Home

Maria Barnas’ nieuwe dichtbundel is poëzie op haar best: slim, associatief en gloedvol

Tussen mij is een bundel vol dwarsverbanden. Een kaleidoscoop die steeds verandert en tegelijkertijd steeds hetzelfde blijft, zodat je nooit verveeld raakt, en altijd weer kunt terugkeren naar wat je zo ontroerde.

Zo nu en dan komt er een bundel uit waarin je haast met open mond zit te bladeren door een woud van kruisverbanden en slimme composities. De mateloos interessante nieuwe bundel van Maria Barnas is zo’n bundel. In Tussen mij kun je blijven speuren.

Neem bijvoorbeeld het gedicht ‘Uitbotten’. Die titel alleen al is goed: uitbotten is een heerlijk woord, omdat het nieuw leven in zich draagt, maar ook het woord ‘botten’, het soort cryptogramachtige taalspel waar dichters hard op gaan, ondergetekende inbegrepen.

Als we dan in de eerste strofe grond en een schoffel tegenkomen, denk je aanvankelijk aan een graf, misschien zelfs zozeer dat je schep leest in plaats van schoffel, om je dan te herinneren dat het gedicht niet ‘Botten’ maar ‘Uitbotten’ heet en we mogelijk staan te tuinieren. Een hele associatieve reis achter de rug, en we zijn pas bij regel drie.

De afspraak is, zo heeft de redactie van het literaire tijdschrift Merlyn al in de jaren zestig bedacht, dat je poëzie leest alsof alles met opzet gedaan is. Er valt in een gedicht geen mus van het dak zonder dat het iets betekent.

Als je zo naar ‘Uitbotten’ kijkt, is het dus niet omdat de pagina ophield, maar omdat Barnas het zo gewild heeft dat de laatste vier regels van het gedicht op de volgende pagina staan, en dan ook nog eens niet op de pagina ertegenover, nee, je moet het blad echt omslaan, en dat versterkt de harde overgang die ook in de inhoud zit. Want we blijken ons in dit gedicht inderdaad al aan het begin in een tuin te bevinden, bomen worden geplant, zwijnen wroeten, gieters geven water.

Belofte

Tuinen hebben, zeker in deze tijd van het jaar, de neiging om iets van een belofte in zich te dragen, je ziet het volle, groeiende potentieel van de nabije toekomst. Of, beter geformuleerd door Maria Barnas: ‘in dit licht dat niets minder/ dan toekomst ontlokt aan ons./ Een toekomst in ons midden!’

Daarna is er nog even de dreiging van een plaagdier (‘Niet vragen/ van wie het slijmspoor is’) en hop, de pagina wordt omgeslagen en ineens zitten we in de actualiteit: ‘wanneer we niet kijken/ naar het nieuws om te zien/ of er al wraak of het daar // is waar de doden vallen’.

Zoals een oorlog zomaar op een zaterdagochtend uit de lucht kan komen vallen, gebeurt dat ook in dit gedicht. Van het gloedvolle potentieel van een tuin in de lente belanden we in het nieuws, wraak en oorlog.

Maar hoewel het gedicht daar ophoudt, hoef je als lezer niet op te houden met interpreteren. Op de volgende pagina (nu wel aan de overkant, een meesterzet) staat namelijk het gedicht ‘Doden vallen niet’. In de eerste regel wordt het nog een keer stellig beweerd: ‘Het zijn niet de doden die vallen/ zeggen de moeders.’ Wat ontzettend mooi hoe de dichter zichzelf hier tegenspreekt, je krijgt de neiging om na die laatste regel op pagina 12 jezelf in de rede te vallen met de titel op pagina 13. Doden vallen niet, als je dat soms dacht.

Barnas doet het vaker, zonder dat het een kunstje wordt. Het gedicht ‘Lied’ eindigt met de vraag ‘En weet iemand wat/ er met de servetten is gebeurd’, waarna het gedicht ‘Tuinen’ opent met ‘Een moeder wit/ tussen de lakens/ in de tuin’.

Servetten

Je kunt die gedichten natuurlijk ook in deze volgorde voordragen op een podium, maar het effect is niet hetzelfde als wanneer je ze in een boek voor je hebt. Op papier kun je nog eens terugkijken, ho eens even, waarom denk ik nu aan servetten? O ja, daar staan ze, in het vorige gedicht.

Dan moet er wel een meestercomponist als Barnas aan het roer staan, die bewezen heeft dat ze dit optuigen van dwarsverbanden perfect beheerst, zowel binnen het gedicht als tussen gedichten onderling. Het maakt Tussen mij een bundel waarin je kunt blijven bladeren, elke keer zie je weer een nieuwe slimmigheid. Dat is poëzie op zijn best, een kaleidoscoop die steeds verandert en tegelijkertijd steeds hetzelfde blijft, zodat je nooit verveeld raakt, en toch altijd weer terug kunt keren naar wat je zo ontroerde.

Voor bij de koffie dit weekend: zoek zelf alle dwarsverbanden die Barnas in onderstaand gedicht heeft gestopt. Het aardige is: er zijn alleen maar goede antwoorden.

Waken

Ik keek naar de lange dingen die stom aan mijn lichaam hingen en bungelden.

terwijl ik door een bos liep
met toegangstijden.
Ik had niet meer zo lang.

Er moest een woord zijn
voor wat stronkachtig
aan de elleboog vertakte.

Zou mijn hele lichaam
zich van mij afkeren ik
kon niets niemand raken.

Ik miste de wapens
waarmee ik kon zwiepen
en slaan als het moest.

Zo sleepte ik voort
tot met een schok
mijn armen ontwaakten

Maria Barnas: Tussen mij. Van Oorschot; 88 pagina’s; € 22,50

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next