Daarmee zit het vol.’

Maar niemand leidt het land?

‘Zeg jij het maar, wie dat op dit moment doet.’

Rob Jetten?

‘Dat dacht ik niet. Hij is minister-president, maar de blokkade richting een meerderheidsregering met JA21 komt toch echt bij D66 vandaan.’

Die blokkade vindt u slecht leiderschap?

‘Net als de blokkade van de VVD richting Pro. Niemand in Den Haag staat op dit moment boven het partijbelang. Je handelt pas in het landsbelang als je bereid bent dingen in te leveren. Maar Pro wil niet tornen aan de sociale zekerheid, zoals de VVD niet wil tornen aan de hypotheekrenteaftrek en BBB niet aan de landbouw.’

Hoe keek u deze zomer naar het nieuws uit Ceuta?

‘Ik was in de buurt, in Tanger. Heftig, heftig. Tientallen mensen zijn verdronken, maar er is nul empathie vanuit de Nederlandse politiek. Dit waren jongeren die aan armoede wilden ontsnappen, zoals ik dat destijds ook wilde.’

U verplaatst zich in die jongens.

‘Ontzettend. Ik ben de laatste persoon die tegen deze jongens moet zeggen: ga niet naar Europa. Want dan zeggen ze: kijk naar jezelf, waarom wil je ons die kans niet gunnen? Europa is ongelooflijk veel ingewikkelder geworden. Mijn vader kwam zonder visum, maar zodra hij een baan had als schoonmaker bij de NS, kon hij een verblijfsvergunning krijgen. Dat is nu wel anders.’

Uw vader woonde jaren in Nederland terwijl de rest van het gezin nog in Marokko was. Wat voor beeld had u van het leven van uw vader hier?

‘Ik dacht dat hij het heel goed had, dat hij een mooie baan had. Ik mat zijn succes af aan hoeveel geld hij maandelijks overmaakte. Toen ik hier op mijn 15de kwam, was mijn teleurstelling maximaal. Ik ontdekte dat zijn Nederlands heel gebrekkig was, zijn vocabulaire was net toereikend om te communiceren met zijn baas. Papa had geen idee van de breedte van het land waarin hij leefde.’

Heeft die extreme teleurstelling ertoe geleid dat u dacht: dit gaat mij niet gebeuren?

‘Ja. Ik kon alleen aan die situatie ontsnappen door alle kansen aan te grijpen. Mijn vader was intelligent, als hij had kunnen studeren had hij een betere positie gehad. Maar in Nederland krijg je als buitenlander vaak meteen een bezem in je handen geduwd. Vrijwel niemand is geïnteresseerd in je talent. Ik had het geluk dat ik docenten had die mijn talent wél zagen.’

Bron Ivo van der Bent

Uw vader was ook imam, u zult tegen hem hebben opgekeken. Was het moeilijk om te zien dat hij niet het succes had dat u verwachtte?

‘Ontzettend moeilijk. Zijn sociale situatie voldeed niet aan het beeld dat ik had, zo simpel is het. Mijn vader als mens heb ik altijd hoog gehad, nog steeds, ik haal nog altijd wijsheden uit zijn uitspraken, tot op de dag van vandaag. Als je met een pijl in je rug wordt geschoten, doet dat pijn. Maar als je je omdraait en je ziet wie de pijl heeft afgeschoten, is de pijn nog veel erger. Dat is een belangwekkende wijsheid.’

Wanneer kreeg u een pijl in uw rug?

‘Och, zo vaak. Een journalist vroeg me een keer op een onbewaakt moment of ik bang was voor salafisme. Nee, zei ik, ik ben bang voor terrorisme. Dat leidde tot een enorm debat.’

Omdat u zei: elke moslim is een beetje salafist.

‘Ja, dat was mijn uitspraak. Toen zag ik weer hoeveel mensen er op mij joegen. Weer dachten ze: nu hebben we hem.’

Uw achterneef vertelde ooit in Vrij Nederland dat uw onderwijzer in Marokko tegen de klas zei: ‘Jullie zijn soldaten. Maar deze jongen, Ahmed, is de maarschalk.’ Had u dat gevoel zelf ook, dat u de maarschalk was?

