De cipier had mij op montere toon gevraagd of ik wilde afstappen zodra ik de bunker binnenkwam
Een lichtpunt zijn de bewaakte fietsenbunkers van tegenwoordig. Vroeger, als student, fietste ik naar het station en kwakte mijn fiets tegen een muurtje. Tijd om hem fatsoenlijk af te sluiten had ik niet, dus huldigde ik de theorie dat dieven hun neus ophaalden voor een fiets zonder slot. Zo’n fiets kon niets zijn. Er was waarschijnlijk iets met zo’n fiets. Zelfs fietsendieven, nam ik aan, geloofden ten diepste dat goedkoop duurkoop was.
Lulkoek natuurlijk. Dus ben ik blij dat we tegenwoordig af dienen te dalen naar een soort fietsenperron, waar je de fiets via een poortje in moet checken, bliep, de fiets voelt zich gezien, geaccepteerd, misschien denkt hij wel dat hij mee de trein in mag. Maar nee, voorlopige hechtenis is zijn lot. Een bewaker houdt de fiets permanent in de gaten, opdat hij er niet vandoor gaat met een ander baasje, wat iedere fiets overigens zonder oogknipperen doet, het zijn wat dat aangaat trouweloze honden.
Ook in zo’n penitentiair ondergronds hok zet iedereen zijn rijwiel op slot. Graag zelfs aan het rek, met een zware schakelketting. Heb ik a geen tijd voor, en b lijkt het me overdreven. Hypochondrie kan uitstralen naar je fiets, pas ervoor op. De fietsendief zoals ik hem ken, zie ik onze bunker niet zonder fiets maar met een betonschaar binnenstappen. De aangename, vertrouwde bliep van de detectiepoort zal uitblijven, in plaats daarvan begint het ding te jengelen als onze wasmachine die klaar is.
(Even terzijde, die wasmachine van ons, het is net een baby, als hij z’n trommeltje heeft volgescheten begint hij keihard en aanhoudend te piepen. Ik lig dan net lekker te lezen. Maar piepen houdt aan, dus gaat papa naar boven. Wat eruit komt ruikt zelden lekker. Hebben andere mensen dat ook?)
Bovendien kennen ze onze cipier dan nog niet. Ik raad het niemand aan, de bunker uitkomen met een fiets die niet van jou is. Terwijl het zo’n welopgevoede, attente jongeman lijkt, achter zijn balie. Tegen iedereen die zijn fiets naar binnen rolt zegt hij op montere toon: ‘Een goeiedag.’ En als je vice versa je fiets weer naar buiten rolt, is het: ‘Een fijne dag nog.’
Altijd precies dat. Ook met de lidwoorden erbij. De eerste maanden vond ik dat heel vriendelijk. Hij zag er ook aardig uit, bijna zachtaardig. Hij leek getekend door Willy Vandersteen, een Lambik met zwart haar. En het was ook niet mis, honderden reizigers per dag, waarschijnlijk wel een paar duizend, persoonlijk een goede dan wel een fijne dag nog toewensen.
Toch, als je dichterbij kwam, verhardden zijn trekken. Op ware grootte bleek het een hele stevige, vierkante kerel. Ik stond een keer aan zijn deskje om mijn banden op te pompen. Terwijl ik bezig was, verliet een reiziger de stalling tegen wie onze bewaker zijn ‘een fijne dag nog’ uitsprak. Die figuur, een keurige heer in een lange regenjas, zweeg. ‘Is elke keer zo,’ zei onze bewaker tegen mij, ‘hij leert het niet.’
De volgende die de bunker verliet, stapte meteen na het poortje op, en fietste weg. Dat was niet de bedoeling, wist ik inmiddels. Mij had hij al een paar keer op montere toon gevraagd of ik wilde afstappen in zijn bunker. Ik deed dat dan meteen, omdat ik hem zo aardig vond, denk ik.
Deze fietser fietste door. Als een commando kwam onze cipier achter zijn deskje vandaan. Vrijwel zonder stappen te zetten, nog geen handvol stappen had hij nodig, of hij had de keurige heer ingehaald. Hand om de bovenarm: ‘Afstappen, zei ik.’
Toen hij weer terug was achter zijn deskje, zei hij met een ijzige, donkere blik in zijn ogen dat hij zulke types dus niet zou oprapen, hè, als ze van hun fietsje zouden flikkeren.
Lees ook
Geselecteerd door de redactie