Home

Bert Natter: ‘Goedheid wordt in sommige situaties wel beloond. Maar in een oorlog is dat niet zo zeker’

Met de schrijver Bert Natter gaat het uitstekend, met de mens Bert Natter ging het minder: er was veel dood om hem heen. Het contrast tussen licht en duisternis is ook een thema in zijn Aan het einde van de oorlog, dat kans maakt op de Libris Literatuur Prijs.

schrijft voor de Volkskrant over Nederlandstalige literatuur.

Als schrijver beleeft Bert Natter hoogtijdagen. Zijn vuistdikke, meerstemmige roman Aan het einde van de oorlog – die zich afspeelt op één dag, 20 april 1945, de verjaardag van Hitler, in een concentratiekamp – werd vorig jaar lovend ontvangen. De vertaalrechten werden op de London Book Fair verkocht aan zeven landen en het boek staat op de shortlist van de Libris Literatuur Prijs die op 11 mei wordt uitgereikt.

Als mens is Natter nogal wat tragiek overkomen. Zijn vader Wout stierf in 2023. Aan het einde van de oorlog is aan hem opgedragen. Vlak na de verschijning stierf ook zijn moeder Alie. En op de dag van zijn moeders uitvaart werd de zwarte labrador Hutsh, hulphond van zijn jongste dochter Lidewij, plotseling ziek en ging dood. Voor hun huisdier schreef hij het requiem Zonderhond, dat deze maand verscheen.

‘Ik moet bekennen,’ zegt Bert Natter aan de keukentafel van zijn huis in Baarn, ‘dat ik het tijdens het schrijven vaak te kwaad kreeg. Ik heb meer gehuild om Hutsh dan om de dood van mijn ouders. Dat kwam ook door de schok van het onverwachte. Dat mijn moeder zou sterven zag ik al lang aankomen. Hutsh was nog geen 9, zijn leven was ineens voorbij.’

De nieuwe hond in huize Natter, Osca, ook een zwarte labrador, komt kwispelend aanlopen en legt haar kop op de schoot van haar baas.

Bert Natter, grijs stoppelbaardje, oogt op zijn 58ste nog als een echte jongen. Op het Baarnsch Lyceum in de jaren tachtig ontmoette hij zijn boezemvriend, Ronald Giphart. Die was dik twee jaar ouder en zat bij zijn broer Wouter in de klas. Samen schreven Bert en Ronald in de schoolkrant, Animo, ‘Alle Naam Is Maar Onzin’. ‘Voor een schoolreünie las ik niet zo lang geleden onze bijdragen terug. Wat bedoeld was als serieuze literatuur, was tenenkrommend slecht. Maar alles wat humoristisch was, is nog steeds grappig.’

Jullie vereerden schrijvers als goden.

‘Na lezing van de roman Winterlicht van Jeroen Brouwers wist ik wat me te doen stond: zelf schrijver worden. Op Ronald drukte het juk van de literaire traditie ook heel zwaar. In de tijd dat hij ernstig aan zijn eerste roman werkte, Ik ook van jou, schreef hij op lichte toon een brief aan zijn ex-vriendinnetje. Toen ik die liefdesbrief had gelezen – we lazen alles van elkaar – zei ik tegen Ronald: ‘Dit is het! Zo moet je je roman schrijven. Je hebt je toon gevonden.’

Gipharts Ik ook van jou, over de reis van twee jongens, Ronald en Fräser, en de queeste naar een meisje (‘neuken, neuken, en nog eens neuken’, vatte Tom van Deel het boek in Trouw samen) werd een weergaloos succes. Er werden honderdduizenden exemplaren van verkocht. ‘Ik heb enorm van Ronalds succes genoten, zoals hij nu van mijn succes geniet. Onze vriendschap kenmerkt zich door gebrek aan jaloezie. En we zijn nog steeds elkaars eerste lezer.’

Waarom duurde het zo lang voor uzelf als romanschrijver debuteerde?