‘Mijn neef heeft dat onthouden, ik kan het me niet herinneren. Maar ik had betere schoolresultaten dan menigeen en ik was heel gedisciplineerd om naar school te gaan. Ik moest eindeloos de berg op en af om er te komen. Ik ben nog steeds gedisciplineerd. Ik doe elke avond thuis een uurtje wiskunde.’

Wiskunde? Op Duolingo of zo?

‘Via YouTube. Ik volg de Indiase leraar Rakesh Yadav. Hij geeft een som, dan zet ik de video stil en ga ik die proberen uit te werken. Daarna, als ik klaar ben, zet ik de video aan en kijk ik hoe hij het uitwerkt. Om mijn hersens scherp te houden. Ik vind wiskunde een van de mooiste manieren om te blijven nadenken.’

Uw vader ging aan het einde van zijn leven dementeren. Is dat voor u een reden om uw hersenen te trainen?

‘Intuïtief denk ik van wel. Maar ik heb geen bewijs dat het werkt. Je hebt dat niet in de hand.’

Uw vriend Alami, die u hielp tijdens uw eerste jaren in Nederland, kwam u later weer tegen toen u staatssecretaris was. Hij was parkeerregelaar en had nog maar een paar tanden in zijn mond. U schrijft in Thuis: ‘Diep in mijn hart besefte ik: dit had ook mijn lot kunnen zijn.’ Had dat echt gekund, gezien uw ijzeren discipline?

‘Ja, zeker. Als ik niet de juiste mensen had ontmoet. Als ik de verkeerde mensen had ontmoet.’

Maar karakterologisch?

‘Hij en ik leken totaal niet op elkaar. Ik heb de vriendschap opgezegd, ik meen op een zaterdag, toen we, allebei platzak, ons in Den Haag vergaapten aan winkeletalages met spullen die wij niet konden betalen. Hij had de slechte eigenschap om vrouwen en meisjes lastig te vallen op straat. Daar schaamde ik me zó ontzettend voor.’

Wat deed hij dan?

‘Sissen, dat soort dingen. Ik vond het zeer ongepast, het paste totaal niet in de schaamtecultuur waarin ik was grootgebracht. Op een gegeven moment heb ik gezegd: ik heb geen zin meer om met jou de stad in te gaan. Klaar.’

Leverde de vrijheid in Nederland bij u een cultuurschok op?

‘Veel jonge jongens, zoals mijn vriend, kunnen geen maat houden met die vrijheid. Ze denken dat alles mag en alles kan. Zelf werd ik juist terughoudender. Ik had een freelancebaantje bij Migranten Televisie Amsterdam, op het Rembrandtplein. Als ik klaar was, reed de tram niet meer, dus moest ik lopen naar het Centraal Station, over het Damrak. Als ik dan een jongedame mij tegemoet zag lopen, ging ik helemaal naar de rand van het trottoir, om maximaal afstand te houden. Of ik stak over.’

Om te laten zien: ik ben niet gevaarlijk?

‘Ja. Verkeerd gedrag. Het hoort niet, dat je ervan uitgaat dat iemand anders je op grond van alleen je uiterlijk als gevaarlijk ziet. Maar ik wilde die perceptie niet. Ik ben ook nooit naar een discotheek geweest. Omdat ik toentertijd van jongens hoorde hoe vaak ze werden geweigerd. Ik wilde dat onder geen beding meemaken.’

Maar u had er ook niet echt iets mee, toch, met discotheken?

‘Nou, op die leeftijd was ik natuurlijk wel nieuwsgierig. Ik kan niet ontkennen dat ik dat wel had willen meemaken, maar die fase heb ik volledig overgeslagen.’

Bent u überhaupt ooit naar een discotheek geweest?

‘Nee. Misschien was het een leuke ervaring geweest, maar ik heb het ook niet gemist, denk ik. Ik heb ook nooit gerookt en nooit gedronken. Ook dat heb ik niet gemist. Vind je het goed als ik een frietje bestel? Ze hebben hier goede frietjes.’

Aboutaleb bestelt een frietje, ‘met de mayo ernaast’.

Is dit uw uitspatting?

‘In het rijtje van slechte dingen is dit het enige.’

Bron Ivo van der Bent

In 2003 zei u: ‘Ik geloof dat we alweer over de top van de polarisatie heen zijn.’ Ik neem niet aan dat u dat nog steeds denkt.

