De Casus 'Onbesuisde Beuk', door drie -ici beschouwd
De hypotheticus
Wat als de dader knie of elleboog naar voren had gestoken? Wat als de scheidsrechter gewoon rood had gegeven? Wat als de analytici in de studio even een paar minuten in de koele avondwind hadden kunnen staan alvorens zich tot de nok toe gevuld met adrenaline te laten meeslepen in de opwinding van het moment? Wat als het slachtoffer niet meer zelfstandig van het veld had kunnen lopen? Wat als de dader geen bekende vader had gehad? Wat als de dader niet overduidelijk spijt had gehad? Wat als het woord moordaanslag niet gevallen was, een hyperbool (literaire stijlfiguur), geheel in traditie met het woord ‘stenigen’ dat Jan Mulder ooit voorstelde als straf voor de onhandig wisselende bondscoach Advocaat? Wat als die botsing niet zo precies geleken had op de klapper van Schumacher op Battiston, en wat als de niet adequaat reagerende scheidsrechter destijds geen Nederlander was geweest? Wat als het voetbal inmiddels niet een soort gigantische ophefindustrie was, een perpetuum mobile van gezwam over gezwam over discussies over gezwam, en met een eeuwig dreigend tekort aan onderwerpen om over te zwammen? Wat als het in een wedstrijd was gebeurd die niet vooraf was opgepijpt als de landing van een Nederlandse luchtballon op de maan? Wat als het al 0-3 had gestaan, of 3-0 desnoods?
Stel dat de hypotheticus echt bestond, dan zou hij deze vragen zeker hebben gesteld.
Deze column is afkomstig uit het VI-weekblad.