‘In 1993 had ik ook al een dikke roman af en die heb ik laten lezen aan Joost Nijsen, de toenmalige uitgever van Ronald bij Nijgh & Van Ditmar (Uitgeverij Neuk & Van Dattum genoemd door Brett Tanner en Arnold Hitgrap in Kwadraats groot literair lees kijk knutsel en doe vakantieboek, red..) Nijsen had terecht kritiek op dat boek. Als het op dat moment was uitgekomen, dan had iedereen gezegd: het is Giphart, maar dan minder. Ik ben blij dat die roman niet is verschenen. Het is zoals Duke Ellington adviseerde: be a number one yourself. And not a number two to somebody else.’

Waardoor vond u uw eigen stem?

‘Dat was de dood van mijn broer Wouter in het jaar 2000. Hij was pas 35 en stierf plotseling aan een hartaanval. Op dat moment werd mijn leven herijkt. Er was een donkere bron ontstaan, waaruit ik als schrijver kennelijk putte. Ik kwam daar pas achter toen mijn debuutroman, Begeerte heeft ons aangeraakt, was verschenen. Ik werd geïnterviewd door Frénk van der Linden in Theater aan de Parade in Den Bosch. Zijn eerste vraag was: ik heb ontzettend om je boek gelachen, maar wat is er in het leven van Bert Natter gebeurd dat zijn boek eigenlijk over de dood gaat?’

Zijn stem klinkt hees. ‘Ik had altijd gedacht dat als mijn ouders heel oud zouden zijn en stierven, dat ik hun dood samen met mijn broer zou kunnen verwerken. Als ik in de schemering in de trein zit en we door een stad of dorp rijden, dan zie ik dat overal het licht gaat branden. De mensen gaan aan tafel. Dan denk ik altijd aan thuis, aan hoe het was met mijn ouders en mijn broer, hier vlakbij in Baarn. Terwijl ik zelf een heel leuk gezin heb, een geweldige vrouw, Hester, en twee prachtige dochters, Rozemond en Lidewij. Maar waar ik vandaan kom, dat ideaalbeeld van mijn ouderlijk huis, dat viel voorgoed uit elkaar met zijn dood.’

U schreef over uw jongste dochter, die meervoudig beperkt is, Leven met Lidewij, en over de dood van uw moeder en de hond in Zonderhond twee ontroerende non-fictieboeken. Waarom eigenlijk geen romans?

‘Ik zou het gebrek aan respect vinden als ik Lidewij zou gebruiken als romanpersonage. Dan loop ik het gevaar van effectbejag. Daarvoor is ze me te dierbaar, te onschuldig. Lidewij is een kind dat altijd kind blijft. Ze kent geen voorbedachte rade. Ze heeft een verstandelijke en lichamelijke beperking, heeft autisme, maar is heel vrolijk en sociaal. Er schuilt niets slechts in haar – dat is mooi, maar kwetsbaar. Lidewij neemt de dieren even serieus als de mensen. Een dergelijk gebrek aan onderscheidingsvermogen zou je als het tegendeel van intelligent kunnen kwalificeren, maar ook als een vorm van empathie die intelligentie overstijgt.’

Hutsh, de hulphond van Lidewij, zou het niet als een gebrek aan respect beschouwen dat u over hem schreef.

Natter lacht. ‘Dat ik dat deed, is de schuld van Martijn Oevers, van de gelijknamige, kleine uitgeverij. Hij geeft een reeks boeken uit over kleuren. Op een feestje vroeg hij mij welke kleur ik zou kiezen om over te schrijven. ‘Labradorzwart’, zei ik. Toen Aan het einde van de oorlog vorig jaar was verschenen, meldde Oevers zich opnieuw. Of ik Labradorzwart zou willen publiceren. Hutsh was toen net overleden, vlak na mijn moeder, die Hester en ik een tijd hadden verzorgd vanwege parkinsondementie, in een verzorgingstehuis hier om de hoek. Het zou een requiem voor hen beiden worden, bedacht ik me. Ik vond het een goed idee, maar wilde dat boek dan toch bij mijn eigen uitgever Thomas Rap aanbieden.’