‘Het is een golfbeweging. De polarisatie is niet begonnen met Wilders, maar met Frits Bolkestein van de VVD. Hij begon begin jaren negentig al over meerwijverij in islamitische kringen, zei dat nieuwkomers zich moesten aanpassen. Toen dacht men: oké, dit mag gezegd worden. Bolkestein zei op televisie, toen ik wethouder was, dat hij vond dat een praktiserend moslim geen burgemeester kon worden van een grote stad. Hij doelde op mij. Ik had de neiging om me bij dit soort dingen klein te maken. Ach, het is maar Bolkestein. We hebben het nog een keer geprobeerd uit te praten, op initiatief van VVD-minister Frank de Grave, maar Bolkestein was niet groot genoeg om zijn excuses te maken.’

En toen?

‘Alleen echte leiders kunnen hun excuses maken. Soms moet je dingen vergeven en begraven, anders blijft het zeuren.’

Dat anderen uw loyaliteit ter discussie stellen loopt wel als een soort rode draad door uw leven.

‘Allemaal mensen die bang waren om van mij te verliezen. Wilders, die een motie van wantrouwen tegen mij indiende toen ik aantrad als staatssecretaris, vanwege mijn dubbele paspoort. Jan Marijnissen van de SP, die ook vond dat ik mijn Marokkaanse paspoort beter kon inleveren. Marco Pastors van Leefbaar Rotterdam, die me bij mijn beëdiging als burgemeester een lege envelop overhandigde waarin ik mijn Marokkaanse paspoort naar mijn geboorteland kon sturen.’

Het gevoel dat u overviel toen u die envelop in handen kreeg omschrijft u in uw boek als ‘een golf van verbeten trots’. Ik heb het idee dat u dit soort dingen allemaal grondig opslaat en niet vergeet.

‘Nee, maar wel vergeef.’

Ja?

‘Jawel. Als Wilders mij morgen uitnodigt voor een kop koffie, ga ik zo naar de Tweede Kamer. Maar zover is het nooit gekomen. Tijdens mijn burgemeesterschap ging ik twee keer per jaar naar de Kamer voor gesprekken met fractievoorzitters. Bij iedereen kon ik binnenlopen, behalve bij Wilders, die stuurde Kamerlid Harm Beertema.’

Wilders’ motie van wantrouwen hing u ingelijst op uw werkkamer in het stadhuis, als een trofee.

‘Hij ligt nu thuis, ik moet er nog een mooi nieuw plekje voor zoeken.’

Hoe kijkt u naar het feit dat bij de laatste Kamerverkiezingen vijf partijen plannen voor ‘remigratie’ in het verkiezingsprogramma hadden staan?

‘Het gaat over mij. Kom me maar halen, zeg ik. Als grapje. Ik koester nog steeds de hoop dat wat we meemaken aan polarisatie een golfbeweging is.’

Zitten we dan nu op het dieptepunt?

‘Dat dacht ik ooit. Toen was het niet zo. Maar ik heb hoop. Ik heb het afgelopen jaar minstens twintig lezingen gedaan naar aanleiding van mijn memoires. En die trekken volle zalen, ontzettend volle zalen, ook in gebieden waar je dat niet van mij verwacht. Je denkt: Aboutaleb is bekend in Amsterdam en Rotterdam, maar niet in Sneek. Volle kerk. Ik laat je er zo een foto van zien. Prachtig mooie gesprekken na afloop. Er is dus wel behoefte aan een ander verhaal, aan een alternatief. Misschien moet je maar eens een keer komen naar zo’n zaal. Kun je het zelf waarnemen.’

Ik geloof het meteen hoor, dat het vol zat.

‘Ik zou een theater van zo’n tweehonderd man doen, in Maastricht. En toen kwam het bericht binnen dat het uitverkocht was. Of ik nog een tweede wilde doen, op dezelfde dag.’

Aboutaleb ontgrendelt zijn telefoon om de foto van de volle kerk in Sneek te zoeken. Blik op zijn schermpje: ‘Ga maar door, ik luister naar je.’

U bent voor verbinding, maar uw bekendste uitspraak is ‘als je het hier niet ziet zitten, rot toch op’, live op tv, na de aanslag op de redactie van Charlie Hebdo.

