Waarom had ik ooit getwijfeld aan de zin van het leven?
Kanker is de ultieme medelevenmagneet. Ik wil niet opscheppen, maar het afgelopen jaar was mijn brievenbus soms verstopt door de kaartjes en cadeautjes. Ik kreeg zoveel bonbons dat ik sommige moest weggooien. Op mijn veertigste verjaardag, vlak na mijn operatie en vierde chemo, zag mijn woonkamer eruit als een bloemenwinkel.
„Wat moet dit een zwaar jaar voor jou zijn”, zeiden mensen. En: „Wat bijzonder, hoeveel je blijft doen en organiseren.”
Ik voelde me bijna een imposter. Wat jij niet weet, dacht ik dan, is dat ik helemaal niet ongelukkig ben. Ik voel me waarschijnlijk gelukkiger dan jij. Mag ik de bonbons toch houden?
Het verraste mijzelf ook. Een dodelijke ziekte is zo ongeveer de grootste ramp die je kan overkomen en maakt je dús ongelukkig, ben je – was ik – geneigd te denken. Maar zo ging het niet. Deels kwam dit door bewust aangebrachte oogkleppen. Het hielp ook dat ik al vrij snel goed nieuws kreeg: de chemo sloeg uitstekend aan.
Maar er was ook iets anders aan de hand. Ongeluk verhoudt zich niet altijd op een logische manier tot de werkelijkheid. Hoewel ‘er is een grote kans dat de kanker terugkomt’ een rampzalige boodschap is en van grote invloed op de rest van mijn leven, is het in het nu een abstractie. Veel concreter en urgenter was het bijvoorbeeld toen mijn haar na de chemo niet meer donkerblond was, maar grijsachtig. Dat laatste maakte me werkelijk ongelukkig, het eerste verdween soms naar de achtergrond.
Op een bepaalde manier bleek kanker zelfs iets positiefs te bieden. Dit heeft te maken met de oerproblemen van het leven, eenzaamheid en zinloosheid. Mijn theorie is dat veel ellende, van angst en depressie tot de opkomst van populisme, hierop is terug te voeren. Mensen ervaren een gebrek aan verbinding en een gebrek aan richting – resulterend in gedachten als ‘niemand ziet mij’ en ‘waar doe ik het voor?’ Ook ik heb hier soms last van, ook al heb ik veel vrienden en hou ik van mijn werk. Blijkbaar zijn de oerproblemen hardnekkig.
Voor een kankerpatiënt speelt het leven hard to get, en daardoor is het onbetwistbaar begeerlijk
In de acute fase van kanker zijn beide problemen van tafel. Er is een overvloed aan verbinding. Op de avond van mijn diagnose kwamen er twaalf vrienden eten, een van hen kookte voor iedereen, het was bijna gezellig. De maanden daarna regen de etentjes zich aaneen. Er was een appgroep waarin ik liveblogde over mijn artsen en over ‘Kankerhondje Tommy’, de ziekenhuisballon in de vorm van een superblije hond. Mijn posts kregen veel hartjes en huilen-van-het-lachen-emoji’s. Ik ging crowdsurfend door de winter.
Ook de richting was plots duidelijk. Waarom had ik ooit getwijfeld aan de zin van het leven? Die zin is het leven zélf: alles eraan waar ik zo hartstochtelijk van geniet. Lieke Marsman beschreef het mooi in haar gedicht In mijn mand: hoe ze verlangde naar een koud flesje bier, de vanille van een oud boek, het geluid van haar drinkende hond. Voor een kankerpatiënt speelt het leven hard to get, en daardoor is het onbetwistbaar begeerlijk.
Soms dacht ik zelfs dat de dingen tegen elkaar opwogen. Oké, misschien ga ik jong dood, maar dan voel ik me tot het eind van mijn leven vervuld en verbonden.
Maar voordat ik een formule kon bedenken om de verschillende variabelen tegen elkaar af te wegen, verdween de hypothese weer van tafel. De aanname ‘ik voel me voor altijd gelukkig’ bleek namelijk niet te kloppen. Toen de behandeling voorbij was en het leven zich hernam, doken de oerproblemen weer op. Lelijke gevoelens zoals miskenning en jaloezie. Zwartgallige gedachten over de wereld. Dromen waarin mijn vrienden zonder mij op vakantie gingen.
Alweer bleek (on)geluk lastig te voorspellen. Mijn brievenbus was nu leeg, op de krant na, vol ellendige berichten. Nu heb ik het slechtste van twee werelden, dacht ik meteen. Nog steeds dreigt de dood, maar het leven blijkt ook gewoon kut. Dit wordt de moeilijkste fase. Zul je net zien, de stroom aan bonbons is opgedroogd en ik lig depressief in bed.
Verschillende mensen hadden al gezegd dat ‘de klap pas later komt’, ‘het verwerken nog moet beginnen’ en meer van dat soort omineuze teksten. Was dit dan het begin van de klap, van het verwerken? En hoe wist ik wanneer het ergste was geweest? Was er maar een Buienradar voor onheil. Hoe dan ook zette ik me schrap voor een steile afdaling in de krochten van mijn gemoed.
Een paar dagen later, ik had wat onverwachte gesprekken gehad, mijn keuken schoongemaakt, een nieuw liedje ontdekt, leken de kaarten opnieuw geschud. Aan mijn onzekere toekomst en de toestand in de wereld was niets veranderd maar de grondtoon van alles was anders, vrolijk.
Snap ik nog iets van geluk? Ik laat de vraag maar even rusten. Het is nog steeds zomer en ik heb twee nieuwe badpakken.
Alles is inderdaad relatief, soms op een verbijsterende manier
Lees meer
Soms is het alsof ik in een vorig leven al kanker heb gehad
Lees meer
Misschien, bedenk ik, zijn er twee soorten ‘nu’
Lees meer
Wat uiteindelijk hielp, was een zin op de muur van een wc
Lees meer
Ik ben de Einstein onder de kankerpatiënten, denk ik. Ik doe het zó goed
Lees meer
‘Kanker loert in de verte, en dichterbij, minder dodelijk maar veel acuter, zijn irritante weggebruikers’
Lees meer
Het is een misverstand dat ‘in je lichaam’ gelijkstaat aan ‘uit je hoofd’
Lees meer
Mail de redactie
Ziet u een taalfout of een feitelijke onjuistheid?
U kunt ons met dit formulier daarover informeren, dat stellen wij zeer op prijs. Berichten over andere zaken dan taalfouten of feitelijke onjuistheden worden niet gelezen.