Wat was de kiem voor Aan het einde van de oorlog?

‘Een jaar of tien geleden bezocht ik met een clubje bevriende schrijvers, onder wie Mathijs Deen en Luuc Kooijmans, Kamp Amersfoort. Daar hoorde ik over de wreedheid van Joseph Kotalla, de kampcommandant, later een van de Drie van Breda. Kotalla sloeg mensen dood met zijn blote handen. Ik vroeg: is er eigenlijk een boek over die man? Nee, dat was er destijds nog niet. Luuc zei: wie wil er nou een boek over zo’n verschrikkelijke man schrijven? Dan zit je daar jarenlang mee opgesloten.’

Dacht u daar anders over?

‘Ik wilde wel een roman schrijven over Kotalla, maar dan uit het perspectief van een van zijn slachtoffers. Ik dacht: dan kan ik de gruwelijke scènes in het kamp zelf omzeilen. Toen las ik in een boek van een cipier van de Drie van Breda dat Kotalla in de gevangenis maanvissen kweekte die werden verkocht in de plaatselijke dierenwinkel. Dat zette mijn verbeelding in gang. Op een dag koopt het slachtoffer van Kotalla een maanvis. Vervolgens dreigen de Drie van Breda te worden vrijgelaten en dan… enfin, ik heb hier een paar jaar aan gewerkt, maar op de een of andere manier werd het nooit goed genoeg.’

Osca begint te blaffen, want er wordt gebeld. De postbode brengt een boek, en dat is duidelijk een vertrouwd ritueel voor hond en baas. Osca snuffelt aan het pakje en Natter haalt er Bart Slijpers biografie van Martinus Nijhoff uit. ‘Er is geen betere dichter dan Nijhoff,’ zegt hij. Osca gaat weer op de bank voor de uitpuilende boekenkast liggen slapen.

‘In de covid-tijd werd mij gevraagd een boek te bewerken en vertalen vanuit het Engels, Sabines oorlog. Sabine Zuur, die later trouwde met Peter Tazelaar, ‘de echte Soldaat van Oranje’, had in Ravensbrück gezeten. Ik wilde precies weten wat zich in dat kamp had afgespeeld. Op een nacht las ik het verhaal van een SS-officier die in januari 1945 een gaskamer bouwde in Ravensbrück. Die SS’er liet zijn kinderen in het kamp spelen. Op een dag raakte zijn zoontje vermist. Daarna liet hij zijn kinderen een kettinkje dragen, waarop stond wie hun vader was. Het kettinkje diende als talisman, maar ik dacht meteen: goh, dat kan die kinderen juist in gevaar brengen.

‘De volgende dag noteerde ik de tekst die nu achter op mijn boek staat: ‘De elfjarige Ernst, zoon van SS-Obersturmführer Karl Zehlendorf, raakt vermist in de buurt van een concentratiekamp. Zijn broer Reinhart beweert hem te hebben achtergelaten aan de oever van het verraderlijk diepe meer, waar ze aan het vissen waren. Hij zal toch niet in het water zijn gevallen? Terwijl de geallieerde legers in de verte al te horen zijn en iedereen in het kamp beseft dat het einde van de oorlog nabij is, gaat Karl op zoek naar zijn zoon.’’

Aan het einde van de oorlog opent met een plattegrond van het concentratiekamp en een lijst met 31 personages. De bladspiegel ziet eruit als een scenario: allemaal losse fragmenten. Dacht u: ik zal de mensen eens goed schrik aanjagen?