‘Ja. Tegen terroristen heb ik dat gezegd, hè? Je woont hier uit vrije wil. Als de cultuur, de vrijheden jou niet bevallen, kun je vertrekken. Misschien is Zuid-Soedan een betere plek voor je, of Afghanistan. Het was geen opzetje, die uitspraak, daar is in de journalistiek vaak aan getwijfeld, maar het kwam ontzettend spontaan uit mijn tenen.’

Blik op het telefoonscherm. Aboutaleb heeft de foto gevonden. ‘Kijk, dit is die kerk in Sneek. Dit is de linkerflank.’ Volgende foto: ‘De rechterflank. Een kerk vol. Tot bovenin. Hier put ik hoop uit.’

Denkt u dat u met uw ‘rot op’-uitspraak het pad heeft geëffend voor anderen om ook dat soort uitlatingen te doen, zoals Rutte met zijn ‘pleur op’, twee jaar later?

‘Nee. Nee. Nee. Het was niet de taal van een burgemeester die wil verbinden, maar ook voor een verbindende burgemeester is het goed om soms kleur te bekennen, te zeggen: met deze mensen heb ik niks. Geen relativerende opmerkingen. Niks.’

De reden dat werd gedacht dat u die ‘rot toch op’-uitspraak had voorbereid, is omdat het zo goed viel. Het paste naadloos in een tijdgeest waarin steeds kritischer over migratie en migranten werd gesproken.

‘Wat kan ik zeggen? Het verbond onvoldoende. Heb ik er spijt van? Dat niet. Maar het deed de verbinding geen goed.’

Is het u kwalijk genomen?

‘Jaha, vooral door mijn tegenstanders binnen de islamitische gemeenschap, die toch altijd al vonden dat ik een fake moslim ben, omdat ik nooit bereid was om kromme dingen recht te praten, omdat ik te weinig zou opkomen voor hun belangen. Die konden zeggen: zie je wel. Het bewijs is geleverd.’

U bent dus een nep-Nederlander genoemd, een nep-moslim en ook nep-links, toch?

‘Ja.’

Bijvoorbeeld omdat u in 2002 gesprekken voerde met de LPF over een staatssecretariaat.

‘Ik was nieuwsgierig naar waarom ze mij wilden hebben. Zo heb ik ook een keer met Hans Dijkstal van de VVD gepraat. Fantastisch mens. Hij wilde mijn interesse peilen, en ik heb gezegd: ik ben niet van de VVD. Toen heeft hij me in contact gebracht met de PvdA. Ik ben sinds 2003 lid.’

Bron Ivo van der Bent

U staat bekend als law-and-orderpoliticus.

‘Zal ik je daar iets over vertellen? Law-and-order, veiligheid, zijn typisch linkse thema’s. Maar links heeft ze gratis in handen van rechts geduwd. Als ik als Rotterdamse burgemeester op Zuid rondliep, en ik heb daar 136 bijeenkomsten geleid, met burgers, is het eerste wat ik hoorde: we hebben last van drugsoverlast, onze kinderen kunnen niet buiten spelen want het pleintje daar wordt in beslag genomen door criminelen. Wij willen cameratoezicht en meer politie. En wat was het antwoord van PvdA, D66 en GroenLinks, als ik in de gemeenteraad voorstelde om camera’s te plaatsen? Geen steun.’

Aboutaleb vervolgt: ‘Linkse partijen doen er verstandig aan dit geluid veel serieuzer te nemen. Ik ben, en dat lees je ook in mijn boek, in Latijns-Amerikaanse landen geweest vanwege mijn veiligheidsbeleid. Op zeer hoog niveau ontvangen, door staatshoofden. In Costa Rica mocht ik zelfs met de president zijn volk toespreken. Burgemeestertje van Rotterdam. Niet omdat ik een probleem heb met de mensen die vrijdagavond een lijntje cocaïne trekken, maar het waren míjn Rotterdamse kindertjes, die op 13- of 14-jarige leeftijd worden misbruikt om havencontainers open te breken. Míjn Rotterdamse kindertjes. Voor hen was ik er. Dus ik wás helemaal niet rechts op veiligheid, ik was juist links op veiligheid. Het probleem is alleen: linkse partijen hebben het niet door.’

Hij laat een stilte vallen. ‘Schrijf dat maar op.’

Is dat getwijfel aan uw loyaliteit de reden dat u zeer gesloten bent over uw privéleven?