Natter lacht. ‘Nee, ik dacht wel: dit wordt een totale mislukking, of het beste dat ik ooit heb gemaakt. Toen Aan het einde van de oorlog uitkwam, gaf ik het boek aan een tante van Hester, die 6 was toen de oorlog uitbrak. In het gezin waarin zij opgroeide, dook een Joods meisje van haar leeftijd onder. Die heeft het overleefd, maar tante Ans heeft altijd geleefd met de angst voor ontdekking. Ze zei dat ze het misschien niet zou kunnen opbrengen mijn boek te lezen. Maar na een tijdje belde ze op. Ze was toch begonnen en zei: het is natuurlijk helemaal geen oorlogsboek, het is een boek over mensen.

‘De vorm is schetsenderwijs ontstaan. Ik maakte een lijstje van personages, noteerde waar iemand zich precies bevond in het kamp, ‘voor het crematorium’, en wat diegene daar aan het doen was. Toen ik mijn notities teruglas dacht ik: dit is het eigenlijk al. Het verhaal kwam onder spanning te staan toen ik besloot dat de handelingen zich allemaal af moesten spelen op één dag: 20 april 1945, de verjaardag van Hitler, de laatste dag voor de bevrijding van het kamp. De SS’ers horen de Russen naderen. Karl Zehlendorf vraagt zich af: wat gaat de tijd toch snel?’

De spanning wordt niet veroorzaakt door de plot. Al op een kwart van de roman weten we wat er met de 11-jarige Ernst Zehlendorf is gebeurd.

‘Dat idee heb ik ontleend aan de roman De pelikaan van Martin Michael Driessen. Daarin persen twee personages elkaar af, zonder dat zij dat van elkaar weten. Maar de lezer weet het wél. Ik vond dat een briljant idee: de schrijver legt zijn kaarten op tafel, de lezer is wijzer dan de personages.’

Het moet niet makkelijk zijn geweest om sommige scènes in het kamp te beschrijven…

‘Dat heeft me inderdaad heel veel moeite gekost, al was dat natuurlijk helemaal niets vergeleken bij het leed van de slachtoffers. Ik vertelde aan Marcel Möring dat ik daarmee worstelde, en die zei tegen me: ‘Je moet drukken waar het pijn doet, Bert.’ Hij had natuurlijk gelijk. Ik kon niet wegkijken van het kwaad, ik moest het beschrijven, anders zou het Holocaust-kitsch opleveren. Er kleeft bloed aan de handen van Zehlendorf.’

Tegelijk beschrijft u gruwelijkheden soms terloops, of krijgt een afschuwelijke situatie ook iets humoristisch.

‘Als Zehlendorf zijn broek ophijst nadat hij iemand heeft verkracht, kijkt hij uit het raam en dan ziet hij ironisch genoeg zijn zoon aan de rand van het meer staan. Hij is verschrikkelijk, maar hij doet en denkt niet alleen slechte dingen. Anders zou hij een clichépersonage worden. Hij is mijn totale tegendeel, mijn anti-ego. Ik heb er veel plezier in gehad om hem gestalte te geven, recht te doen én op de hak te nemen.’

Over Zehlendorf lezen we: ‘Karl kan zich moeilijk losmaken van zijn gedachten. Hij heeft altijd zoveel om over te denken en zulke interessante ideeën.’

Natter grinnikt. ‘Hij is een pure narcist, kent zichzelf juist helemaal niet. Hij denkt ook van zichzelf dat hij een briljante pianist is. Karl krijgt het potsierlijke idee op Hitlers verjaardag Beethovens Sonate Pathétique uit te voeren. Dat gaat mis en daar moet je als lezer misschien om lachen, en op dat moment sla ik natuurlijk toe – dat komt dan twee keer zo hard aan. Het kwaad heeft ook iets absurds, zoals in Les bienveillantes van Jonathan Littell en The Zone of Interest van Martin Amis. Ik wil me niet met deze grootheden vergelijken, maar ik sta wel in hun traditie.’

Willem Frederik Hermans heeft gezegd dat onder de extreme druk van oorlog de mens zijn ware aard toont.

‘Hermans had gelijk. Iedere beslissing die iemand tijdens de oorlog neemt, zeker in een concentratiekamp, kan de dood betekenen. Al ben ik het niet met Hermans eens dat de ware aard van de mens alleen maar slecht is.’ Hij glimlacht. ‘Ik geloof ook niet dat de meeste mensen deugen. Ik denk wel dat in een gezonde democratie goedheid uiteindelijk wordt beloond. Maar in een oorlog is dat niet zo zeker. Ik zag een documentaire over een dodenmars. Veel concentratiekampgevangenen probeerden elkaar overeind te houden. Een enkeling droeg een ander op zijn rug. Maar de man die alleen aan zichzelf dacht, was de enige die het had overleefd.’

In Aan het einde van de oorlog wordt hemel en aarde bewogen om de 11-jarige Ernst te vinden en redden. Op een plek waar een mensenleven niet telt.

‘Daar ga je als lezer hopelijk over nadenken. Je leeft toch mee met de zoektocht van een vader naar een zoon – ook al is die vader een ploert en een moordenaar.’

In Leven met Lidewij vroeg u zich af: wat is een mens?

‘Haar hele leven probeer ik al te begrijpen hoe weinig zij begrijpt. Tegelijk heb ik van haar geleerd om de wereld open tegemoet te treden zonder blasé te zijn, zonder te oordelen, zonder te verwachten dat de ander zich aan jouw niveau zal aanpassen. De empathie die ik voor Lidewij heb, probeer ik ook voor mijn personages aan te wenden.’

Hij slikt zijn emotie weg. ‘Als ik zou moeten kiezen wil ik liever een goede vader dan een goede schrijver zijn.’

Uit Zonderhond blijkt: honden zijn ook mensen.

‘Voordat wij Hutsh kregen, zag ik honden als één grote groep. Maar ik ontdekte al snel dat elk dier een individu is, met een geheel eigen karakter. Als ik nu over straat loop en zie iemand met een hond lopen, dan kan ik beter aan die hond zien wie hij is dan aan de mens die ernaast loopt.’

Osca staat op van de bank, rekt zich uit en kijkt haar baasje aan. Het is tijd voor haar wandeling. ‘Ik stel me weleens voor’, zegt Natter, ‘dat de rollen zijn omgedraaid en de hond de baas is van de mens. Ik hoop dat mijn hond mij als een vriend beschouwt. Hij laat mij uit en zegt tegen een andere hond: dit is mijn mens.’

1968 geboren in Baarn op 19 januari.
1980-1987 Baarnsch Lyceum. Raakt bevriend met Ronald Giphart en Jean-Marc van Tol.
1988 Begint aan studie Nederlandse taal- en letterkunde, maar maakt die niet af.
1990 Redacteur Uitgeverij Kwadraat.
1993 Kwadraats groot literair lees kijk knutsel en doe vakantieboek als Brett Tanner, samen met Arnold Hitgrap (Ronald Giphart).
1995 Uitgever bij De Prom/De Fontein.
2001 Hoofdredacteur Rails.
2002-heden Freelancejournalist en schrijver.
2004 Het Rijksmuseum Kookboek.
2005 Jeugdroman Rembrandt, mijn vader.
2008 Debuutroman Begeerte heeft ons aangeraakt (Selexyz Debuutprijs, Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs).
2012 Hoe staat het met de liefde?.
2015 Remington (longlist Libris Literatuur Prijs) en Goldberg (shortlist ECI Literatuurprijs).
2018 Ze zullen denken dat we engelen zijn.
2022 Leven met Lidewij.
2025 Aan het einde van de oorlog (shortlists Boekenbon Literatuurprijs en Libris Literatuur Prijs).
2026 Zonderhond.

Bert Natter is getrouwd met Hester Kuiper, met wie hij twee volwassen dochters heeft: Rozemond en Lidewij. Hij woont samen met Hester, labrador Osca en poes Molly in Baarn.

Bert Natter: Aan het einde van de oorlog. Thomas Rap; 640 pagina’s; € 29,99.

Bert Natter: Zonderhond. Thomas Rap; 128 pagina’s; € 22,99.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next