‘Ik vind dat het er niet toe doet, of een bestuurder naar de kerk gaat, naar een moskee of naar een synagoge. Dat is iets van jezelf. Dat moeten mensen respecteren.’

Maar is het ook omdat alles wat u er wél over zei, meteen...

Onderbreekt: ‘Tegen je gebruikt wordt. Precies. Er zijn veel fotografen die mij graag wilden fotograferen in een djellaba. Nooit gedaan. Ik draag hem thuis, maar als ik naar buiten ga, zelfs als ik alleen maar iets in mijn auto heb laten liggen, dan doe ik hem uit en trek ik een gewone broek aan. En als ik weer thuis ben, kleed ik me weer om.’

Lodewijk Asscher zei: ‘Als je opgroeit in een context waar je vaak moet knokken, word je selectief in wie je toelaat. Dat geldt voor Ahmed.’

‘Treffend. Hij heeft ontzettend gelijk.’

Hij zei ook: ‘Je ziet het gedrag van een jongetje dat alles goed moet maken. Jij bent blijkbaar degene die het geluk heeft, en het talent, om die rol te vervullen. Je bent vertegenwoordiger van een groep. Dat laat weinig ruimte voor fouten.’

‘Waar, hartstikke waar. Ik heb mezelf opgelegd dat ik niet mocht falen. Als ik had gefaald, bijvoorbeeld in het ambt van burgemeester, was de reactie geweest: zie je, ‘ze’ kunnen het niet. Dat is een last. Ook op Ahmed Marcouch, de burgemeester van Arnhem, wordt gejaagd. Wanneer gaat hij fouten maken? Dat gebeurt niet bij de burgemeester van Wassenaar.’

Als burgemeester declareerde u niets.

‘Geen cent heb ik gedeclareerd. Ik gaf aan mijn secretaresses een doosje geld van mijn eigen rekening, voor verjaardagscadeautjes voor medewerkers. Als ik privé een brief schreef, nam ik een postzegel mee van huis.’

Dat gaat wel ver, als je zelfs niet eens een postzegel durft te gebruiken van kantoor.

‘Ik weet dat er ook binnen een ambtelijke organisatie op je kan worden gejaagd. Eén verkeerde declaratie kan je je kop kosten.’

U vertrouwde uw eigen personeel niet?

‘Ik vertrouw iedereen. Maar er kan altijd een element zijn dat jou geen warm hart toedraagt.’

Volgens Asscher zijn sommige politici ‘gespeeld open’. U bent dat volgens hem niet.

‘Dat gaat voor mij ook weer over die pijl, die je in je rug kunt krijgen. Wat heb je aan openheid over je privéleven? Het is niet zo dat ik mijn vrouw en kinderen heb afgeschermd, dat was geen bewust beleid. Maar ik wil ook niet dat mijn kinderen last hebben van mijn achternaam.’

Waren ze blij dat u stopte als burgemeester?

‘Een behoorlijk deel van mijn kinderen, namelijk mijn drie zeer intelligente dochters, wil niet dat ik terug de politiek in ga. Mijn zoon zegt: als je terug wil, steun ik je. Mijn vrouw ook. Maar mijn dochters zijn uitgesproken. Ze waren er ook op tegen dat ik lijsttrekker zou worden van de PvdA, toen daar in 2016 en 2023 mogelijk sprake van was. Zij zien dat giftige klimaat in Den Haag en zeggen: papa, dat moet je niet willen.’

In de interviews die u na uw vertrek als burgemeester hebt gegeven, lijkt u de deur toch open te houden. U flirt er nog wel mee.

‘Nee. Ik had mijn vinger kunnen opsteken bij de laatste verkiezingen, heb ik niet gedaan. In mijn boek staat ook hoe het in 2023 gegaan is. Ik zei tegen Frans Timmermans: als jij het wil doen, steun ik je.’

Maar uw deur stond op een kier.

‘En toen Timmermans het ging doen, heb ik de deur weer dichtgegooid.’

Is hij nu hermetisch dicht?

‘De kans dat die deur nog opengaat, is niet groot.’

Heeft u getwijfeld of u geschikt was voor het partijleiderschap?

‘Er zijn mensen die zeggen: als jij partijleider was geweest, hadden we een andere verkiezingsuitslag gehad. Dat zou natuurlijk kunnen, positief of negatief. Maar het partijleiderschap is geen ticket voor het Torentje. Het is ook mogelijk dat je in de Tweede Kamer terechtkomt. Zou ik een goede volksvertegenwoordiger zijn? Dat weet ik niet.’

En een goede premier?

‘Dat kun je van jezelf niet zeggen. Dat moeten anderen zeggen. Ik heb de afgelopen tijd in Rotterdam wel bewezen boven de partijen te kunnen staan. Dat is een belangrijke kwalificatie voor een minister-president, dat je diplomatieke gaven hebt, en zowel in Nederland als internationaal beschikt over een uitgebreid netwerk. Ik heb voor de Rotterdamse haven contacten in de hele wereld moeten aangaan. Ik was zelfs met de majesteit bij de VN, om te lobbyen voor een tijdelijke zetel in de Veiligheidsraad. Dus dat spel beheers ik redelijk goed. Ik denk dat ik een eigenschap heb die je nu weinig ziet in de politiek, en dat is het vermogen om bruggen te slaan. Ik ga tot het uiterste om bruggen te slaan. Ik ben als verbinder uit Rotterdam vertrokken.’

Aboutaleb pakt weer zijn telefoon erbij. ‘Ik wil je iets laten zien.’ Hij tovert een video tevoorschijn waarin een gedicht wordt voorgedragen, in het Arabisch. ‘Een beroemd gedicht, over een armoedzaaier die ineens mag regeren over een volk. Zo is het mij natuurlijk ook een beetje overkomen. Veel van de Arabische poëten staan aan de kant van de armen, de onderdrukten. Poëzie heeft in de Arabische wereld een heel andere rol dan hier. In Nederland hebben we de poëzie afgeschreven. Voor mij is het dagelijkse consumptie. Als ik niet met een wiskundesom bezig wil zijn, om de logica van de natuurlijke logaritmen uit te rekenen, als ik mijn hersens niet op die manier wil pijnigen, ga ik naar een gedicht. Dan is de imaginaire wereld onuitputtelijk groot.’

Veel mensen denken: als ik niet hoef te werken, ga ik op de bank liggen en voetbal of Netflix kijken.

‘Dat gun ik iedereen, dat gun ik iedereen ontzéttend.’

Maar u gunt het uzelf niet.

‘Nee.’

Lodewijk Asscher zei: ‘Het is voor Ahmed nooit goed genoeg. Hij denkt altijd: ik had een stapje harder kunnen lopen.’

‘Dat is waar. En ik heb ook een andere eigenschap. Ik loop niet de massa achterna.’

U kijkt geen voetbal.

‘Ik ben geen kuddeloper. Van de week kwam ik met de auto terug uit Amsterdam. Ik stopte bij een benzinepomp langs de A4, om een kop koffie te tanken. En er was een Marokkaanse meneer die langsreed met een wit busje. Op het moment dat ik met mijn koffie in mijn auto wilde stappen, zei hij: ‘Wat rijdt u toch in een ontzettend eenvoudige auto.’’

In wat voor auto rijdt u dan?

‘Een Hyundai met een leeftijd van vijftien jaar. Ik zei: het geld voor een mooie auto gebruik ik liever om mensen in Marokko aan een nieuwe waterput te helpen. Materieel welzijn boeit mij in het geheel niet.’

Uw vriend Jan Vos zei dat hij en één andere vriend de enigen zijn die bij u thuis mogen komen, naast uw familie.

‘Dat is niet waar. Mijn buren lopen ook binnen, de vrienden van mijn dochters komen logeren. Vrienden van mijn vrouw. Maar mijn sociale omgeving is wel zo georganiseerd dat die overzichtelijk is.’

U heeft weinig vrienden, bedoelt u.

‘Het zijn geen massa’s mensen. Dat is na mijn terugtreden niet veranderd. Wat wel is veranderd, is dat ik bijna geen pakken meer draag. Je ziet het, ik heb het vandaag gedurfd om zo te komen. Al mijn stropdassen, op één rode en één blauwe na, heb ik weggedaan. Het huis is na mijn terugtreden leeggemest door een liefdadigheidsorganisatie. We zijn kleiner gaan wonen. Ik heb de helft van mijn boeken moeten wegdoen.’

De fotograaf is er. Hij mag mee naar het huis van Aboutaleb. ‘Ik heb een klein tuintje’, zegt de oud-burgemeester. ‘En een doodgewone Hollandse huiskamer.’